Veroordeling wegens oplichting & babbeltrucs: overwegingen m.b.t. schakelbewijs en modus operandi 

Rechtbank Amsterdam 17 oktober 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:7557

Verdachte heeft in de periode van 28 december 2016 tot en met 12 januari 2017 door middel van een babbeltruc van acht slachtoffers (waarvan de meeste op hoge leeftijd zijn) de pincode en pinpas afhandig gemaakt. Op 5 januari 2017 heeft hij dit geprobeerd bij iemand die fysiek beperkt is. Verdachte heeft zich bij deze delicten voorgedaan als pakketbezorger. Met een geraffineerd en listig verhaal heeft hij de slachtoffers bewogen tot het afgeven van de pincode van hun bankpas, welke bankpas ook tijdens de babbeltruc is ontvreemd. Vervolgens zijn de slachtoffers kort hierna door verdachte of zijn mededader bestolen, doordat met de ontvreemde bankpassen en verkregen pincodes (aanzienlijke) geldbedragen van de rekeningen van de slachtoffers zijn opgenomen, waardoor verdachte zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel.
 

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. oplichting in vereniging van zes personen in de periode 30 december 2016 tot en met 12 januari 2017 in Amsterdam, door zich voor te doen als pakketbezorger waarbij voor ontvangst van het pakket een bedrag moest worden gepind met een (niet werkend) ‘pinapparaat’ en de aangevers werden bewogen tot afgifte van een geldbedrag en/of hun pinpas;

2. diefstal in vereniging van geldbedragen toebehorende aan zes personen, door middel van een valse sleutel, in de periode van 30 december 2016 tot en met 12 januari 2017 in Amsterdam;

3. poging tot oplichting in vereniging van een persoon op 5 januari 2017 in Amsterdam, door zich voor te doen als postbode waarbij voor ontvangst van het pakket een bedrag moest worden gepind met een (niet werkend) ‘pinapparaat’;

4. oplichting in vereniging van twee personen op 28 december 2016 en 8 februari 2017 in Amsterdam, door zich voor te doen als pakketbezorger waarbij voor ontvangst van het pakket een bedrag moest worden gepind met een (niet werkend) ‘pinapparaat’ en de aangevers werden bewogen tot afgifte van een geldbedrag en/of hun pinpas;

5. diefstal in vereniging van geldbedragen, toebehorende aan twee personen, door middel van een valse sleutel op 28 december 2016 en 8 februari 2017 in Amsterdam;

6. poging tot oplichting in vereniging van twee personen op 2 februari 2017 in Amsterdam, door zich voor te doen als posttbezorger waarbij voor ontvangst van het pakket een bedrag moest worden gepind met een (niet werkend) ‘pinapparaat’.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
 

Feiten

Naar aanleiding van een viertal aangiften van oplichting door middel van een babbeltruc is op 10 januari 2017 onderzoek 13Fairborn gestart. Opvallend is dat volgens deze vier aangevers de dader telkens een ‘pakketbezorger’ is. De slachtoffers – veelal op hogere leeftijd of fysiek beperkt – worden bezocht door een pakketbezorger die de slachtoffers een pakketje aanbiedt. De slachtoffers moeten voor de ontvangst van het pakketje een laag bedrag aan portokosten pinnen door middel van een mobiel pinapparaat. Na het (zogenaamde) pinnen loopt de ‘pakketbezorger’ met een smoes weg met de pinpas van het slachtoffer. Zeer korte tijd later is geld opgenomen van de rekening van de slachtoffers.
 

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich, onder verwijzing naar haar op schrift gestelde requisitoir, op het standpunt gesteld dat verdachte op grond van de in het dossier bevindende bewijsmiddelen kan worden veroordeeld voor alle ten laste gelegde feiten, met uitzondering van feit 6 (poging tot oplichting in vereniging van twee personen op 2 februari 2017 in Amsterdam). Hoewel de aangiften van deze twee slachtoffers overeenkomen met de aangiften in de andere aan verdachte ten laste gelegde feiten, is er ten aanzien van feit 6 te weinig ondersteunend bewijs dat verdachte in deze zaken de dader is geweest, aldus de officier.

De officier van justitie baseert zich onder meer op de aangiften, de modus operandi, de camerabeelden van de pintransacties, de zes verbalisanten die verdachte onafhankelijk van elkaar op die camerabeelden herkennen, een bij verdachte in beslag genomen jas en rugzak die in een van de zaakdossiers door degene die geld heeft gepind (de pinner) worden gedragen en het feit dat de telefoon van verdachte samen met de telefoon van de medeverdachte telkens uitpeilt in de buurt van zowel de woning van de aangevers als de gebruikte pinautomaten. De officier van justitie is van mening dat sprake is van een dermate specifieke handelswijze van de daders, dat de bewijsmiddelen in de ene zaak kunnen dienen als schakelbewijs ter ondersteuning van een bewezenverklaring in de andere ten laste gelegde zaken.
 

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Hij is van mening dat in alle zaken afzonderlijk sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte bij deze feiten betrokken is geweest. De samenhang tussen de verschillende zaken in combinatie met enig steunbewijs is onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Er moet wel het een en ander concreet kunnen worden bewezenverklaard, aldus de raadsman.

Verdachte heeft verklaard dat hij het telefoonnummer dat aan hem wordt toegeschreven niet kent en heeft tevens stellig ontkend dat hij medeverdachte kent. De camerabeelden die zouden ondersteunen dat verdachte diverse malen samen met medeverdachte geld heeft gepind zijn onduidelijk. Ook is het gegeven dat in de woning van verdachte kleding is aangetroffen die overeenkomsten vertoont met de kleding van de pinner onvoldoende om aan te nemen dat verdachte verantwoordelijk is voor de babbeltrucs en de pintransacties. De door de aangevers opgegeven signalementen wisselen sterk en komen niet altijd overeen met het uiterlijk van verdachte. Er zijn voorts onvoldoende aanwijzingen dat sprake is geweest van medeplegen.
 

Het oordeel van de rechtbank
 

Vrijspraak feit 6

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsman van verdachte niet bewezen wat onder 6 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
 

Feit 1 en 2

Schakelbewijs en modus operandi

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 11 januari 2000, NJ 2000, 194) volgt dat het gebruik van aan andere bewezenverklaarde, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs (schakelbewijs) is toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van de te bewijzen feiten en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden zijnde bewijsmiddelen.

In onderhavige zaak dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het bewijs voor het ene ten laste gelegde feit als schakelbewijs kan dienen voor een ander ten laste gelegd feit. De aan de rechtbank voorgelegde zaken vertonen de volgende overeenkomsten.

Alle aangevers zijn op hogere leeftijd of hebben zichtbaar fysieke beperkingen. Zij zijn allen woonachting in de omgeving Amsterdam-West. Zij hebben verklaard dat een man bij hen aanbelde die zich voordeed als een pakketbezorger. Voor het ontvangen van het pakketje moesten de aangevers een klein bedrag aan portokosten betalen. Deze betaling kon alleen door middel van een pintransactie worden verricht, aldus de pakketbezorger. De pinpas van de aangevers is in een pinapparaat gestopt of achter een mobiele telefoon gehouden, waarna aangevers hun pincode moesten intoetsen. Hierna verliet de pakketbezorger met een smoes de woning en nam de pinpas mee. Korte tijd daarna is geld van de rekening van aangevers gepind.

De rechtbank is van oordeel dat deze modus operandi niet zodanig specifiek is dat enkel op grond daarvan de betrokkenheid van verdachte in alle ten laste gelegde zaken kan worden aangenomen. De hiervoor omschreven handelswijze is niet exclusief door verdachte gehanteerd. Uit bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 15 september 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:6198) blijkt dat ook anderen dan verdachte en zijn medeverdachte op precies deze wijze slachtoffers op hogere leeftijd een pinpas en geld afhandig hebben gemaakt. Anders dan de verdediging heeft betoogd, beschouwt de rechtbank de aan haar voorgelegde zaken wel als één geheel. De zaken vertonen immers duidelijke overeenkomsten en de bewijsmiddelen in de afzonderlijke zaken kunnen niet altijd separaat worden beoordeeld. Zij overweegt daartoe als volgt.

Herkenning camerabeelden en in beslag genomen goederen Blauwe rugtas

Op camerabeelden bij diverse pintransacties is duidelijk een blauwe rugtas met een bruinkleurige bodem zichtbaar die door de pinner wordt gedragen. Zaaksdossier 3 bevat camerabeelden van de Albert Heijn, die vlakbij de pinautomaat aan de Admiraal de Ruyterweg is gevestigd. Op deze camerabeelden is een manspersoon te zien die een blauwe rugtas met een bruinkleurige bodem draagt. Zes verbalisanten relateren dat zij deze persoon herkennen als zijnde verdachte. Zaaksdossier 1 bevat camerabeelden van een particuliere camera in adres te plaats 2 en camerabeelden bij de pinautomaat aan de straat. Op die beelden is eveneens een persoon te zien die een blauwe rugtas draagt. Verbalisant relateert dat de blauwe rugtas meerdere overeenkomsten vertoont met de blauwe rugtas die te zien is op de camerabeelden uit zaaksdossier 3. Bij de doorzoeking van de woning van verdachte is een daarop gelijkende blauwe rugtas aangetroffen.

Kleding

In de woning is voorts een aantal kledingstukken aangetroffen dat grote gelijkenissen vertoont met de door de pinner gedragen kleding op de camerabeelden in verschillende zaakdossiers. Zo is een donkerkleurige jas, merk ‘Add’, met een aantal opvallende kenmerken aangetroffen. De jas heeft horizontale strepen ter hoogte van de schouders, verticale strepen op de rug, borstzakken met een drukknoop, een rits op de rechterzijde van de borst, een blok met horizontale streepjes op de mouwen ter hoogte van de bovenarm en een logo op de linkermouw ter hoogte van de bovenarm. Deze jas komt sterk overeen met de jas die wordt omschreven in onder andere zaaksdossiers 3 en 5. In zaaksdossier 3 is verdachte door zes verbalisanten als zijnde de pinner herkend.

Schoenen 

In de woning van verdachte is tevens een paar schoenen, merk Dior Homme, aangetroffen. Het paar schoenen heeft een aantal opvallende kenmerken, namelijk een lichtkleurige hiel, een metalen vetertag en metalen veterringen. Op de camerabeelden in zaaksdossiers 7 en 14 is te zien dat de pinner schoenen draagt met een lichtkleurige hiel, lichtkleurige veterringen en vetertag.

Telecom 

Er is voorts onderzoek gedaan naar telefoonnummers die verdachte in gebruik zou hebben. Uit Top600-informatie die betrekking heeft op verdachte blijkt dat de telefoonnummers telefoonnummer 1 (# telefoonnummer 1) en telefoonnummer 2 (# telefoonnummer 2) zouden toebehoren aan verdachte. Het telefoonnummer # telefoonnummer 1 heeft gekoppeld gezeten aan IMEI-nummer imei-nummer 1. Uit de historische gegevens van dit IMEI-nummer blijkt dat onder andere het telefoonnummer imei-nummer 2 (# imei-nummer 2) hieraan gekoppeld heeft gezeten. Daarnaast noemt de gebruiker van het telefoonnummer # imei-nummer 2 in een telefoongesprek op 24 februari 2017 zijn naam en omschrijft hij zichzelf. De gebruiker van het andere telefoonnummer vraagt namelijk: ‘Wie is dit?’, waarop de gebruiker van het telefoonnummer # imei-nummer 2 antwoordt: ‘verdachte. Ikke van de buurt, verdachte, rood, blond, fonetisch weet je wie?’ 

De raadsman van verdachte heeft betwist dat het telefoonnummer # imei-nummer 2 aan verdachte toebehoort, maar het bovenstaande maakt voldoende aannemelijk dat verdachte de gebruiker is van dit telefoonnummer. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Het telefoonnummer # imei-nummer 2 heeft ten tijde van de babbeltrucs en het pinnen in de zaken 1, 3, 4, 5, 7, 9 en 2 meermalen contact gehad met het telefoonnummer telefoonnummer 3 (# telefoonnummer 3). Uit de historische gegevens van het telefoonnummer # telefoonnummer 3 blijkt onder meer dat het telefoonnummer contact heeft met telefoonnummers die zouden toebehoren aan persoon 1 en persoon 2. Uit de politiesystemen blijkt dat medeverdachte medeverdachte met deze personen is gecontroleerd. Het is dus niet aannemelijk dat deze telefonische contacten zijn gelegd door het broertje van medeverdachte, zoals medeverdachte beweert. Dit wordt ten dele bevestigd door de verklaring van de zus van medeverdachte, die verklaart dat de telefoon (met het telefoonnummer # telefoonnummer 3) door zowel het broertje van medeverdachte als door medeverdachte zelf wordt gebruikt. Bovendien blijkt uit Whatsapp-berichten die op 14 en 15 maart 2017 door gebruiker persoon 3, het broertje van verdachte, zijn verstuurd dat dit Whatsapp-account is gekoppeld aan het telefoonnummer telefoonnummer 4 (# telefoonnummer 4) en niet aan het telefoonnummer # telefoonnummer 3.
Op de telefoon is tevens een schermafbeelding gevonden waarop valt te zien dat voor het adres adres te plaats 2 meterstanden zijn doorgegeven aan het bedrijf Nuon. Onder het kopje contactgegevens staan het telefoonnummer # telefoonnummer 3 en het e-mailadres e-mailadres. Tot slot is medeverdachte op 6 januari 2017 samen met verdachte gecontroleerd. 
Het bovenstaande maakt voldoende aannemelijk dat medeverdachte de gebruiker is van het telefoonnummer # telefoonnummer 3.

In de zaakdossiers 1, 2, 3, 4, 5, 7 en 9 hebben verdachte en medeverdachte telefonisch contact met elkaar voor, omstreeks en/of na het delict. Beide telefoonnummers hebben in zaaksdossiers 4, 5, 7 en 9 paallocaties aangestraald in de directe omgeving van zowel de woningen van de slachtoffers als de gebruikte pinautomaten. De historische gegevens van het telefoonnummer # imei-nummer 2 ondersteunen de herkenningen van verdachte op de camerabeelden in zaaksdossier 3. Hetzelfde geldt voor de herkenning van medeverdachte in zaaksdossier 4, want het telefoonnummer # telefoonnummer 3 heeft een paallocatie in de directe omgeving van de pinautomaat aangestraald.

Conclusie 

Gelet op de hiervoor omschreven samenhang tussen de afzonderlijke zaken, komt de rechtbank tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de verschillende feiten versterken elkaar en kunnen als schakelbewijs dienen. De rechtbank ziet sterke overeenkomsten in de eerder beschreven modus operandi, die terug te vinden is in de verschillende aangiften, de bij verdachte en zijn medeverdachte in beslag genomen kleding die op camerabeelden in diverse zaaksdossiers te zien is, de historische gegevens van de beide telefoonnummers die laten zien dat verdachte in de verschillende zaaksdossiers voor, tijdens en na het delict contact heeft gehad met medeverdachte, het feit dat beide telefoonnummers in verschillende zaakdossiers paallocaties aanstralen in de directe omgeving van de woningen van de slachtoffers en/of de pinautomaten waar de pintransacties plaatsvonden en tot slot in het geringe tijdsverloop tussen de oplichtingen en de wederrechtelijke pintransacties. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het bewijsmateriaal ten aanzien van de verschillende feiten op essentiële punten zodanig belangrijke overeenkomsten vertoont dat sprake is van een herkenbaar, specifiek patroon in het gedrag van verdachten ten aanzien van deze feiten.

Medeplegen 

Vervolgens is aan de orde de vraag of verdachte de ten laste gelegde feiten samen met een ander of anderen heeft gepleegd. De rechtbank stelt voorop dat medeplegen bewezen kan worden bewezen indien is komen vast te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de feiten 1 en 2 voldoende is gebleken van een dergelijke samenwerking. In zaaksdossiers 1, 3 en 4 blijkt dat één van de verdachten heeft gepind, terwijl een ander op hem stond te wachten en zij na voltooiing van de pintransactie samen wegelopen. Zowel verdachte als medeverdachte is in één van de zaaksdossiers herkend als de pinner. Daarnaast hebben de verdachten telkens voor, tijdens en/of na de babbeltruc en het pinnen veelvuldig contact met elkaar en zijn zij ten tijde van de strafbare feiten in de nabijheid van de woning van het slachtoffer en/of de gebruikte pinautomaten geweest. Ook blijkt in zaaksdossier 3 dat aangever persoon 4 ziet dat de man die zich voordeed als pakketbezorger naar een witte bestelbus liep en aan de bijrijderskant instapte, waarna de bestelbus wegreed. Dit duidt op in elk geval één andere betrokkene. In zaaksdossier 7 werd door de man die zich voordeed als pakketbezorger naar een ander persoon gebeld en gezegd: ‘De app is goed’. Dit telefoontje duidt wederom op in elk geval één andere betrokkene.
 

Feit 3

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde het volgende.

Op 6 januari 2017 tussen 14.00 uur en 14.17 uur is gepoogd aangeefster persoon 5 bij haar woning aan adres 3 op te lichten door middel van een babbeltruc. De poging tot oplichting verliep volgens de eerder beschreven modus operandi ‘pakketbezorger’ totdat aangeefster aangaf dat zij iemand moest bellen om voor haar te pinnen. Hierop liep de ‘pakketbezorger’ weg in de richting van een witte bestelbus.

Op diezelfde dag omstreeks 13.45 uur heeft een voltooide oplichting door middel van een babbeltruc plaatsgevonden aan de adres 3 bij aangever persoon 4 (zaaksdossier 3, onder 1 en 2 ten laste gelegd). Beide delictlocaties liggen circa vierhonderd meter bij elkaar vandaan. De modus operandi en het signalement van de dader komen grotendeels overeen en beide aangevers spreken van een wit bestelbusje. Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en de telefoon van verdachte omstreeks het tijdstip van het delict uitpeilt in de directe omgeving van de woning van aangeefster persoon 5 komt de rechtbank eveneens tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde.

Partiële vrijspraak medeplegen

Hoewel uit de historische gegevens van het telefoonnummer # imei-nummer 2 is gebleken dat dit telefoonnummer ten tijde van het delict contact had met het telefoonnummer # telefoonnummer 3, in gebruik bij medeverdachte medeverdachte, is niet gebleken dat het telefoonnummer # telefoonnummer 3 in de directe omgeving van de woning van aangeefster persoon 5 aanwezig was. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking van verdachte met een ander of anderen. Verdachte zal daarom van dit gedeelte van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
 

Feit 4 en 5

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 4 en 5 ten laste gelegde het volgende.

Zaaksdossier 6

Op 28 december 2016 heeft omstreeks 12.00 uur een babbeltruc plaatsgevonden waarbij de pinpas van aangeefster persoon 6 is weggenomen. Kort hierna is tweemaal gepind met deze pinpas. Van de wederrechtelijke pintransactie bij de ABN-AMRO aan het Surinameplein te Amsterdam zijn camerabeelden beschikbaar. Op deze beelden is een man te zien die een grijskleurige sweater draagt met een donkerkleurige jas met opvallende accenten. Als de man wegloopt, is te zien dat hij een sporttas over zijn schouder draagt van het merk Adidas. Bij de doorzoeking van de woning van verdachte zijn een sporttas van het merk Adidas en een jas aangetroffen die sterk lijken op de tas en de jas die te zien zijn op de camerabeelden. Daarnaast blijkt dat de telefoon van verdachte ten tijde van de babbeltruc een paallocatie in de directe omgeving van het huis van het slachtoffer aanstraalde. Eveneens straalde het telefoonnummer een paallocatie aan in de directe omgeving van een ING-pinautomaat omstreeks de wederrechtelijke pintransactie die hier plaatsvond. De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde.

Partiële vrijspraak medeplegen

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan. Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking met een ander of anderen.

Zaaksdossier 14

Op 8 februari 2017 vond tussen 17.00 uur en 17.30 uur is door middel van een babbeltruc de pinpas van aangeefster persoon 7 verkregen. Kort hierna is tweemaal gepind met deze pinpas. Op de camerabeelden van de wederrechtelijke pintransactie bij de ABN-AMRO op de Overschiestraat 1 te Amsterdam om 17.08 een manspersoon te zien met een groene jas, een donkere muts en een sjaal waarmee hij zijn gezicht bedekt. De tweede wederrechtelijke pintransactie vond om 17.17 uur plaats bij de ING op de Derkinderenstraat te Amsterdam. Kinderdagverblijf ‘de Lieve schoot’ ligt op de logische route vanaf de pinlocatie Overschiestraat 1 naar de pinlocatie Derkinderenstraat. Op de camerabeelden van dit kinderdagverblijf is te zien dat op 8 februari 2017 om 17.13 uur een man voorbij fietst. Hij draagt een donkerkleurige muts, een donkerkleurige sjaal die hij voor zijn mond heeft en een donkergroene, gewatteerde jas. De man fietst in de richting van de straatnaam. Om 17.17 uur is dezelfde man te zien. Hij fietst op dezelfde fiets en komt uit de richting van de straatnaam. Gelet op de tijdstippen van de wederrechtelijke pintransacties en de overeenkomende signalementen van de pinner en de persoon op de fiets is het voldoende aannemelijk dat de persoon op de fiets beide wederrechtelijke pintransacties heeft verricht.

Daarnaast zijn de beveiligingsbeelden van het flatgebouw van de woning van verdachte aan adres te plaats 1 opgevraagd. Op 8 februari 2017 is verdachte tweemaal waargenomen (om respectievelijk 15.00 uur en 15.08 uur). Verbalisant herkent verdachte aan zijn gezicht en zijn postuur. Verdachte draagt een donkerkleurige muts, een donkerkleurige sjaal tot aan zijn mond en een groenkleurige jas met horizontale stiksels/banen. Nu dit signalement van verdachte overeenkomt met het signalement van de persoon op de fiets, waarvan voldoende aannemelijk is dat deze persoon beide wederrechtelijke pintransacties heeft verricht, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring ten aanzien van dit onderdeel van het onder 3 ten laste gelegde.

Partiële vrijspraak medeplegen

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan. Op de camerabeelden van de pintransactie bij de ABN-AMRO is te zien dat verdachte na het pinnen een tweede persoon ontmoet en met hem de straat oversteekt, maar dat is onvoldoende om van medeplegen te spreken.
 

Bewezenverklaring

Feit 1: Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

Feit 2: Diefstal, door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd

Feit 3: Poging tot oplichting

Feit 4: Oplichting, meermalen gepleegd

Feit 5: Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd
 

Strafoplegging

  • Gevangenisstraf van 30 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF