Verschoningsrecht notaris

Hoge Raad 2 juli, ECLI:NL:HR:2013:CA0434

Feiten

Op 2 juni 2010 heeft de officier van justitie op de voet van artikel 110 Sv schriftelijk van de rechter-commissaris gevorderd dat hij in het belang van het strafrechtelijk onderzoek tegen betrokkene 1 het kantoor van de klaagster zal doorzoeken. Ter onderbouwing van deze vordering was een proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagname opgesteld door het Korps landelijke politiediensten (KLPD) d.d. 31 mei 2010, waarin onder andere is opgenomen dat:

  • betrokkene 1 optreedt als vastgoedhandelaar en financieel adviseur;
  • uit opsporingsonderzoeken is gebleken dat hij zakelijke relaties onderhoudt met personen die in het verleden voor misdrijven zijn veroordeeld of waartegen een strafrechtelijk onderzoek loopt of heeft gelopen;
  • uit opgenomen communicatie naar voren komt dat hij die personen witwasmogelijkheden aanbiedt via onder andere rechtspersonen;
  • gebleken is dat veel notariële aktes van (de rechtspersonen van) betrokkene 1 zijn gepasseerd bij klaagster;
  • in diverse telefoongesprekken van betrokkene 1 met anderen is gesproken over betrokkene 2 van klaagster;
  • betrokkene 1 in een opgenomen en afgeluisterd telefoongesprek tussen hem en een (potentiële) koper van 14 januari 2010 vraagt om de notaris nog niet de opdracht te geven, want betrokkene 1 wil overleggen om het bij klaagster te laten gebeuren;
  • betrokkene 1 in een opgenomen en afgeluisterd telefoongesprek van 14 januari 2010 met betrokkene 3 zegt dat hij bij betrokkene 2 zit en alle dossiers doorneemt (...) en dat hij (betrokkene 1) hem (betrokkene 2) alles gaat uitleggen;
  • in een direct afgeluisterd (zogeheten OVC-)gesprek dat op 20 januari 2010 is gevoerd tussen betrokkene 1 en betrokkene 3, wordt gesproken over een hypothecaire inschrijving van 6,8 miljoen. In dit gesprek heeft betrokkene 1 tegen betrokkene 3 gezegd dat:
  • "betrokkene 2 knettergek is dat hij meewerkt. betrokkene 4 is met de koopaktes aan het kloten en schuiven geweest. Hij (betrokkene 2) past de nota aan op ons verzoek. Iedere andere notaris (ntv) die dit doet. betrokkene 4 kent betrokkene 2 goed, daarmee kan betrokkene 4 het bespreken. Met iemand anders gaat betrokkene 4 de mist in.

De rechter-commissaris heeft de vordering van de officier van justitie op 10 juni 2010 toegewezen, waarna op 15 juni 2010 een doorzoeking ter inbeslagneming op het kantoor van de klaagster door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam, mr. W.M.C. van den Berg, is verricht. De doorzoeking was in het bijzonder gericht op dossiers van transacties die in verband konden worden gebracht met betrokkene 1. De rechter-commissaris was bij de doorzoeking onder andere vergezeld van de voorzitter van de ring, mr. Ploumen voornoemd. Tevens waren notaris betrokkene 5 en notarisklerk betrokkene 2 aanwezig. Digitale rechercheurs hebben, blijkens een door mr. Van den Berg opgesteld proces-verbaal, eerst een zoekslag op het gehele netwerk van het kantoor losgelaten, zonder enig document in te zien. Op basis van een door het opsporingsteam opgestelde lijst van verdachte dossiers en transacties die in verband met betrokkene 1 werden gebracht, hebben de notaris betrokkene 5 en klerk betrokkene 2 aangewezen waar deze dossiers zich zouden moeten bevinden. Bij de doorzoeking zijn door de rechtercommissaris vervolgens 66 dossiers en digitale bestanden in beslag genomen. De notaris heeft geen toestemming gegeven tot doorzoeking van zijn kantoor en evenmin tot de inbeslagneming van stukken. De ringvoorzitter heeft enige dossiers ingezien en heeft daarbij te kennen gegeven van mening te zijn dat de stukken geen deel uit maakten van een strafbaar feit, maar dat deze onder de geheimhoudingsplicht vielen. De in beslag genomen stukken en de digitale kopie van de digitale bestanden zijn verzegeld meegenomen door de rechter-commissaris, onder de uitdrukkelijke toezegging dat het beslag niet in handen van het Openbaar Ministerie dan wel een opsporingsinstantie zal worden gesteld voordat onherroepelijk is beslist op een door de klaagster in te dienen klaagschrift.

Bij beschikking van 7 februari 2012 heeft de Rechtbank te Rotterdam het beklag van klaagster tegen de inbeslagneming van zich onder haar bevindende dossiers en digitale bestanden ongegrond verklaard.

Namens klaagster heeft mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het eerste middel klaagt dat het oordeel van de Rechtbank dat "redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat de in beslag genomen papieren dossiers deel uitmaken van een of meer strafbare feiten dan wel tot het begaan daarvan hebben gediend" en dat "de doorzoeking op gerichte wijze heeft plaatsgehad" onvoldoende is gemotiveerd. Blijkens de toelichting op het middel heeft deze klacht betrekking op de inbeslagneming van 66 dossiers.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan evenbedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is (vgl. HR 29 maart 1994, LJN ZC9694, NJ 1994/537 en HR 12 februari 2002, LJN AD9162, NJ 2002/439).

Het is derhalve eerst aan de verschoningsgerechtigde om zich bij de doorzoeking ter inbeslagneming uit te laten omtrent het verschoningsrecht met betrekking tot de in beslag te nemen stukken waarbij de zienswijze van de Ringvoorzitter (of diens vervanger), indien aanwezig, kan worden gevraagd. Dit is niet anders indien in verband met bijvoorbeeld de omvang van de te beoordelen stukken, de stukken die naar voorlopig oordeel van de Rechter-Commissaris voor inbeslagneming in aanmerking komen, verzegeld worden meegenomen naar het kabinet van de Rechter-Commissaris. Ook dan dient de verschoningsgerechtigde in staat te worden gesteld zich uit te laten over zijn verschoningsrecht met betrekking tot de inbeslaggenomen stukken. Het oordeel dat redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat het in dit verband door de verschoningsgerechtigde ingenomen standpunt onjuist is, komt in eerste instantie toe aan de Rechter-Commissaris, bij voorkeur in gezamenlijk overleg met de Ringvoorzitter (of diens vervanger). Voor zover dat noodzakelijk is mag daartoe door de Rechter-Commissaris van de desbetreffende stukken worden kennisgenomen.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat tegen de achtergrond van de in het proces-verbaal aanvraag doorzoeking van 31 mei 2010 genoemde omstandigheden de Rechter-Commissaris terecht heeft aangenomen dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat de inbeslaggenomen papieren dossiers, die blijkens het proces-verbaal van de Rechter-Commissaris alle betrekking hadden op betrokkene 1, "deel uitmaken van één of meer strafbare feiten die betrokkene 1 wordt verweten, dan wel tot het begaan daarvan hebben gediend" en dat die stukken nimmer object van het aan de notaris toekomende verschoningsrecht zijn. Dat oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, aangezien de aan het proces-verbaal van de Rechter-Commissaris gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen de inhoud van de dossiers niet vermeldt en evenmin een aanduiding bevat van de aard van de zich daarin bevindende stukken. Het middel klaagt daarover terecht.

Opmerking verdient voorts het volgende. De uit de bestreden beschikking en de overige stukken blijkende gang van zaken met betrekking tot de inbeslagneming houdt in dat de notaris en de Ringvoorzitter zich slechts ten aanzien van enkele van de in totaal 66 dossiers hebben kunnen uitlaten over de vraag of de zich daarin bevindende stukken kunnen worden aangemerkt als stukken die voorwerp uitmaken van de aan betrokkene 1 verweten strafbare feiten of tot het begaan daarvan hebben gediend. Voor zover in het weergegeven oordeel van de Rechtbank ligt besloten dat indien (reeds) op grond van de uit het proces-verbaal van aanvraag doorzoeking blijkende omstandigheden kan worden geoordeeld dat die stukken geen object zijn van het aan de notaris toekomende verschoningsrecht, het standpunt van de verschoningsgerechtigde daaromtrent niet behoeft te worden ingewonnen, is dat oordeel niet juist.

Tweede middel

Het tweede middel klaagt dat ontoereikend is gemotiveerd het oordeel van de Rechtbank dat redelijkerwijs geen twijfel erover kan bestaan dat de inbeslaggenomen digitale bestanden deel uitmaken van één of meer strafbare feiten die betrokkene 1 worden verweten, dan wel tot het begaan daarvan hebben gediend, voor zover zij bestanden betreffen die zijn gevonden aan de hand van de door het opsporingsteam opgestelde 'lijst verdachte dossiers en transacties die met betrokkene 1 in verband zijn gebracht'.

Beoordeling Hoge Raad

Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan naar in computers opgeslagen bestanden teneinde gegevens die van belang zijn voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. Zoals in de beschikking van de Hoge Raad van 20 februari 2007, LJN AZ3564 is overwogen, dient, in aanmerking genomen dat computerbestanden zich naar hun aard niet eenvoudig lenen voor afzonderlijk onderzoek, gewaarborgd te zijn dat de inbeslaggenomen gegevensdragers op de voet van art. 125l Sv worden onderzocht op een wijze waarbij het verschoningsrecht van de verschoningsgerechtigde niet in het gedrang komt. Hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de inbeslagneming van papieren dossiers is bij dat onderzoek voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing.

In de overwegingen van de Rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat de bestanden die voorkomen op de "digitale kopie" van de onder de klaagster inbeslaggenomen computerbestanden en die zijn gevonden aan de hand van de lijst van met betrokkene 1 in verband gebrachte verdachte dossiers en transacties, gegevens bevatten die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. Dat oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, aangezien het proces-verbaal van de Rechter-Commissaris niets vermeldt omtrent de aard van de in die bestanden opgeslagen gegevens, noch omtrent de wijze waarop deze het onderzoek naar de inhoud van de gegevensdragers met het oog op het waarborgen van het verschoningsrecht heeft doen uitvoeren. Ook dit middel is gegrond.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de Rechtbank Rotterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Conclusie AG: anders

De middelen stellen de vraag aan de orde of de Rechtbank haar oordeel dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat de in beslag genomen papieren dossiers en de digitale bestanden voor zover deze bestanden betreffen die aan de hand van de lijst van met betrokkene 1 in verband gebrachte verdachte dossiers en transacties zijn gevonden, deel uitmaken van één of meer strafbare feiten die betrokkene 1 wordt verweten, dan wel tot het begaan daarvan hebben gediend, voldoende met redenen heeft omkleed.

De Rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat op grond van de omstandigheden, genoemd in het proces-verbaal aanvraag doorzoeking van het KLPD van 31 mei 2010, naar het oordeel van de Rechtbank redelijkerwijs kon worden vermoed dat betrokkene 1 had 'gerommeld' met koopaktes, en voorts dat op diens verzoek notarisklerk betrokkene 2 nota's - waarschijnlijk - niet overeenkomstig de waarheid had aangepast en dat deze (vervolgens) zijn medewerking had verleend aan onregelmatige transacties of transporten. In aanmerking genomen hetgeen de Rechtbank heeft vastgesteld omtrent de inhoud van vorengenoemd proces-verbaal, er kort gezegd op neer komende dat betrokkene 1 als vastgoedhandelaar en financieel adviseur wordt verdacht van witwassen, veel notariële aktes zijn gepasseerd bij klaagster en in een telefoongesprek wordt gesproken van het aanpassen van nota's door een medewerker van het notariaat, heeft de Rechtbank haar oordeel toereikend gemotiveerd. Uit een en ander heeft de Rechtbank immers kunnen afleiden dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat betrokkene 1 het witwassen waarvan hij wordt verdacht heeft verricht (mede) door middel van transacties waarvan de aktes zijn gepasseerd bij klaagster en de op die aktes betrekking hebbende fysieke dossiers en digitale bestanden derhalve stukken moeten bevatten die voorwerp uitmaken van bedoeld witwassen en/of tot het begaan daarvan hebben gediend.

De middelen falen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF