Veroordeling wegens onthouden zorg aan dieren & opzettelijk een ambtenaar belemmerd dan wel belet in de werkzaamheden

Rechtbank Noord-Nederland 7 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:1389

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 7 maart 2017 een man veroordeeld voor een periode van ruim één jaar, samen met zijn vader, meerdere malen als houder van dieren deze dieren de nodige verzorging onthouden. Daarnaast heeft hij een aantal malen niet tijdig aangifte gedaan van kadavers en heeft hij opzettelijk een ambtenaar belemmerd dan wel belet in de werkzaamheden.

Tijdens de controles van de NVWA zijn de man en zijn vader er meerdere malen op gewezen dat zij de dieren voldoende water, eten en een schone en droge ligplaats dienden te verschaffen. Keer op keer bleek de situatie niet gewijzigd en verslechterde deze zelfs, aldus de dierenarts van de NVWA. Bij de NVWA bestond de indruk dat de man deze aanwijzingen onzin vond en de man en zijn vader probeerden regelmatig de controles te belemmeren of te vertragen waardoor verdachte of zijn vader nog tijd had om de stallen op te strooien. Toen de hond van de man in bewaring werd genomen heeft hij dit proberen te verhinderen door met de hond in zijn auto te gaan zitten.

De rechtbank heeft de man een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaren en bijzondere voorwaarden opgelegd. De bijzondere voorwaarden houden in dat de man gedurende de proeftijd van drie jaren geen dieren mag houden in zijn woning, op zijn erf en/of grond. Omdat de rechtbank geen bijzondere voorwaarden oplegt waarbij de reclassering het toezicht en de begeleiding op zich zou kunnen nemen, heeft de rechtbank bepaalt dat het toezicht wordt uitgeoefend door de reclassering achterwege gelaten.

De rechtbank acht het aangewezen dat de NVWA onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie controles bij de man zal uitoefenen, en heeft om die reden als bijzondere voorwaarde aan verdachte opgelegd de verplichting mee te werken aan controles op het houdverbod uit te voeren door de NVWA.
 

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft daartoe gemotiveerd aangevoerd dat in de zaak met parketnummer 18/671015-16 de processen-verbaal van bevindingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna NVWA) en de verklaringen van de dierenarts van de NVWA voldoende grond vormen om tot het wettig en overtuigend bewijs van het ten laste gelegde te komen. Ten aanzien van het medeplegen van het ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit het dossier met het oude parketnummer 84/023703-16 blijkt dat verdachte mede-eigenaar van de dieren was. Dat het bedrijf op Naam van de vader van verdachte staat doet daar niets aan af. Tevens blijkt uit de verklaring van de moeder van verdachte dat de mannen over de dieren gingen. Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18/67006-16 heeft de officier van justitie gemotiveerd aangevoerd dat door het meenemen van de hond en het sluiten van de autodeuren verdachte de taak van de inspectie en de politie heeft belemmerd. Hierdoor waren extra handelingen nodig en indien de politie niet gedreigd had met het inslaan van de ruit was verdachte er met de hond vandoor gegaan. Dit delict kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.
 

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Door de raadsman is ten aanzien van de zaak met het parketnummer 18/671015-16 aangevoerd dat het ten laste gelegde onvoldoende concreet is waardoor het voor de verdediging niet mogelijk is verweer te voeren. De raadsman heeft aangevoerd dat onvoldoende duidelijk is welke dieren worden bedoeld en dat de aanduiding van een hok, stal of wei onvoldoende begrijpelijk is. De raadsman is van oordeel dat verdachte door deze onduidelijkheid van hetgeen hem in de zaak met parketnummer 18/671015-16 is ten laste gelegd moet te worden vrijgesproken.

Voorts heeft de raadsman ten aanzien van het in de strafzaak met parketnummer 18/671015-16 aangevoerd dat medeplegen van het ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Verdachte was geen eigenaar van het vee en zijn vader was geen eigenaar van de kippen en de konijnen. Verdachte was derhalve niet verantwoordelijk voor het vee en moet hiervan worden vrijgesproken. Hij was wel eigenaar van de kippen en de konijnen. Zijn vader had hierbij geen rol, zodat medeplegen voor de kippen en konijnen niet kan worden bewezen.

Ten aanzien van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18/670005-16 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte vanuit een schrikreactie zijn hond wilde beschermen. Hij is met zijn hond in de auto gaan zitten om voor zijn hond te zorgen en om afscheid te nemen. Dit was niet met de intentie om de opsporingsambtenaar te beletten of te belemmeren haar werk te doen.
 

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de bewijsmiddelen toe, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit vonnis zullen worden opgenomen. Deze bewijsmiddelen bevatten de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Ten aanzien van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18/671015-16.

De rechtbank overweegt omtrent het verweer dat de tenlasteleggingen onvoldoende duidelijk zijn het volgende. Zoals hiervoor is weergegeven wordt verdachte onder meer verweten dat hij op verschillende data meerdere dieren de nodige verzorging heeft onthouden. Voor zover een dier was voorzien van een merk met een identificatiecode of een werknummer, zijn deze in de tenlastelegging vermeld. Uit de stukken blijkt echter dat veel dieren geen code of nummer hadden en soms ook niet hadden hoeven hebben. In de tenlastelegging is in die gevallen aangegeven in welk(e) hok, stal of wei de dieren verbleven. Deze omschrijvingen sluiten naadloos aan bij de relateringen van de verbalisanten zoals deze in de processen-verbaal zijn opgenomen. Tevens zijn in de stukken tekeningen van de stallen en hokken opgenomen, waarin ook de nummering daarvan is opgenomen. Gelet daarop zijn de ongenummerde dieren voor de procesdeelnemers naar het oordeel van de rechtbank voldoende herleidbaar. De rechtbank overweegt hierbij dat de tenlastelegging in combinatie met de stukken mag en kan worden gelezen. Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte bekend was met de situatie en de dieren en het voor hem derhalve duidelijk moet zijn welke dieren worden bedoeld in de tenlasteleggingen. De tenlasteleggingen zijn in overeenstemming met de eisen gesteld in het eerste lid van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Van enige onduidelijkheid is geen sprake, zodat de rechtbank het verweer van de raadsman verwerpt.

Ten aanzien van het medeplegen in de zaak met parketnummer 18/671015-16.

Ten aanzien van het medeplegen overweegt de rechtbank het volgende. Onder houder wordt volgens de Wet dieren verstaan de eigenaar, houder of hoeder van de dieren. Deze definitie is van toepassing op alle feiten die het onthouden van de nodige verzorging van dieren betreffen en het niet tijdig doen van aangifte van kadavers bij de ondernemer van dierlijke producten. Op grond van artikel 1, tweede lid, van het Besluit identificatie en registratie van dieren is op het niet tijdig oormerken van dieren van toepassing de definitie van houder van artikel 2, aanhef en onderdeel c, van richtlijn 92/102/EEG. Op grond van deze bepaling wordt verstaan onder houder: een natuurlijke of rechtspersoon die, ook tijdelijk, verantwoordelijk is voor de dieren.

Ter terechtzitting is aangevoerd dat de vader van verdachte eigenaar van het vee was en verdachte eigenaar van de kippen en de konijnen. Uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting en uit de stukken blijk echter dat verdachte samen met zijn vader het vee verzorgde, met uitzondering van de paarden en de pony's. Tevens blijkt uit de stukken dat hij ook geld had geïnvesteerd in deze dieren. De rechtbank maakt hieruit op dat verdachte als houder en van sommige dieren zelfs als mede eigenaar kan worden aangemerkt. Hij was samen met zijn vader verantwoordelijk voor de verzorging van het vee, met uitzondering van de paarden en de pony's, en derhalve ook voor het tijdig aangifte doen van kadavers bij de ondernemer van dierlijke producten. De hokken van de kippen en de konijnen bevonden zich op het terrein van het veebedrijf en aan de zijkant van de woning van verdachte en zijn vader. Gelet op deze omstandigheid is de rechtbank van oordeel dat de vader van verdachte ook medeverantwoordelijk was voor de verzorging van deze dieren en dat hij als houder kan worden aangemerkt. De rechtbank acht derhalve het medeplegen in de ten laste gelegde zaken bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onthouden van de verzorging aan de paarden en de pony's, omdat uit de stukken blijkt dat verdachte ten aanzien van de verzorging van deze dieren geen rol had.
 

Bewezenverklaring

Parketnummer 18/671015-16: medeplegen van de overtreding van een voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, meermalen gepleegd;

Parketnummer 84/225460-15: medeplegen van de overtreding van een voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, meermalen gepleegd;

Parketnummer 84/023703-16: medeplegen van overtreding van een voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, meermalen gepleegd;

Parketnummer 84/023451-16:

Feit 1: medeplegen van overtreding van een voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, meermalen gepleegd;

Feit 2: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 3.4 van de Wet dieren, meermalen gepleegd.

Parketnummer 18/670006-16: Opzettelijk enige handeling ondernomen door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast en belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, heeft belet en belemmerd.
 

Strafoplegging

Voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van 3 jaar.

Algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zorgdraagt dat binnen één maand na het onherroepelijk worden van dit vonnis alle dieren zijn erf, weiland en zijn woning hebben verlaten;

2. dat de veroordeelde vervolgens gedurende de proeftijd geen dieren meer houdt, of door (een) ander(en) laat houden, in de door hem en zijn ouders bewoonde woning of op het bijbehorende erf en/of grond, noch elders;

3. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan de controles op bovengenoemde voorwaarden door de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18/671015-16 in de zaak met het oude parketnummer 84/023451-16 onder 2. ten laste gelegde: Bepaalt dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

  • Zie ook: Rechtbank Noord-Nederland 7 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:1388
    Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF