Veroordeling wegens medeplegen oplichting

Gerechtshof Amsterdam 2 september 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3784

Aan verdachte is medeplegen van oplichting ten laste gelegd.

Verdachte zou op of omstreeks 17 december 2012 te Duivendrecht bedrijfsnaam 1 hebben bewogen tot de afgifte van een of meerdere goederen en/of levensmiddelen (waaronder een waterkoker en/of mango) met een totale waarde van € 3.823,62. Er zou telefonisch op naam van (de bij bedrijfsnaam 1 al bekende klant) bedrijfsnaam 2 onder de naam van naam 1 een klantendagpas gereserveerd, en/of (vervolgens) de/een klantendagpas in werkkleding (koksbuizen) afgehaald bij de receptie van bedrijfsnaam 1 na het overhandigen van een legitimatiebewijs op naam van naam 1, en/of (vervolgens) goederen afkomstig uit de winkel van bedrijfsnaam 1 afgerekend met een/de klantendagpas op naam van bedrijfsnaam 2 en uitgegeven aan naam 1, door daartoe de “kopersverklaring” uit naam van bedrijfsnaam 2 te ondertekenen met de naam “naam 2” en te voorzien van een handtekening, waardoor bedrijfsnaam 1 werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De verdachte was als cateraar door de medeverdachte ingehuurd om samen boodschappen te doen. Omdat de verdachte zijn handelingen heeft verricht in de veronderstelling dat hij boodschappen deed voor de medeverdachte, was er geen sprake van opzet op oplichting. Tussen de verdachte en de medeverdachte bestond een vorm van samenwerking, maar deze was niet van dien aard dat gesproken kan worden van medeplegen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier blijkt het volgende.

De bedrijfsnaam 1 wordt op 17 december 2012 gebeld met het verzoek om een klantendagpas voor het bedrijf ‘bedrijfsnaam 2’. Dit bedrijf heeft recht op een klantenpas met een automatische incasso. Een man genaamdnaam 1 zou de pas komen ophalen. Even later komen twee mannen, in een witte koksbuis, de pas ophalen. Volgens de getuige heeft zij aan de man met het ringbaardje, het hof begrijpt: een persoon die voldoet aan het signalement van de verdachte, de pas gegeven. De beide mannen vullen vervolgens hun winkelwagen en rekenen bij de kassa af met de afgegeven klantenpas voor een bedrag ter waarde van € 3.823,62. De factuur wordt door één van de mannen ondertekend met de naam ‘naam 2’ en met een handtekening waarin de naam ‘naam 2’ is verwerkt. Een medewerker van bedrijfsnaam 2 heeft verklaard dat de goederen niet in opdracht van het restaurant zijn gekocht.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij op verzoek van de medeverdachte - die volgens de verdachte medeverdachte heet - samen met hem naar de bedrijfsnaam 1 is gegaan, dat hij in de winkel met de receptioniste heeft gesproken, dat hij in de winkel goederen in een winkelwagen heeft gelegd, dat hij bij de kassa op verzoek van de medeverdachte de kopersverklaring heeft ondertekend met de naam ‘naam 2’ en een handtekening, dat hij samen met de medeverdachte de goederen in de door hem geleende auto heeft gezet en dat hij vervolgens de medeverdachte en de goederen heeft afgezet in de Bijlmer.

Vorengenoemde gedragingen duiden naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer op een oogmerk tot oplichting dat voor het hof dat oogmerk buiten redelijke twijfel is komen vast te staan. Het door de verdediging geschetste scenario wordt gelet hierop door het hof als onaannemelijk terzijde geschoven.

Het verweer wordt verworpen.

Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uur, waarvan 30 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly and PDF