Veroordelingen wegens (onder andere) langdurige bijstandsfraude en witwassen

Rechtbank Limburg 6 november 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:8519

Verdachte heeft zich bijna 5 jaar schuldig gemaakt aan bijstandsfraude, voor een deel van deze periode samen met haar partner, medeverdachte 1. De fraude bestond hieruit dat verdachte (en haar partner) niet hebben gemeld dat zij inkomsten hebben genoten en een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De rechtbank merkt hierbij op dat het niet gaat om inkomsten van geringe omvang, maar om inkomsten die verdachte en haar partner in staat stelden er een (zeer) luxe levensstijl op na te houden met vakanties naar verre oorden en grote uitgaven aan luxe artikelen en diverse (muziek)evenementen. De inkomsten konden niet verklaard worden vanuit legale inkomsten. Het kan niet anders dan dat deze inkomsten gegenereerd werden door middel van criminele activiteiten, waarbij kennelijk grote winsten werden behaald. Verdachte heeft zich daarbij schuldig gemaakt aan het witwassen van gelden en goederen. Terwijl verdachte en haar partner genoten van hun luxe levensstijl, ontving verdachte een bijstandsuitkering. Zonder enige gewetenswroeging heeft verdachte jarenlang schaamteloos geprofiteerd van het sociale stelsel.

Verdachte heeft zich daarnaast nog schuldig gemaakt aan andere strafbare feiten. Zij had een verboden wapen en zowel soft- als harddrugs in haar bezit. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling van kinderkleding en aan diefstal van elektriciteit en gas. Bij deze diefstal werd een gevaarzettende situatie gecreëerd, door op amateuristische wijze elektriciteit en gas af te tappen .

Verdachte heeft door het plegen van deze strafbare feiten een totaal gebrek aan normbesef getoond. Kennelijk vindt zij het de normaalste zaak van de wereld om op allerlei manieren de wet te overtreden enkel om er zelf beter van te worden. De opeenstapeling van strafbare feiten acht de rechtbank zeer zorgwekkend. Daar komt nog bij dat verdachte zich blijkens haar strafblad in het verleden vaker schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Opiumwet.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat acht geslagen op straffen die in andere zaken van bijstandsfraude plegen te worden opgelegd. Doorgaans worden hiervoor gecombineerde straffen opgelegd, zoals een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van aanzienlijke omvang. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige strafzaak in geen verhouding staat tot de meeste andere strafzaken inzake bijstandsfraude. Zoals hiervoor reeds overwogen gaat het in de onderhavige strafzaak om het jarenlang plegen van fraude, terwijl er een (zeer) luxe levensstijl op na wordt gehouden en de bijstandsuitkering meer weg heeft van een extra zakcentje. Dat maakt deze zaak op zijn zachts gezegd bijzonder. Daarbij komt nog dat naast de bijstandsfraude nog tal van andere strafbare feiten werden gepleegd.

Gelet op het aantal strafbare feiten waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt, de aard en de ernst van de strafbare feiten en het totaal gebrek aan normbesef dat daaruit voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur een passende sanctie is. Verdachte moet zich realiseren dat haar gedrag absoluut niet toelaatbaar is. De rechtbank zal van de op te leggen gevangenisstraf ook een deel voorwaardelijk opleggen. Dit moet verdachte er in de toekomst van weerhouden opnieuw over te gaan tot het plegen van strafbare feiten. Gelet op het gemak waarmee verdachte de afgelopen jaren is overgegaan tot het plegen van strafbare feiten, acht de rechtbank een proeftijd van drie jaren op zijn plaats.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend.

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van een onredelijke aan het openbaar ministerie toe te rekenen vertraging van de procesgang, waardoor sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman heeft verzocht tot strafvermindering over te gaan.

De rechtbank dient allereerst vast te stellen of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat door of vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstige voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. Met ingang van dit tijdstip dient de strafzaak binnen twee jaar inhoudelijk te zijn behandeld. In het onderhavige geval moet als aanvang van de termijn 26 januari 2010 worden aangehouden, nu op die dag een doorzoeking werd verricht in de woning van verdachte. De inhoudelijke behandeling vond plaats op 25 en 26 februari 2013 en op 23 oktober 2013. Dit betekent dat verdachte ruim 3,5 jaar in afwachting van haar strafproces is geweest. De rechtbank stelt dan ook vast dat de redelijke termijn met ruim 1,5 jaar is overschreden. Deze overschrijding kan niet aan de verdediging worden toegerekend en komt dan ook voor rekening van het openbaar ministerie. De rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in de strafmaat verdisconteerd dient te worden. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (LJN BD2578) dient bij een overschrijding tot 6 maanden de straf met 5% verminderd te worden en bij een overschrijding van 6 tot 12 maanden met 10%. In de onderhavige strafzaak is sprake van een overschrijding van ruim 1,5 jaar. Uit de uitspraak van de Hoge Raad blijkt dat hij bedoeld heeft voor elk half jaar 5% in mindering te brengen op de straf. De rechtbank zal dan ook de straf verminderen met een percentage van 15%.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank ook gelet op de omstandigheid dat verdachte bij vonnis d.d. 12 oktober 2006, gewezen in de zaak met het parketnummer 03/530283-06, is veroordeeld tot een straf en nu opnieuw is schuldig verklaard aan een strafbaar feit dat vóór deze datum is gepleegd. De rechtbank ziet in de veroordeling van 12 oktober 2006 evenwel geen reden om in de onderhavige zaak tot oplegging van een lagere straf over te gaan dan zij zou hebben opgelegd indien verdachte op 12 oktober 2006 niet zou zijn veroordeeld.

Rekeninghoudende met de hiervoor omschreven overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank aldus aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF