Veroordeling wegens oplichting, verduistering en valsheid in geschrifte

Rechtbank Midden-Nederland 2 maart 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:771

Een 59-jarige man uit Huizen is door de rechtbank Midden-Nederland schuldig bevonden aan oplichting, verduistering en valsheid in geschrifte. De rechtbank veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 1 jaar.

De man heeft in de periode 2009 tot en met 2013 een bedrag van ruim 170.000 euro van zijn werkgever verduisterd en valsheid in geschrifte gepleegd. Kort na die periode heeft hij als penningmeester van een voetbalvereniging in Houten een bedrag van 18.000 euro verduisterd. Dat deed hij door het bedrag over te maken van de rekening van de voetbalvereniging naar de rekening een advocaat waar hij een schuld had openstaan.
 

Verdenking

De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  • Zaak A: zich in de periode van 2 april 2013 tot en met 4 juni 2013 te Utrecht heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift.
  • Zaak B
    • Onder 1: in de periode van 18 juni 2013 tot en met 9 augustus 2013 te Houten een geldbedrag, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, namelijk als penningmeester van de voetbalvereniging benadeelde 2, heeft verduisterd.
    • Onder 2: zich in de periode van 18 juni 2013 tot en met 9 augustus 2013 te Houten heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en gebruikmaking van dat valse geschrift.
    • Onder 3: zich in de periode van 18 juni 2013 tot en met 9 augustus 2013 te Houten zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting van de Rabobank.
  • Zaak C
    • Primair: in de periode van 23 december 2009 tot en met 10 mei 2013 te Utrecht een geldbedrag, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, namelijk als boekhouder/financieel manager bij het bedrijf benadeelde 1 te vestigingsplaats, heeft verduisterd.
    • Subsidiair is dit feit ten laste gelegd als diefstal.
       

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het in zaak A, het in zaak B, onder 1, 2 en 3 en in zaak C primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
 

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het in de zaak A ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte weliswaar het betreffende formulier heeft ingevuld, maar dat hij dit formulier niet heeft ondertekend. Verdachte heeft de stukken bij de heer directeur, directeur van benadeelde 1 B.V. (hierna: benadeelde 1 ) op zijn bureau gelegd met een briefje erbij om het na te lezen. Voor de ondertekening is onvoldoende bewijs en ook een motief om valsheid in geschrift te plegen ontbrak. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de in zaak B ten laste gelegde feiten merkt de raadsman op dat er geen sprake is geweest van de onder 1 ten laste gelegde verduistering. Dit geldbedrag heeft nooit op de rekening van verdachte gestaan. Verdachte heeft zich dit bedrag niet wederrechtelijk toegeëigend. Hij heeft dit wel terecht doen komen op de rekening van zijn voormalig advocaat. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij dacht dat deze factuur een tussentijdse termijnnota van bedrijf 1 betrof en heeft deze nota abusievelijk betaald aan het verkeerde rekeningnummer.

Met betrekking tot hetgeen onder 2 en onder 3 is ten laste gelegd heeft de raadsman geen aanvullende opmerkingen op het hiervoor genoemde met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde.

Ten aanzien van het in de zaak C ten laste gelegde merkt de raadsman op dat verdachte slechts een overzicht van de facturen aanleverde en dat uitsluitend B en C waren gemachtigd om betalingen te verrichten. Verdachte was niet zelf in staat om overboekingen te doen. Het is onjuist dat er batchbetalingen plaatsvonden. Voor crediteuren werd geen batch aangemaakt. De gemiddeld tien facturen per maand werden één voor één handmatig ingevoerd waarbij het bankrekeningnummer van de factuur werd overgenomen. De voor de betalingen verantwoordelijke personen, B en C, hebben de gelden dus aan verdachte overgemaakt; zij hebben de bankrekening van verdachte ingevoerd, evenals de met hem afgesproken bedragen.

Daarnaast heeft verdachte gesteld dat de aan hem ter beschikking gestelde bedragen zouden worden omgezet in een lening. Verdachte heeft verklaard dat er sprake was van een leenovereenkomst en dat die overeenkomst mondeling was toegezegd. De overboekingen van de vijf grote bedragen zijn ook telkenmale betaald met een omschrijving als “volgens afspraak initialen ” en “voorschot van initialen zoals besproken” en “ initialen lening volgens afspraak”. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde diefstal merkt de raadsman op dat verdachte de betreffende gelden niet heeft gestolen, nu er geen sprake is geweest van ‘wegnemen’. De gelden zijn weliswaar overgemaakt op rekeningen die op zijn naam stonden, maar de opdracht tot deze overboekingen ging uit van de directie van benadeelde 1. Verdachte dient dan ook ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.
 

Het oordeel van de rechtbank

Zaak A

Op 27 juni 2013 heeft directeur, in zijn hoedanigheid van directeur van het bedrijf benadeelde 1 te vestigingsplaats, aangifte gedaan. Aangever verklaarde dat hij op 4 juni 2013 een brief kreeg gedateerd op 3 juni 2013 van een gerechtsdeurwaarders-incassobureau. In de brief stond dat er op 3 april 2013 executoriaal derdenbeslag was gelegd op het inkomen van een medewerker van zijn bedrijf. Dit beslag had betrekking op de financieel manager de heer verdachte. Het was aangever nooit bekend geweest dat verdachte schulden of beslagen had. Aangever wist niets van het feit dat zij loonbeslag moesten leggen. Aangever heeft het gerechtsdeurwaarders-incassobureau vervolgens verzocht om kopieën van de correspondentie die plaats had gevonden. Aangever zag dat er een brief gedateerd op 2 april 2013 was verstuurd door het gerechtsdeurwaarderskantoor. Aangever las dat er op executoriale titel beslag gelegd moest worden. Aangever zag dat het bijgevoegde formulier getekend en ingevuld had moeten worden door hemzelf. Aangever zag dat het bijgevoegde formulier uit zijn naam was ingevuld. Aangever zag dat iemand dit formulier had ingevuld op 2 mei 2013 met een stempel van het bedrijf. Op dit formulier moest ingevuld worden of er al loonbeslag lag, wat de heer verdiende et cetera.

Aangever zag voorts een brief die door hem zou zijn verstuurd op 2 mei 2013. Aan deze brief zat een formulier vast met de berekening van de beslagvrije voet en gegevens omtrent het inkomen van verdachte. Aangever zag dat wederom uit zijn naam het formulier was ingevuld en dit keer ook was ondertekend. Deze handtekening is niet van aangever en aangever had dit formulier nooit onder ogen gekregen. Aangever was deze datum bovendien op vakantie in het buitenland. Aangever heeft niemand toestemming gegeven namens hem iets in te vullen of te ondertekenen.

Aangever verklaarde dat verdachte binnen het bedrijf verantwoordelijk was voor het overmaken van de lonen en alle financiële zaken hieromtrent. Tevens deed hij de verwerking van de post. De stempel van het bedrijf was ook in zijn bezit.

Bij deze aangifte zijn de volgende stukken gevoegd:

- Een brief van gerechtsdeurwaarders-incassobureau Kruythof c.s. van 2 april 2013 alsmede als bijlage een op 2 mei 2013 ingevuld formulier, waarop staat aangegeven: aldus ingevuld door: directeur en voorzien van een bedrijfsstempel van benadeelde 1 B.V.

- Een brief van benadeelde 1 van 2 mei 2013, gericht aan gerechtsdeurwaarders-incassobureau Kruythof c.s, ondertekend door directeur, directeur en voorzien van een handtekening, alsmede een op 2 mei 2013 ingevulde verklaring, ingevuld en ondertekend door directeur, directeur, en voorzien van een bedrijfsstempel van benadeelde 1 B.V.

- Een brief van gerechtsdeurwaarders-incassobureau Kruythof c.s. gedateerd 3 juni 2013 en gericht aan benadeelde 1 B.V., inhoudende dat er geen betalingen zijn ontvangen.

De rechtbank is op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden van oordeel dat het niet aannemelijk is dat verdachte de formulieren alleen zou hebben ingevuld en dat vervolgens een ander dan verdachte dit formulier en deze brief zou hebben ondertekend. Daarnaast staat vast dat de tot ondertekening bevoegde directeur op de datum van 2 mei 2013, de datum waarop het formulier en de brief van benadeelde 1 met zijn naam zijn ingevuld en ondertekend, niet aanwezig was. Deze correspondentie had bovendien betrekking op een verdachte aangaand loonbeslag. Verdachte had dan ook een motief om deze stukken buiten het zicht van zijn werkgever te willen houden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift.

Zaak B onder 1, 2 en 3

Op 9 augustus 2013 heeft aangever, in zijn hoedanigheid als bestuurslid van benadeelde 2, namens de benadeelde 2 te vestigingsplaats aangifte gedaan van verduistering en valsheid in geschrifte gepleegd door verdachte. Aangever verklaarde dat verdachte bij de voetbalvereniging benadeelde 2 de functie van penningmeester bekleedde.7 Aangever hoorde op 9 juli 2013 dat er van de rekening van benadeelde 2 een onverklaarbaar bedrag van 18.000 euro was afgeboekt. De verzorger van de ledenadministratie, getuige, zag dat dit bedrag op 1 juli 2013 vanaf het bouwdepot van benadeelde 2 was overgemaakt naar de lopende rekening van benadeelde 2. Vervolgens zag aangever dat er vanaf deze rekening geld was overgemaakt naar bouwbedrijf bedrijf 1. Aangever zag een voor hem onbekend rekeningnummer, te weten rekeningnummer. Aangever heeft vervolgens contact opgenomen met bedrijf 1 en hoorde de medewerker van bedrijf 1 zeggen dat dit rekeningnummer niet van hen was. Tevens hoorde aangever de medewerker zeggen dat zij geen factuur voor 18.000 euro hadden verstuurd.

Na onderzoek bleek dat dit rekeningnummer, waarbij de naam bedrijf 1 stond, op naam stond van een privé persoon uit Vught.

Op 11 juli 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen een aantal bestuursleden van benadeelde 2 en verdachte. verdachte verklaarde dat hij 18.000 euro had overgeboekt naar een advocaat. Deze advocaat was genaamd A en was woonachtig in woonplaats.

Uit navraag bij de Rabobank bleek dat aldaar een factuur was ontvangen van bedrijf 1 van 18.000 euro.

Bij deze aangifte is de volgende factuur gevoegd:

- een factuur van bedrijf 1 B.V. Bouwbedrijf van 18 juni 2013 met factuurnummer 2013190, betreffende benadeelde 2 - uitbreiding kantine, voor een totaalbedrag van €18.500,00.

De getuige verklaarde dat hij de post verzorgt voor benadeelde 2 en er onder meer verantwoordelijk voor is dat facturen gescand worden en naar de penningmeester worden gemaild. De factuur van 18.500 euro heeft hij voor 12 juli 2013 nog nooit gezien en deze is niet via hem in gescand.

Uit telefonisch contact op 18 september 2014 met D, controller bij bouwbedrijf bedrijf 1 is gebleken dat er wel een factuur met nummer 2013190 bestaat, maar dit is een factuur voor La Place en betreft een ander bedrag.

Met benadeelde 2 was afgesproken dat er in termijnen werd betaald.

De aannemingsovereenkomst van 6 mei 2013 ziet op uitbreiding en interne verbouwing van het clubgebouw benadeelde 2. Facturering van de aanneemsom zal geschieden in vier termijnen van bedragen van respectievelijk 30.000 euro bij opdracht/start bestelling, 60.000 euro te verzenden half juli 2013, 60.000 euro te verzenden half augustus 2014 en eindtermijn van 46.000 euro bij gereed zijn werkzaamheden. Deze overeenkomst is op 6 mei 2013 getekend door de algemeen voorzitter benadeelde 2, de penningmeester verdachte en de aannemer van bouwbedrijf bedrijf 1 B.V.

Op 29 oktober 2014 heeft A schriftelijk verklaard dat hij op 1 juli 2013 €18.000 heeft ontvangen van verdachte via benadeelde 2. verdachte had verklaard dat hij dat bedrag, in overleg en met toestemming van het bestuur van benadeelde 2 had geleend.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het bedrag van €18.000 vanuit zijn woning in Odijk heeft overgemaakt.

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden vast dat verdachte bekend was met de aannemingsovereenkomst en de daarbij afgesproken termijnbetalingen en de hoogte van deze termijnbetalingen. Daarnaast staat vast dat de betaling van facturen geschiedde middels tussenkomt van getuige, die de facturen inscande en aan de penningmeester deed toekomen. De, naar vaststaat, valse factuur van bedrijf 1 is hem nooit onder ogen gekomen. Vervolgens is het hieruit vrijgekomen bedrag van 18.000 euro door verdachte overgemaakt naar een advocaat waar hij een schuld had openstaan. Deze advocaat heeft bovendien verklaard dat hij wist dat hij het geld via benadeelde 2 zou ontvangen.

Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat verdachte degene is geweest die de valse factuur heeft gebruikt om Rabobank te bewegen tot afgifte van eerdergenoemd bedrag uit het bouwdepot om vervolgens daarmee eigen schulden te voldoen.

In het verlengde hiervan acht de rechtbank de verklaring van verdachte, dat hij dacht dat de factuur van bedrijf 1 van 18.000 euro betrekking had op tussentijds verrichte werkzaamheden en dat hij per vergissing in plaats van het rekeningnummer van dit bouwbedrijf het rekeningnummer van A had ingevuld, volstrekt ongeloofwaardig.

Dat dit bedrag niet op de eigen rekening van verdachte is gestort, maakt dit niet anders. Verdachte heeft deze gelden doelbewust en ten bate van het teniet doen van een eigen financiële schuld, gebruikt.

Gelet op het vorengaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan verduistering, valsheid in geschrift en oplichting.

Zaak C, primair

Op 14 juni 2013 heeft directeur, in zijn hoedanigheid van directeur van benadeelde 1, aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking. Aangever verklaarde dat verdachte sinds 21 december 2009 was aangenomen als financieel manager op de administratie. In die functie beheerde hij de debiteuren, crediteuren en grootboek van het bedrijf.

Aangever heeft het rekeningnummer van verdachte, ABN-AMRO rekeningnummer nagetrokken in de boekhouding en gezien dat er tot 10 mei 2013 betalingen zijn gestort naar dit nummer. Aangever kon slechts 16 maanden digitaal terugkijken bij ING. Uit het betaaloverzicht van de ING-betaalrekening is af te lezen dat verdachte betalingen heeft gedaan onder valse namen naar steeds hetzelfde rekeningnummer. Hij gebruikt hier de namen Autogroep, Autogroep Twente, Autogroep Bunnik. Hij gebruikt als betalingskenmerk meestal: volgens afspraak initialen. initialen zijn de initialen van een groot aandeelhouder van benadeelde 1, de heer C.

Uit het overzicht afschrijvingen van ING blijkt dat in de periode tussen 23 december 2009 en 10 mei 2013 van de rekening van benadeelde 1 naar de rekening van verdachte gelden zijn overgemaakt met een totaalbedrag van €167.516,74.

Uit het overzicht afschrijvingen van rekeningnummer van ING blijkt dat in de deze periode een bedrag van in totaal €4.375 wordt overgemaakt. Dit rekeningnummer behoorde toe aan de echtgenote van verdachte.

C heeft verklaard dat hij, als grootaandeelhouder, niet bij de dagelijkse gang van zaken bij benadeelde 1 betrokken was en dat de heer B in die tijd directeur en direct leidinggevende van verdachte was.

Voorts verklaarde C dat hij nooit toestemming of goedkeuring heeft gegeven aan verdachte om geld over te boeken, geen betalingsopdracht voor verdiensten die hij zou hebben verleend aan bedrijf 2 heeft gegeven en geen betalingsopdrachten heeft gegeven aan diverse autobedrijven of verdachte en/of zijn vrouw als begunstigde(n).

B heeft verklaard dat hij in de periode vanaf 2008 tot en met 2013 als algemeen directeur en aandeelhouder bij benadeelde 1 betrokken was en als zodanig verantwoordelijk voor onder meer de financiën. verdachte was de financiële man; eerst boekhouder en later geüpgraded naar financieel manager. verdachte beheerde het gehele facturatieproces. Hij zette alle facturen klaar en voerde deze in in de systemen. De accordatie vond door B of door C plaats. verdachte kon de betalingen invoeren en betaalbaar stellen. B of C controleerden geen rekeningnummers en moesten alleen de betalingen doen. Dat gebeurde met een druk op de knop ‘akkoord’. B verklaarde voorts dat hij het zich niet kon herinneren dat hij en C verdachte financieel zouden ondersteunen in verband met zijn schulden. B heeft hierover ook geen afspraken gemaakt met verdachte. Een dergelijke afspraak zou ook contractueel zijn vastgelegd. Evenmin is er met B gesproken over een lening die verdachte zou krijgen. Er is geen sprake geweest van een lening uit het bedrijf. Er is ook nooit aan verdachte toegezegd dat op enig moment een overeenkomst van lening opgesteld zou worden.

B bevestigde dat verdachte ook werkzaamheden verrichtte voor bedrijf 2 B.V. Dat was een andere B.V. van C. Deze B.V. was in hetzelfde pand gevestigd als benadeelde 1 en verdachte deed hier ook de financiële administratie. verdachte werd daar niet extra voor betaald, maar een stukje van zijn salaris werd doorbelast aan bedrijf 2.

Bewijsoverweging

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte binnen benadeelde 1 verantwoordelijk was voor het klaarzetten van de betalingen. Verdachte maakte de overzichten, voerde deze in in de systemen, inclusief de rekeningnummers en wist dat deze vervolgens door een leidinggevende geaccordeerd zouden worden, zonder dat daar een verdere controle op rekeningnummers op plaatsvond. Om argwaan te voorkomen voorzag verdachte betalingen gericht aan het rekeningnummer van hemzelf of zijn echtgenote daarbij nog van een omschrijving in de trant van bedankjes, werkzaamheden en lening volgens afspraak met daarbij de initialen initialen, wetende dat deze bekend waren als zijnde de initialen van grootaandeelhouder C.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat alle handelingen met betrekking tot de financiële betalingen, op het uiteindelijk accorderen na, bij verdachte lagen. Dit accorderen door de directeur gebeurde geheel op basis van de informatie waarvan verdachte hem had voorzien. Verdachte kon op deze wijze daadwerkelijk over de ten laste gelegde gelden beschikken. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van vervulling van het bestanddeel ‘onder zich hebben’ zoals bedoeld in de kwalificatie van verduistering, waarbij verdachte willens en wetens in zijn functie als boekhouder/financieel manager bij benadeelde 1, geld dat toebehoorde aan benadeelde 1 zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Dat verdachte formeel niet de bevoegdheid had om de betalingen te accorderen doet aan het voorgaande niet af.

De stelling van verdachte dat er sprake zou zijn van een lening, is naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Ook de verklaring van verdachte dat hij extra zou zijn betaald voor werkzaamheden voor bedrijf 2 is, blijkens de verklaring van C hieromtrent, onjuist. De dienaangaande verweren van de raadsman worden verworpen.

Gelet op het vorengaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de primair ten laste gelegde verduistering.
 

Bewezenverklaring

  • Zaak A: Valsheid in geschrift;
  • Zaak B onder 1 en zaak C, primair: Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;
  • Zaak B, onder 2 en 3: Voortgezette handeling van opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst; en: oplichting.
     

Strafoplegging

De verdediging heeft opgemerkt dat het tijdsverloop in alle zaken zeer groot is en dat er sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn. De afhandeling van deze zaken heeft jarenlang boven het hoofd van verdachte gehangen, dit terwijl zijn echtgenote op 23 maart 2015 na een lang ziekbed is overleden. Verdachte is sinds augustus 2016 weer in loondienst werkzaam bij de naam als opleidingsadviseur. Een veroordeling zal naar alle waarschijnlijkheid het einde van dit dienstverband betekenen. De raadsman verzoekt de rechtbank dan ook om verdachte niet tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te veroordelen, maar hem een taakstraf op te leggen en daarnaast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan 1 dag.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

 

 

Print Friendly and PDF