Verzoek tot wraking RC toegekend: beginsel hoor/wederhoor geschonden. Buiten aanwezigheid verdediging getuigenverklaring met OvJ besproken.

Rechtbank Den Haag 2 februari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:4401 Op 20 januari 2015 heeft de rechter-commissaris in de strafzaak tegen verzoeker in ‘De Bunker’ in Amsterdam met toepassing van artikel 190. tweede lid Sv een getuige met een beperkt anonieme status gehoord. Bij dit verhoor zijn, naast de RC en de getuige, aanwezig geweest de raadsvrouw mr. I.A. Groenendijk namens verzoeker en mr. C.M. Offers, officier van justitie. Ter zitting heeft de raadsvrouw van verzoeker de rechter-commissaris mondeling gewraakt.

Aan het wrakingsverzoek is het volgende ten grondslag gelegd. De RC heeft op weg naar ‘De Bunker’ in hetzelfde voertuig gezeten als de getuige. Tijdens het verhoor heeft de officier van justitie, naar aanleiding van een antwoord van de getuige op een vraag van de rechter-commissaris, aan de rechter-commissaris verzocht hem te mogen spreken buiten aanwezigheid van de raadsvrouw van verzoeker. De officier van justitie heeft desgevraagd niet willen toelichten waarop dit overleg betrekking zou hebben. De raadsvrouw van verzoeker heeft tegen dit ongemotiveerde verzoek bezwaar gemaakt. De rechter-commissaris is op dat moment, zonder een beslissing op het bezwaar te nemen, met de officier van justitie uit het verhoor gelopen om overleg met haar te hebben. Dit is in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Bij terugkomst heeft de rechter-commissaris toegelicht waarop het overleg betrekking had. Nu het de raadsvrouw van verzoeker voorafgaand aan het overleg onduidelijk was waarop het overleg tussen de rechter-commissaris en de officier van justitie betrekking zou hebben en na het overleg bleek dat er over de inhoud van het verhoor is gesproken, is door de rechter-commissaris in strijd gehandeld met het beginsel van hoor en wederhoor en met artikel 12 Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: Wet RO) waardoor – op zijn minst – de schijn van partijdigheid is gewekt.

Standpunt RC

De rechter-commissaris stelt zich op het standpunt dat de aangevoerde wrakingsgronden geen feiten of omstandigheden opleveren die zijn rechterlijke onpartijdigheid zouden kunnen schaden en hij concludeert tot afwijzing van het wrakingsverzoek. Hij stelt daartoe dat er, gelet op de positie van de getuige, aanleiding was om overleg te voeren met de officier van justitie buiten aanwezigheid van de raadsvrouw van verzoeker en dat hij voorafgaand aan het overleg heeft gemeld dat hij met de officier van justitie in overleg zou treden, waarbij hij zich uitdrukkelijk de mogelijkheid heeft voorbehouden dat hij de informatie van de officier van justitie alsnog met de raadsvrouw zou delen, hetgeen hij vervolgens ook heeft gedaan. Het gesprek met de officier ging erover of het antwoord van de getuige op een bepaalde vraag diens positie van beperkt beschermde getuige negatief kon beïnvloeden. Volgens de rechter-commissaris kan het delen van deze informatie onder omstandigheden het onderzoek schaden en is het daarom gerechtvaardigd dat de hij eerst beoordeelt of van schade voor het onderzoek sprake kan zijn voordat de informatie met de verdediging wordt gedeeld. Ten aanzien van het vervoer naar ‘De Bunker’, waarbij hij gedurende een kwartier in hetzelfde voertuig heeft gezeten als de getuige, heeft de rechter-commissaris voorafgaand aan het verhoor volledige openheid van zaken gegeven over de aanleiding daarvan en dat hij gedurende die rit, behoudens het elkaar begroeten, niet met de getuige heeft gecommuniceerd.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft desgevraagd (telefonisch) medegedeeld dat zij geen behoefte heeft om op het wrakingsverzoek te reageren.

Beoordeling

De wrakingskamer is van oordeel dat het feit dat de rechter-commissaris tijdens het vervoer naar de verhoorlocatie in hetzelfde voertuig heeft gezeten als de getuige, geen grond is om tot toewijzing van het wrakingsverzoek te komen. De rechter-commissaris is over het contact dat hij voorafgaand aan het verhoor met de getuige heeft gehad, tegenover de officier van justitie en tegen de raadsvrouw van verzoeker transparant geweest door hen voorafgaand aan het verhoor volledig te informeren over de aanleiding van het gezamenlijke vervoer en over de aard en inhoud van hetgeen tussen de rechter-commissaris en de getuige is gecommuniceerd. De rechter-commissaris heeft verklaard met de getuige niet over de inhoud van het verhoor te hebben gesproken. De wrakingskamer ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de mededelingen die de rechter-commissaris aan de officier van justitie en aan de raadsvrouw van verzoeker heeft gedaan. Dit brengt mee dat niet gesteld kan worden dat het de rechter-commissaris aan onpartijdigheid heeft ontbroken dan wel dat hij de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt.

Ten aanzien van de wrakingsgrond die er, verkort weergegeven, op neer komt dat de rechter-commissaris in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor en in strijd met artikel 12 Wet RO heeft gehandeld, wordt als volgt overwogen. De wrakingskamer stelt voorop dat het verhoor van een beperkt anonieme getuige in ‘De Bunker’ in Amsterdam een bijzondere situatie is, waarop een verhoogde druk staat. Bij dergelijke verhoren is de taak van een rechter-commissaris niet slechts de waarheidsvinding, maar tevens het waarborgen van de veiligheid van de identiteit van de getuige. Daarbij dient de rechter-commissaris echter wel de belangen van de verdediging in het oog te houden.

In de onderhavige zaak heeft zich een ongebruikelijke situatie voorgedaan, namelijk dat de officier van justitie een ongemotiveerd verzoek heeft gedaan om buiten aanwezigheid van de raadsvrouw van verzoeker overleg te voeren met de rechter-commissaris. De rechter-commissaris vermoedde naar eigen zeggen dat dit overleg betrekking zou hebben op een antwoord van de getuige welk antwoord voor de verdediging een aanwijzing kon opleveren ten aanzien van de identiteit van de getuige. De, rechter-commissaris is vervolgens op het verzoek van de officier van justitie ingegaan, zonder de raadsvrouw van verzoeker gelegenheid te geven om inhoudelijk op het verzoek van de officier van justitie te reageren en heeft met de officier van justitie buiten de aanwezigheid van de raadsvrouw gesproken over het door de getuige gegeven antwoord. De rechter-commissaris heeft na afloop de raadsvrouw op de hoogte gebracht van de inhoud van het gesprek met de officier van justitie.

De wrakingskamer is van oordeel dat de rechter-commissaris het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door op verzoek van de officier van justitie het verhoor van de getuige te onderbreken en met de officier van justitie buiten de aanwezigheid van de verdediging de verklaring van de getuige te bespreken zonder de raadsvrouw de gelegenheid te bieden zich hierover uit te laten, terwijl bovendien de raadsvrouw van verzoeker niet wist wat het onderwerp van dit gesprek was. De wrakingskamer is ervan overtuigd dat de rechter-commissaris, mede gelet op zijn dubbele taakstelling tijdens dit verhoor, bij zijn handelswijze de bescherming van de identiteit van de bedreigde getuige voor ogen had en niet de opzet de verdediging op achterstand te stellen. Het is goed dat de rechter-commissaris achteraf openheid van zaken heeft gegeven over de inhoud van het gesprek tussen hem en de officier van justitie. Dit neemt echter niet weg dat de rechter-commissaris geen toepassing heeft gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor, door de raadsvrouw van verzoeker niet te betrekken bij de beslissing omtrent het verzoek van de officier van justitie. Dat had, zeker gelet op het feit dat de raadsvrouw van verzoeker bezwaar had gemaakt tegen het verzoek van de officier van justitie, in de rede gelegen. Door na te laten om ten aanzien van het verzoek van de officier van justitie hoor en wederhoor toe te passen, heeft de rechter-commissaris de belangen van de verdediging op dat moment uit het oog verloren. Dit geldt te meer, nu de wet in artikel 187d Sv voorziet in een procedure tot het ter zitting en ten overstaan van de raadsvrouw van verzoeker beoordelen van bezwaren van het openbaar ministerie tegen bepaalde antwoorden van de getuige, op de grond dat de bescherming van zijn identiteit in het geding is.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechter-commissaris in strijd heeft gehandeld met het beginsel van hoor en wederhoor door tijdens de zitting de raadsvrouw van verzoeker, hoewel zij bezwaar had gemaakt tegen het ingediende verzoek van de officier van justitie, niet in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over dit verzoek. Voorts heeft de rechter-commissaris in strijd gehandeld met het verbod zich in te laten met partijen over voor hem aanhangige geschillen (artikel 12 Wet RO), door buiten aanwezigheid van de raadsvrouw van verzoeker met de officier van justitie overleg te voeren over de inhoud van het verhoor, althans over iets dat de inhoud van het verhoor raakt. Daarmee heeft de rechter-commissaris de schijn van vooringenomenheid gewekt. Dit leidt ertoe dat het wrakingsverzoek zal worden toegewezen.

Het feit dat de rechter-commissaris na afloop van het overleg met de officier van justitie naar de raadsvrouw van verzoeker toe transparant is geweest over hetgeen tussen hem en de officier van justitie was besproken, doet aan het voorgaande niets af, nu het schenden van het beginsel van hoor en wederhoor en het handelen in strijd met artikel 12 Wet RO op dat moment al was geschied. Bovendien heeft de rechter-commissaris verklaard dat hij achteraf openheid van zaken kon geven omdat volgens hem de bescherming van de identiteit van de getuige in dit geval niet in het geding was. Als hij in een vergelijkbare situatie tot het oordeel zou komen dat deze bescherming wel in het geding was, zou hij de informatie uit het overleg met de officier van justitie kennelijk niet delen met de verdediging.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF