Beslissing op het bevel tot beperking vrij verkeer tussen raadsman en verdachte

Rechtbank Middelburg 1 april 2013, ECLI:NL:RBMID:2011:4700

Essentie

Naar het oordeel van de rechtbank is de omstandigheid dat de raadsman van verdachte eveneens optreedt in het feitencomplex of een daarmee samenhangend feitencomplex van een medeverdachte, gelet op het feit dat de rechtbank van oordeel is dat een behoorlijke taakuitoefening van een raadsman/vrouw met zich meebrengt dat hij/zij elke cliënt zo volledig mogelijk op de hoogte zal stellen en houden van al wat in het onderzoek door elk van zijn/haar cliënten van betekenis is, voldoende om te kunnen concluderen dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat het vrije verkeer tussen de raadsman en beide verdachten ertoe zal strekken dat deze bekend raken met omstandigheden waarvan zij in het belang van het onderzoek onkundig moeten blijven.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar het door hem opgemaakte bevel tot beperking vrij verkeer, medegedeeld dat er sprake is van een situatie waarin vijf verdachten zijn aangehouden tengevolge een omvangrijk onderzoek. Het openbaar ministerie is van mening dat er sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 11a van de Opiumwet. Omwille van het onderzoeksbelang zijn alle vijf verdachten in volledige beperkingen geplaatst. Het is van belang dat zoveel als mogelijk de onderscheiden rollen/functies van de verschillende verdachten in kaart kunnen worden gebracht. Van de verdachte[verdachte] wordt op dit punt een cruciale rol verwacht. Het is daarbij van belang dat de verdachten in vrijheid kunnen verklaren, zodat van hen een zo zuiver mogelijke verklaring kan worden afgenomen. Om dit te bewerkstelligen en collusiegevaar te voorkomen, heeft het openbaar ministerie geen volledige dossiers verschaft aan de advocaten van de verdachten. Slechts de stukken die van belang zijn voor de voorgeleiding bij de rechter-commissaris zijn verstrekt. Ook worden de verdachten één voor één aangevoerd ten behoeve van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris, zodat zij op geen enkele manier contact met elkaar kunnen hebben.

Indien één advocaat meerdere verdachten bijstaat, komt de advocaat te beschikken over meer informatie dan de advocaten die ‘slechts’ één verdachte bijstaan en is het mogelijk dat verdachte op de hoogte raakt van informatie die zij niet behoort te weten. Het belang van het onderzoek zal daarmee in gevaar worden gebracht. De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van rechtbank ’s-Hertogenbosch (LJN: BJ2532), waarin door de rechtbank wordt geoordeeld dat een behoorlijke taakuitoefening van een raadsman/vrouw met zich meebrengt dat hij/zij elke cliënt zo volledig mogelijk op de hoogte zal stellen en houden van al wat in het onderzoek door elk van zijn/haar cliënten van betekenis is.

Standpunt van de verdediging

Raadsman mr. Goedegebure heeft aangevoerd dat artikel 50 van het Wetboek van Strafvordering vereist dat er sprake moet zijn van bepaalde omstandigheden waaruit een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte zal strekken om de verdachte bekend te maken met enige omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek onkundig moet blijven. Deze omstandigheden moeten concreet aanwijsbaar zijn. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende kan worden aangetoond dat hiervan sprake is. Pas indien de raadsman van verdachte de stukken in handen krijgt, kan hij beoordelen of er sprake is van tegenstrijdige belangen. Hij zal dit dan aangeven en de rechtsbijstand aan één van de beide verdachten staken. Op dit moment is het bevel ex artikel 50 van het Wetboek van Strafvordering in een te vroeg stadium aan de orde gesteld en moet dit worden afgewezen.

Raadsman mr. Nijssen sluit zich bij het voorgaande aan.

Beoordeling rechtbank

Aan de orde is de vraag of het bevel van de officier van justitie rechtmatig is gegeven, dan wel of het bevel dient te worden opgeheven, gewijzigd of aangevuld.

De rechtbank acht de omstandigheden, waaruit een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tussen de raadsman en verdachte ertoe zal strekken dat verdachte bekend zal raken met omstandigheden waarvan zij in het belang van het onderzoek onkundig moet blijven, voldoende concreet benoemd.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat een behoorlijke taakuitoefening van een raadsman/vrouw met zich meebrengt dat hij/zij elke cliënt zo volledig mogelijk op de hoogte zal stellen en houden van al wat in het onderzoek door elk van zijn/haar cliënten van betekenis is.

Naar het oordeel van de rechtbank is de omstandigheid dat mr. Nijssen, de raadsman van verdachte, eveneens optreedt in het feitencomplex of een daarmee samenhangend feitencomplex van een medeverdachte, gelet op het bovengenoemde, voldoende om te kunnen concluderen dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat het vrije verkeer tussen de raadsman en beide verdachten ertoe zal strekken dat deze bekend raken met omstandigheden waarvan zij in het belang van het onderzoek onkundig moeten blijven.

In een dergelijke situatie oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een gerechtvaardigde vrees en een ernstig vermoeden dat de in artikel 50, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering omschreven belangen zullen worden geschaad.

De rechtbank bekrachtigt het bevel van de officier van justitie.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF