Vertraging als structureel probleem: de EU worstelt met de doorlooptijd van corruptiezaken
/De doorlooptijd van corruptiezaken binnen de Europese Unie staat opnieuw in de schijnwerpers. Follow the Money besteedde onlangs aandacht aan het thema en sprak van "tijd als de echte medeplichtige" bij EU-corruptiezaken. Meer dan drie jaar na de invallen in het Qatargate-onderzoek is er nog altijd geen zittingsdatum vastgesteld. Het Europees Openbaar Ministerie (EOM) wacht al maanden op de opheffing van parlementaire immuniteiten, en in Malta sleept de zaak rond voormalig Eurocommissaris John Dalli, die in 2012 moest vertrekken wegens vermeende betrokkenheid bij omkoping, zich nog steeds voort. Op 26 maart 2026 keurde het Europees Parlement de eerste EU-brede anticorruptierichtlijn goed, die onder meer minimumverjaringstermijnen vastlegt. De vraag is of langere verjaringstermijnen voldoende zijn om het onderliggende probleem aan te pakken, of dat er fundamentelere hervormingen nodig zijn in de opsporingscapaciteit en de procesgang.
Qatargate: drie jaar procedurele strijd
Het Qatargate-onderzoek, dat in december 2022 begon met invallen en de inbeslagname van meer dan 1,5 miljoen euro aan contanten, illustreert de problematiek bij uitstek. Per april 2026 is er nog geen zittingsdatum bepaald. De zaak is verzand in een reeks procedurele gevechten. In juni 2023 trad onderzoeksrechter Michel Claise terug na beschuldigingen van belangenverstrengeling. Vervolgens vochten de verdediging de rechtmatigheid van het hele onderzoek aan, onder meer over de vraag of het gebruik van door de Belgische Staatsveiligheid (VSSE) verzameld materiaal toelaatbaar is als bewijs. In februari 2026 oordeelde het hof van beroep in Brussel dat er geen wezenlijke gebreken in het onderzoek waren en dat de vervolging kon worden voortgezet.
Ondertussen wacht het Belgische openbaar ministerie nog steeds op een beslissing van het Europees Parlement over de opheffing van de immuniteit van meerdere Europarlementariërs die het als verdachten wil horen. In de Belgische strafrechtpraktijk zijn dit soort vertragingen overigens niet uitzonderlijk, maar veeleer kenmerkend voor de procesgang bij complexe corruptiezaken.
De nieuwe EU-anticorruptierichtlijn
Op 26 maart 2026 nam het Europees Parlement de eerste alomvattende anticorruptierichtlijn van de EU aan, met 581 stemmen voor, 21 tegen en 42 onthoudingen. Het wetgevingsproces, dat begon met een voorstel van de Europese Commissie in mei 2023, resulteerde in december 2025 in een voorlopig akkoord tussen Parlement en Raad. De richtlijn, gebaseerd op de artikelen 83 en 82 VWEU, introduceert een gemeenschappelijk strafrechtelijk kader dat corruptie voor het eerst als een gebied van bijzonder ernstige criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie behandelt.
De richtlijn bevat geharmoniseerde definities van corruptiedelicten, waaronder omkoping in zowel de publieke als de private sector, verduistering, belemmering van de rechtsgang, ongeoorloofde beïnvloeding en verrijking uit corruptie. De sancties voor natuurlijke personen zijn gestaffeld: minimaal vijf jaar gevangenisstraf als maximumstraf voor publieke omkoping bij plichtsverzuim, minimaal vier jaar voor verduistering en verrijking uit corruptie, en minimaal drie jaar voor overige delicten waaronder private omkoping. Boetes voor rechtspersonen kunnen volgens de International Bar Association oplopen tot vier procent van de wereldwijde omzet.
Verjaringstermijnen: winst of doekje voor het bloeden?
Een van de meest besproken onderdelen van de richtlijn betreft de verjaringstermijnen. De verjaringstermijnen voor corruptiedelicten liepen tussen de lidstaten enorm uiteen: uit het Commissievoorstel bleek dat deze varieerden van drie jaar in Tsjechië en Litouwen tot 25 jaar in Polen. De richtlijn stelt nu minimumverjaringstermijnen vast van vijf tot acht jaar voor onderzoek, vervolging en berechting, en tot tien jaar voor de tenuitvoerlegging van straffen na veroordeling.
Het is een stap die voorkomt dat zaken verjaren voordat ze tot een einde kunnen worden gebracht. Tegelijkertijd wijst de nadruk op verjaringstermijnen op een dieper liggend probleem. Langere termijnen adresseren niet de oorzaken van de vertragingen zelf: beperkte opsporingscapaciteit, de veelheid aan procedurele mogelijkheden voor de verdediging om het proces te vertragen, en het ontbreken van gespecialiseerde middelen bij politie en openbaar ministerie. Illustratief is dat, volgens berichtgeving van Follow the Money, een groot corruptieschandaal bij het inkoopbureau van de NAVO door slechts één Belgische politiefunctionaris wordt onderzocht.
Breder patroon: Griekenland en de OPEKEPE-fraude
De problematiek beperkt zich niet tot België. Op 1 april 2026 verzocht het EOM het Griekse parlement om de opheffing van de immuniteit van elf zittende parlementariërs in een onderzoek naar georganiseerde fraude met EU-landbouwsubsidies. Het onderzoek richt zich op vermeende misdrijven tegen de financiële belangen van de EU, waaronder aanzetting tot ontrouw in de uitoefening van een ambt, computerfraude en valsheid in geschrifte. Volgens Euronews onderzochten Europese aanklagers onder meer claims voor weidegronden op archeologische vindplaatsen, olijfbomen op een militair vliegveld en bananenplantages op de berg Olympus. Drie hoge functionarissen traden af, onder wie minister van Plattelandsontwikkeling Kostas Tsiaras en minister van Burgerbescherming Ioannis Kefalogiannis, zo berichtte Balkan Insight.
Het EOM stuit daarbij op een constitutionele complicatie: artikel 86 van de Griekse grondwet bepaalt dat bewijs tegen ministers voor handelingen tijdens hun ambtsuitoefening aan het parlement moet worden voorgelegd, waardoor het EOM zijn onderzoek moet opsplitsen. Ook hier speelt de parlementaire immuniteit dus een vertragend effect, zij het in een ander juridisch kader dan bij Qatargate.
Offshore vermogen: tien jaar na de Panama Papers
Naast de procedurele problematiek bij corruptiezaken verscheen vorige week een rapport van Oxfam dat de voortdurende kwetsbaarheid van het financiële stelsel voor misbruik onderstreept. Naar schatting was in 2024 zo'n 3,55 biljoen dollar aan onbelast vermogen ondergebracht in belastingparadijzen en niet-aangegeven rekeningen, een bedrag dat het bbp van Frankrijk overtreft. De rijkste 0,1 procent bezit circa 80 procent van dit offshore vermogen.
Tien jaar na de Panama Papers is er wel degelijk vooruitgang geboekt. Het aandeel onbelast offshore vermogen is gedaald, mede dankzij het systeem voor automatische gegevensuitwisseling (AEOI) dat rond 2016-2017 van start ging. Tegelijkertijd geldt dat deze vooruitgang ongelijk is verdeeld en dat veel landen in het Globale Zuiden uitgesloten blijven van dit systeem. Het rapport maakt bovendien duidelijk dat dezelfde offshore structuren, zoals shell companies en trusts, niet alleen worden gebruikt voor belastingontwijking, maar ook door criminele netwerken voor het witwassen van illegale opbrengsten. In de EU is inmiddels de Anti-Money Laundering Authority (AMLA) in Frankfurt opgericht om het toezicht te versterken.
