Veroordeling wegens Zorgfraude

Rechtbank Den Haag 15 december 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:15409

Aan de verdachte is het volgende ten laste gelegd:

in onderzoek Budget

1. primair: dat zij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 17 april 2012 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie bestaande uit onder meer verdachte en medeverdachten medeverdachte 4, medeverdachte 12, medeverdachte 5, medeverdachte 11, medeverdachte 1, medeverdachte 2 en andere rechtspersonen, die het oogmerk had op het plegen van de volgende misdrijven: oplichting, valsheid in geschrift en witwassen;

subsidiair: dat zij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 17 april 2012 tezamen en in vereniging zorgkantoren, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZA) en het Centraal Administratiekantoor (CAK) heeft opgelicht voor € 810.567,30;

meer subsidiair: dat zij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 17 april 2012 tezamen en in vereniging facturen heeft vervalst;

meest subsidiair: dat zij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 17 april 2012 tezamen en in vereniging een bedrijfsadministratie heeft vervalst;

2. dat zij in 2011 tezamen en in vereniging zorgroosters heeft vervalst.

Het standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten onder 1. primair en 2. wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2 vrijspraak bepleit. Kort samengevat heeft de verdediging in dit verband het volgende aangevoerd.

Er is geen sprake van een criminele organisatie. Verdachte heeft geen oogmerk gehad op het verrichten van strafbare feiten. Voor zover verdachte dat wel heeft gehad, geldt dat dit oogmerk niet in 2010 bestond (feit 1).

Verdachte heeft geen zorgkantoren, en evenmin de Nederlandse Zorgautoriteit of het Centraal Administratiekantoor opgelicht. Dit betrof verhoudingen tussen bedrijfsnaam medeverdachte 1 en CZ (subsidiair ten laste gelegde feiten).

Bij de beoordeling van de tenlastelegging zal de rechtbank nader ingaan op de specifieke nadere onderbouwing van de verweren.

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte vanaf januari 2011 tot haar aanhouding in april 2012 opzettelijk deel heeft uitgemaakt van een gestructureerd samenwerkingsverband bestaande uit haarzelf en medeverdachte 11, en dat dit samenwerkingsverband, naast het legale doel van het leveren van thuiszorg, tot doel had het plegen van valsheid in geschrifte, oplichting en witwassen.

Het opzet van verdachte op het criminele doel van deze organisatie acht de rechtbank eveneens geleverd, gelet op de centrale rol die verdachte vervulde binnen deze kleine organisatie. Zij regelde de zorg die daadwerkelijk werd verleend, gaf aan medeverdachte 11 door wat er in de roosters bij bedrijfsnaam medeverdachte 1 moest komen. Ook zorgde zij er (in een aantal gevallen) voor dat cliënten die als gevolg van het hoge aantal gefactureerde uren een hoge factuur voor de eigen bijdrage ontvingen, daarover niet gingen klagen, door deze factuur voor hen te betalen. Op die manier werd voorkomen dat de fraude langs die weg aan het licht zou komen. Haar partner medeverdachte 11 onderhield het contact met bedrijfsnaam medeverdachte 1, hij leverde onjuiste informatie aan over het aantal gewerkte uren bij bedrijfsnaam medeverdachte 1 en maakte vervolgens aan de hand van die valse roosters valse facturen. Het onder feit 1 primair en onder feit twee (het valselijk (laten) opmaken van zorgroosters) tenlastegelegde kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen, met dien verstande dat de rechtbank zoals hiervoor overwogen de bewezenverklaarde periode met een jaar verkort.

Uit het voorgaande volgt voorts dat de rechtbank het bewijs dat het wederrechtelijk verkrijgen van gelden van CZ gebeurde in samenspraak met bedrijfsnaam medeverdachte 1 niet geleverd acht. Uit het dossier kan wellicht worden afgeleid dat medewerkers van bedrijfsnaam medeverdachte 1, onder verantwoordelijkheid van medeverdachte 1 en bij haar afwezigheid van haar zoon en medeverdachte 2, onvoldoende controle hebben uitgeoefend op de door bedrijfsnaam medeverdachte 6 gedeclareerde uren, maar bewijs dat bedrijfsnaam medeverdachte 1 daadwerkelijk ervan op de hoogte was dat een groot aantal uren zorg niet was verleend heeft de rechtbank niet aangetroffen. Anders dan de officieren van justitie ziet de rechtbank in het gegeven dat bedrijfsnaam medeverdachte 1 richting CZ geen melding heeft gemaakt van onderaannemerschap door bedrijfsnaam medeverdachte 6 geen bewijs voor het ‘administratief toedekken’ van door bedrijfsnaam medeverdachte 6 gepleegde fraude. CZ heeft niet verklaard dat zij niet tot uitkering zou zijn overgegaan als het onderaannemerschap wel expliciet zou zijn vermeld. Bovendien blijkt uit het dossier dat medeverdachte 1 en medeverdachte 2 de samenwerking van en uitbesteding van de productie aan bedrijfsnaam medeverdachte 6 niet koste wat het kost hebben willen verhullen voor CZ. Voor wat betreft de omvang van het uitgekeerde budget merkt de rechtbank in dit verband nog op dat getuige betrokkene 39 van CZ heeft verklaard dat de prijsafslag van 5 % bij onderaanneming eerst in 2012 is ingevoerd.

De rechtbank acht evenmin bewezen dat medeverdachten medeverdachte 5, medeverdachte 4 en medeverdachte 12 (allen werkzaam voor bedrijfsnaam medeverdachte 5) onderdeel uitmaakten van de criminele organisatie waar verdachte deel van uitmaakte. Het feit dat medeverdachte 5, medeverdachte 4 en medeverdachte 12 naar het oordeel van de rechtbank eveneens een criminele organisatie hebben gevormd met een soortgelijk karakter, is daarvoor onvoldoende. Uit het dossier volgt weliswaar dat verdachte samen met medeverdachte 5 naar Nijmegen is gegaan om afspraken te maken over samenwerking met bedrijfsnaam medeverdachte 1, maar van verdere bewuste en nauwe samenwerking bij het plegen van strafbare feiten tussen medeverdachte 5, medeverdachte 4 en medeverdachte 12 enerzijds en verdachte en medeverdachte 11 anderzijds is niet gebleken. Zo is voor elk bedrijf afzonderlijk een samenwerkingsovereenkomst met bedrijfsnaam medeverdachte 1 afgesloten, onderhielden medewerkers van beide bedrijven enkel namens hun eigen bedrijf contact met bedrijfsnaam medeverdachte 1, hebben zij daar alleen namens hun eigen bedrijf valse facturen en zorgroosters ingediend en hebben zij alleen daarvoor betalingen ontvangen van bedrijfsnaam medeverdachte 1.

Bewezenverklaring

Verdachte heeft samen met haar partner door middel van een criminele organisatie ruim een jaar lang zorguren gedeclareerd waar zij geen recht op had. Deze criminele organisatie heeft veelvuldig documenten vervalst, zorgkantoren en het CIZ opgelicht en aanzienlijke bedragen witgewassen.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Rechtbank Den Haag 15 december 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:15287

Een andere verdachte in deze zaak wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Rechtbank Den Haag 15 december 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:15392

De partner van verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF