Veroordeling wegens (medeplegen) gewoontewitwassen door verpakken geld in kiprollades

Rechtbank Overijssel 13 februari 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:421

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 76-jarige man tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaar voor het witwassen van meer dan 8,8 miljoen euro. De man verpakte grote geldbedragen in kiprollades die per container naar Aruba werden vervoerd.
 

Feiten

Op 13 april 2015 werd het onderzoek 26Fluor gestart. De aanleiding tot dit onderzoek kwam voort uit een op Aruba door het Recherche Samenwerkingsteam ingesteld onderzoek Tunis: een onderzoek dat zich richtte op de op Aruba verblijvende verdachten medeverdachte 1 en medeverdachte 2 die werden verdacht van witwassen. Uit dit onderzoek bleek dat verdachte contact had met medeverdachte 1 en dat zij versluierend spraken over het in ontvangst nemen en verplaatsen van grote hoeveelheden contant geld. Men sprak hierbij tevens over ‘de koffiedrinker’. Uit onderzoek bleek ‘de koffiedrinker’ medeverdachte 3 te zijn. Medeverdachte 3 had ook contact met medeverdachte 4, de toenmalige partner en een werkneemster van verdachte.

Vervolgens werd op 25 juni 2015 op Aruba een zeecontainer in beslag genomen die was verzonden door het bedrijf 1 B.V., een onderneming waarvan verdachte enig aandeelhouder was. In deze container werden, in verschillende dozen met kipproducten, pakketten aangetroffen met daarin een contant geldbedrag van €2.833.340.

Verdachte werd op Aruba aangehouden en verklaarde onder meer dat hij betrokken was geweest bij het geldtransport van €2.833.340 dat was onderschept op Aruba en dat hij betrokken was geweest bij een eerder geldtransport van een bedrag van ongeveer €4.000.000 dat had plaatsgevonden in de periode van september tot en met december 2014. Het geld was afkomstig van ‘de koffiedrinker’ en werd op zijn verzoek door verdachte in ontvangst genomen. Verdachte verstopte het geld vervolgens in de kipproducten die in de container werden geladen.

Voorts bleek uit navraag bij de Financial Intelligence Unit (FIU) dat verdachte op 3 november 2014 een bedrag van €250.000 en op 2 maart 2015 een bedrag van €510.000 contant had gestort op een nieuw geopende rekening in Kroatië. medeverdachte 4 was aanwezig geweest bij het openen van deze bankrekening en was tevens gemachtigde van de rekening.

Ten slotte vonden diverse doorzoekingen plaats waarbij onder meer grote contante geldbedragen werden aangetroffen en diverse administratieve/financiële bescheiden van verdachte en zijn ondernemingen in beslag werden genomen en onderzocht.
 

Geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft betoogd dat de tenlastelegging voor wat betreft de aandachtstreepjes 1, 3, 4 en 6 nietig moet worden verklaard omdat niet duidelijk is waar de in de tenlastelegging genoemde bedragen op zien en ook niet duidelijk is welke witwasvariant verdachte precies wordt verweten. Daarmee is de tenlastelegging op deze punten zo ruim en weinig concreet geformuleerd dat niet wordt voldaan aan de eisen van artikel 261 Wetboek van Strafvordering (Sv).

Naar het oordeel van de rechtbank is de dagvaarding ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen voldoende duidelijk, zeker als deze wordt gelezen in samenhang met het dossier. Uit het dossier volgt op welke geldbedragen de tenlastelegging betrekking heeft. Verdachte is hiermee tijdens zijn verhoren geconfronteerd en in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Ook ter terechtzitting zijn de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen wederom aan verdachte voorgehouden en hebben verdachte en zijn raadslieden daarop gereageerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich heeft kunnen verweren tegen de tegen hem geuite beschuldigingen, en dat hij tevens heeft begrepen waarop gedoeld werd.

De rechtbank overweegt voorts dat in de tenlastelegging zowel schuldwitwassen (artikel 420quater Sr), witwassen (artikel 420bis Sr) en gewoontewitwassen (artikel 420ter Sr) van (contante) geldbedragen ten laste is gelegd. Daarmee heeft de officier van justitie de rechtbank een keuze geboden wat geenszins in strijd is met het bepaalde in artikel 261 Sv. Immers, indien de rechtbank het voor een bewezenverklaring van (gewoonte)witwassen vereiste opzet niet aanwezig acht, blijft na uitstreping van dat opzet schuldwitwassen ter beoordeling over. Dit onderdeel van de dagvaarding behelst tegen het licht van de inhoud van het dossier tevens een voldoende duidelijke en feitelijke omschrijving van wat aan verdachte wordt verweten.

De dagvaarding voldoet daarmee aan de eisen van artikel 261 Sv. De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding met betrekking tot het onderdeel ‘althans van enig(e) voorwerp(en)’, genoemd na het laatste aandachtstreepje in de tenlastelegging, partieel nietig dient te worden verklaard.

De rechtbank overweegt dat ‘enig(e) voorwerp(en)’ een (te) ruim en veelomvattend begrip is, zeker gelet op het omvangrijke dossier. In de tenlastelegging staat niet vermeld welke voorwerpen hiermee worden bedoeld. Gelet op deze onduidelijkheid in de tekst van de tenlastelegging zal de rechtbank de dagvaarding voor wat betreft het deel dat ziet op ‘althans van enig(e) voorwerp(en)’ partieel nietig verklaren.
 

Ontvankelijkheid officier van justitie
 

A. Gebruik geheimhouderstukken

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat gebruik is gemaakt van geheimhouderstukken doordat tijdens een verhoor met getuige 1 op 13 oktober 2015 een gespreksverslag, van een overleg dat op 18 augustus 2014 plaatsvond tussen getuige 2, getuige 1, verdachte en mr. advocaat, aan deze getuige is getoond. Aldus is sprake van een onherstelbaar vormverzuim en een ernstige schending van beginselen van behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. De officier van justitie moet dus in de vervolging integraal niet-ontvankelijk worden verklaard, althans in de vervolging ten aanzien van het vierde gedachtestreepje.

De officier van justitie heeft bestreden dat de aan getuige 1 getoonde stukken afkomstig zijn uit het beslag van mr. advocaat en heeft geconcludeerd tot ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Alvorens het verweer van de verdediging te beoordelen stelt de rechtbank op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten vast.

Op 1 juli 2015 werd op bevel van de officier van justitie van de maatschap bedrijf 3 Accountants uitlevering gevorderd van alle gegevens vanaf 1 januari 2013 tot heden betrekking hebbende op verdachte dan wel de aan hem te liëren vennootschappen, waaronder in ieder geval bedrijf 1 B.V. en bedrijf 2 B.V. In het controledossier van de jaarrekening 2013 werd het verslag aangetroffen van het overleg op 18 augustus 2014 tussen getuige 2, getuige 1 als belastingadviseur van bedrijf 4 B.V., verdachte en mr. advocaat. Dit werd opgetekend in een op 17 september 2015 opgemaakt proces-verbaal.

Op 11 september 2015 vond op vordering van de officier van justitie in het bijzijn van de rechter-commissaris, de deken van de orde van advocaten en enkele verbalisanten een doorzoeking plaats in het kantoor van mr. advocaat, advocaat en belastingadviseur van verdachte. Aldaar werden diverse fysieke documenten en digitale bestanden in beslag genomen die betrekking hadden op verdachte en aan hem gelieerde ondernemingen.

De fysieke documenten werden ter plaatse door twee financieel rechercheurs bekeken onder toezicht van de rechter-commissaris. Per document werd bepaald of het stuk al dan niet onder het verschoningsrecht viel en of het van belang kon zijn voor de waarheidsvinding, waarna de rechter-commissaris een beslissing nam over de inbeslagname. Ten aanzien van digitale bestanden, besloot de rechter-commissaris dat een geheimhouder-medewerker van de politie, die niet verbonden was aan het team dat met het onderhavige onderzoek was belast, onder zijn verantwoordelijkheid deze selectie moest maken.

De rechter-commissaris heeft mr. advocaat ten slotte medegedeeld dat de inbeslaggenomen documenten en gegevens, in afwachting van de beslissing van de raadkamer op het in te dienen bezwaarschrift, niet ter beschikking zouden komen van de politie en het Openbaar Ministerie, maar dat deze zolang op zijn kabinet in een kluis zouden worden bewaard.

Op 5 oktober 2015 kreeg verbalisant, de geheimhouder-medewerker van de politie, de betreffende digitale bestanden op de USB stick uit handen van de rechter-commissaris. De gegevens op deze USB stick werden gekopieerd naar het bureaublad van een laptop die geen andere gegevens bevatte. De originele USB stick werd weer in de kluis gedaan bij de rechter-commissaris. De laptop bleef voortdurend in het bezit van verbalisant en werd nergens anders voor gebruikt. De gekopieerde bestanden werden door hem, in overleg met de rechter-commissaris, beoordeeld en de documenten die door hem werden beoordeeld als geheimhouderstukken werden door hem verwijderd. Nadat verbalisant alle documenten op 28 oktober 2015 had beoordeeld, werd de laptop door een digitaal rechercheur geschoond. De verwijderde items werden daarbij definitief verwijderd en de overige bruikbare gegevens werden via de rechter-commissaris aan het onderzoeksteam beschikbaar gesteld. Contact met het onderzoeksteam heeft verbalisant niet gehad.

Op 13 oktober 2015 werd getuige 1 door de politie gehoord. Op de eerste pagina van dit verhoor staat onder meer het volgende vermeld: ‘Aan de getuige / verdachte zijn voor het verhoor een tweetal documenten getoond van een gespreksverslag van 18 augustus 2014 met betrekking tot bedrijf 5. (…) De getoonde documenten zijn als bijlage bij dit verhoor gevoegd.’.

De rechtbank verwerpt het beroep op de niet-ontvankelijkheid en overweegt daartoe het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat het aan getuige 1 getoonde gespreksverslag afkomstig is uit het beslag bij mr. advocaat. De verdediging heeft in algemene bewoordingen gesteld dat het mogelijk c.q. niet uit te sluiten is dat politie/justitie dit geheimhouderstuk heeft gebruikt. Het dossier biedt hiervoor echter geen enkel concreet aanknopingspunt. Bovendien heeft verbalisant, die als geheimhouder-medewerker van de politie de beschikking heeft gehad over de geheimhouderstukken, verklaard dat hij geen contact heeft gehad met het onderzoeksteam, dat hij geen stukken aan hen heeft verstrekt en dat hij de door hem beoordeelde documenten alleen in handen van de rechter-commissaris heeft gesteld. De rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Daar komt bij dat op 13 oktober 2015, de datum van het verhoor van de getuige 1, het betreffende gespreksverslag ook al was uitgeleverd door de bedrijf 3. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is van enige grond om het er niet voor te houden dat het aan de getuige 1 getoonde gesprekverslag afkomstig is van de bedrijf 3.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat voor de beoordeling van een beroep op het verschoningsrecht door een geheimhouder niet doorslaggevend is of de stukken worden aangetroffen op het kantoor van de geheimhouder zelf of bij een derde. Naar het oordeel van de rechtbank komt de vraag of stukken en gegevens object van de afgeleide bevoegdheid tot verschoning uitmaken, toe aan de persoon van wie het verschoningsrecht is afgeleid. Nu niet gebleken is dat er voorafgaand aan het verhoor van getuige getuige 1 door mr. advocaat een beroep is gedaan op het afgeleid verschoningsrecht, kan het betreffende gespreksverslag om die reden niet worden aangemerkt als een geheimhouderstuk. Ook verdachte, die op 8 oktober 2015 een verklaring heeft afgelegd over het gespreksverslag, heeft niet aangegeven dat het stuk onder enig verschoningsrecht viel. Uit het gespreksverslag zelf valt evenmin op te maken dat het stuk een geheimhouderstuk betreft. In het verslag staat ook niet vermeld dat mr. advocaat in zijn hoedanigheid van advocaat deel heeft genomen aan het gesprek.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, concludeert de rechtbank dat het tijdens het verhoor van getuige 1 tonen van het gespreksverslag van 18 augustus 2014 geen strijd oplevert met enig verschoningsrecht en dat er dus geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en/of een ernstige schending van beginselen van behoorlijke procesorde. Het verweer wordt verworpen.
 

B. Vervolgingsuitsluitingsgrond

De verdediging heeft ten aanzien van gedachtestreepje 1 aangevoerd dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 4 Algemene Wet Rijksbelastingen (AWR) van toepassing is nu de betreffende gedraging zowel onder artikel 225 lid 2 Sr als onder artikel 69 lid 1 of 2 AWR valt.

Uit de tenlastelegging volgt dat de officier van justitie verdachte niet vervolgt ter zake van overtreding van artikel 225 lid 2 Sr of artikel 69 lid 1 AWR maar ter zake van witwassen. De rechtbank is van oordeel dat het verweer derhalve feitelijk onjuist is en daarom geen nadere bespreking behoeft.
 

C. Ne bis in idem

Ten slotte heeft de verdediging een beroep gedaan op schending van het ne bis in idem-beginsel nu verdachte en zijn ondernemingen voor de onderhavige feiten tevens een fiscaal compromis hebben gesloten. Voor zover de verdediging daarmee heeft willen betogen dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging, geldt het volgende.

De omstandigheid dat verdachte en door hem geleide bedrijven ter zake van de inkomsten- en vennootschapsbelasting met de inspecteur van de belastingdienst vaststellingsovereenkomsten hebben gesloten, staat naar het oordeel van de rechtbank niet aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg. Deze overeenkomsten hebben slechts betrekking op de hoogte van de belastingschuld voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting en zeggen op zichzelf niets over het al dan niet witwassen van gelden, zoals aan verdachte ten laste is gelegd. De rechtbank verwerpt ook dit verweer.
 

D. Conclusie

De rechtbank komt tot de slotsom dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging.
 

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de in de tenlastelegging vermelde gedachtestreepjes afzonderlijk, en waar nodig in combinatie met elkaar, bespreken. Bij de beoordeling van de feiten neemt de rechtbank de volgende uitgangspunten in acht.

Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis/420quater van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid, concreet, misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Gedachtestreepjes 2, 6 en 11

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de gedachtestreepjes 2, 6 en 11 nu wettig en overtuigend bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten ontbreekt.

Gedachtestreepje 1

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat dit onderdeel van de tenlastelegging ziet op het witwassen van een bedrag van €975.000: een bedrag dat door bedrijf 6 International S.A. als lening is verstrekt aan bedrijf 7 Real Estate & Construction Company N.V. en bedrijf 8 Trading Company N.V.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Daartoe heeft zij allereerst aangevoerd dat het onomstotelijke bewijs dat verdachte de uiteindelijk gerechtigde is van bedrijf 6 International S.A., ontbreekt.

Voorts zijn de door bedrijf 6 International S.A. verstrekte leningen volledig in de administratie, de jaarrekeningen en de belastingaangiften van bedrijf 7 Real Estate & Construction Company N.V. en bedrijf 8 Trading Company N.V. verwerkt, zodat geen sprake is van verbergen of verhullen van een voorwerp dat - onmiddellijk of middellijk - van misdrijf afkomstig is.

Indien het gronddelict belastingfraude is, dan is alleen de niet aangegeven en niet betaalde vennootschapsbelasting van circa €185.000 van misdrijf afkomstig. Van (voorwaardelijk) opzet op het te weinig afdragen van belasting door verdachte is voorts geen sprake.

Indien het gronddelict valsheid in geschrift is, dan geldt dat het bewijs dat verdachte voor een totaalbedrag van €975.000 aan valsheid in geschrift heeft gepleegd, ontbreekt.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen ter zake het eerste gedachtestreepje.

Tijdens de doorzoeking in het bedrijfspand van bedrijf 1 B.V. werden onder meer facturen aangetroffen van bedrijf 6 International S.A. De facturen met een totaalbedrag van €972.579 dateerden van 2008 tot en met 2010 en waren gericht aan twee bedrijven gevestigd in Bulgarije: bedrijf 9 LTD.

In de administratie van bedrijf 1 B.V. bevond zich voorts een document getiteld ‘Bulgarije1 ( bedrijf 9 is nu bedrijf 10 geworden)’ waarin onder meer het volgende stond vermeld:

‘Na verlading bij bedrijf 1 CMR opmaken naar ontvanger ( bedrijf 9 of bedrijf 10 Sofia) en met chauffeur meegeven. Factuur maken.

1fkt. Per maand wordt opgemaakt op bedrijf 6.

Rest wordt opgemaakt op bedrijf 1 ’ (…)

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit document dat bedrijf 1 B.V. vleesproducten leverde aan onder andere bedrijf 9 in Bulgarije en dat per maand een factuur werd opgemaakt op naam van bedrijf 6 International S.A. en de rest van de facturen werd opgemaakt op naam van bedrijf 1 B.V.

De betalingen voor de geleverde vleesproducten, welke voor bedrijf 1 B.V. waren bestemd, kwamen op deze manier ten onrechte bij bedrijf 6 International S.A. terecht. Door deze wijze van factureren werd voorgewend dat bedrijf 6 International S.A. vlees leverde aan de bedrijven in Bulgarije terwijl uit onderzoek in de administratie van bedrijf 1 B.V. blijkt dat de feitelijke leveringen van het vlees werden gedaan door bedrijf 1 B.V. Dit maakt dat de facturen van bedrijf 6 International S.A. gericht aan bedrijf 9, met een totaalbedrag van €917.688, vals zijn.

Tijdens de doorzoeking in het bedrijfspand van bedrijf 1 B.V. werden tevens vier facturen van bedrijf 6 International S.A. gericht aan bedrijf 9 LTD met een totaalbedrag van €54.891 aangetroffen. Van deze zelfde leveringen waren eveneens facturen op naam van bedrijf 1 B.V. opgemaakt. Hierbij was het bedrag op de factuur van bedrijf 1 B.V. aanzienlijk lager dan het bedrag op de factuur van bedrijf 6 International S.A. Nu uit de administratie van bedrijf 1 B.V. blijkt dat deze leveringen van vlees feitelijk werden gedaan door bedrijf 1 B.V. en niet door bedrijf 6 International S.A., zijn de facturen afkomstig van bedrijf 6 International S.A. daarmee ook als vals te bestempelen.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de inkomende geldstromen van bedrijf 6 International S.A. van in totaal €972.579 afkomstig zijn uit enig misdrijf, te weten valsheid in geschrift.

Voorts is gebleken dat bedrijf 6 International S.A. in de periode 2008 tot en met 2011 in totaal een bedrag van €975.000 aan leningen heeft verstrekt, waarvan een bedrag van €475.000 aan bedrijf 7 Real Estate & Construction Company N.V. en een bedrag van €500.000 aan bedrijf 8 Trading N.V., bedrijven waarvan verdachte bestuurder is. Daarmee zijn de uit misdrijf afkomstige gelden van bedrijf 6 International S.A. aangewend voor de bedrijfsvoering van bedrijf 7 Real Estate & Construction Company N.V. en bedrijf 8 Trading N.V. en is er sprake van witwassen door het voorhanden hebben en omzetten van van misdrijf afkomstig geld.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is de vraag of verdachte als pleger van dit onderdeel van de tenlastelegging kan worden aangemerkt.

Uit het dossier volgt dat bedrijf 6 International S.A. bij de UBS bank AG in Zwitserland staat geregistreerd als zetelend te Panama. In het klantdossier is een formulier ‘Feststellung des wirtschaftlich Berechtigten’ aangetroffen waarin verdachte als Ultimate Beneficial Owner van bedrijf 6 International S.A. wordt aangeduid. In het formulier ‘Profil für Kunden von Finanzintermediären-Sitzgesellschaften’ staat verdachte eveneens als uiteindelijke gerechtigde vermeld maar ook als oprichter van bedrijf 6 International S.A.. Het voorgaande wordt bevestigd door de verklaring naam 1, een financiële tussenpersoon in Zwitserland, die heeft verklaard dat verdachte de Ultimate Beneficial Owner is van bedrijf 6 International S.A. Hoewel verdachte bij de politie zijn betrokkenheid bij bedrijf 6 International S.A. heeft ontkend, is deze (blote) ontkenning in het licht van voormelde formulieren niet aannemelijk.. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte degene is die uiteindelijke gerechtigde is en de feitelijke zeggenschap had over bedrijf 6 International S.A.

Naast de Ultimate Beneficial Owner van bedrijf 6 International S.A. was verdachte blijkens het handelsregister ook bestuurder en enig aandeelhouder van bedrijf 7 Real Estate & Construction Company N.V. en bedrijf 8 Trading N.V.

Dat verdachte feitelijk zeggenschap had binnen deze ondernemingen wordt bevestigd door de verklaring van naam 2, dat hij in opdracht van verdachte de facturen van bedrijf 6 International S.A. moest opmaken, en volgt tevens uit faxberichten van verdachte aan naam 1 dat de bedragen die als leningen aan bedrijf 7 Real Estate & Construction Company N.V. en bedrijf 8 Trading N.V. werden verstrekt in opdracht van verdachte werden overgeboekt.

Uit het voorgaande volgt dat de verwevenheid tussen verdachte en zijn ondernemingen dusdanig is dat de handelingen, die op naam van bedrijf 6 International S.A., bedrijf 7 Real Estate & Construction Company N.V. en bedrijf 8 Trading N.V hebben plaatsgevonden, toe te rekenen zijn aan verdachte en dat hij dus als pleger van het witwassen van een bedrag van €975.000 kan worden aangemerkt.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte zich in de periode van 28 november 2008 tot en met 2 mei 2011 schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een bedrag van €975.000.

De rechtbank acht het ten laste gelegde medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Gedachtestreepje 3

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat dit onderdeel van de tenlastelegging ziet op 46 contante bedragen van in totaal €103.360, die in de periode 1 oktober 2012 tot en met 31 december 2014 op de Belgische privé bankrekeningen door de dochter van verdachte, dan wel middels haar bankpas, zijn gestort.

De verdediging heeft aangevoerd dat de contante stortingen spaargeld betroffen. Zijn dochter bracht deze bedragen, met een gemiddelde van €2.247, zo nu en dan naar de bank indien er bancaire betalingen moesten worden verricht.

De rechtbank stelt voorop dat niet concreet blijkt van aanwijzingen dat deze door het Openbaar Ministerie als onverklaarbaar aangeduide contante stortingen, geld betreffen dat uit enig misdrijf afkomstig is.

Mede gelet op hetgeen ter terechtzitting door de verdediging is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat bij gebreke van direct bewijs voor de ‘criminele herkomst’ van de contante geldbedragen, in aanmerking genomen de hoogte van deze bedragen en gelet op de duidelijke en consistente verklaring van verdachte ten aanzien van de herkomst van dit geld, de verklaring van verdachte niet op voorhand als volstrekt onaannemelijk kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal verdachte derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Gedachtestreepje 4

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat dit onderdeel van de tenlastelegging ziet op (de afwaardering van) een vordering van bedrijf 5 (handelsnaam van de rechtspersoon bedrijf 4 N.V.) door bedrijf 1 B.V.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit van dit onderdeel van de tenlastelegging. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte zijn accountants nadrukkelijk op de hoogte had gesteld dat de betalingen door bedrijf 5 N.V. zouden worden verricht aan bedrijf 7 Real Estate & Construction Company N.V. Dat deze betalingen vervolgens niet juist werden verwerkt in de jaarrekeningen en aangiftes, wist verdachte niet. Abusievelijk werd er geen gecorrigeerde aangifte ingediend bij de belastingdienst en is van belastingfraude geen sprake.

De verdediging komt tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van een voorwerp dat uit misdrijf afkomstig is en dat er geen verbergend of verhullend element aanwezig is. Er is juist vooraf transparantie betracht door verdachte.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het witwassen van het bedrag van €566.729 en te veroordelen ter zake het witwassen van het bedrag van €309.000.

De rechtbank stelt voorop dat zij met de verdediging en de officier van justitie van oordeel is dat niet concreet blijkt van aanwijzingen dat het bedrag van €566.729 uit enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het witwassen van dit bedrag.

Ten aanzien van het witwassen van een bedrag van €309.000 overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de boekhouding van bedrijf 1 B.V. blijkt dat in 2013 en 2014 een vordering over de jaren 2010-2012 op bedrijf 5 is opgenomen van €566.729.

Tevens werd in de boekhouding van bedrijf 1 B.V. een op 18 augustus 2014 door verdachte ondertekend gesprekverslag aangetroffen, van een gesprek dat op dezelfde datum had plaatsgevonden tussen verdachte, medeverdachte 1, getuige 1 en mr. advocaat. In dit verslag stond onder meer vermeld dat bedrijf 5 niet aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen. Naar aanleiding van de ontvangst van dit verslag werd blijkens de verklaring van naam 3, één van de accountants van bedrijf 1 B.V., een voorziening voor oninbaarheid gevormd voor een bedrag van €566.729. De vordering op bedrijf 5 werd daarmee feitelijk gewaardeerd op nihil. De vorming van deze voorziening werd ten laste gelegd van het (fiscale) resultaat 2013 van bedrijf 1 B.V. Ook in de aangifte vennootschapsbelasting over 2013 werd de vorming van de voorziening als bedrijfslasten meegenomen.

In de op Aruba in beslag genomen (financiële) administratie van de rechtspersoon bedrijf 7 Real Estate & Construction Company N.V. werden documenten aangetroffen waarin de financiële verwerking van de schuld van bedrijf 5 aan bedrijf 1 B.V. is uitgewerkt. Zo werd onder andere een notitie aangetroffen, die op 28 juli 2013 was ondertekend door verdachte waarin verdachte het volgende richting naam 4 bevestigt:

“Dat de heer medeverdachte 1, directeur van bedrijf 5 in 2012, gevraagd is de schuld die bedrijf 5 heeft aan bedrijf 1 BV te betalen aan bedrijf 7 om zo mede de bouw van de nieuwe appartementen te financieren. De betalingen zullen worden verwerkt als geldlening van verdachte aan bedrijf 7 en bij bedrijf 1 BV als betaling van bedrijf 5 en opname van verdachte in rekening courant. De heer medeverdachte 1 staat bij mij als betrouwbaar bekend en is al jaren een handelsrelatie van bedrijf 1 ".

Uit de administratie van bedrijf 7 Real Estate & Construction Company N.V. kwam voorts naar voren dat de afwikkeling daar daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en dat een bedrag van 617.288 AWG (omgerekend circa €309.000) is ontvangen van bedrijf 5. Ook blijkt uit de administratie dat een gedeelte van deze ontvangsten in de administratie van bedrijf 7 Real Estate & Construction Company N.V. als schuld aan verdachte is opgenomen. Blijkens de verklaringen van naam 5 en verdachte zelf was verdachte op de hoogte van deze betalingen door bedrijf 5.

In de administratie van bedrijf 1 B.V. werden deze betalingen van bedrijf 5 echter niet opgenomen en dus ook niet in mindering gebracht op de vordering op bedrijf 5. naam 6 en naam 3 verklaarden dat zij in eerste instantie niet wisten dat er betalingen hadden plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat de financiële verwerking van de vordering van bedrijf 1 B.V. op bedrijf 5 niet eenduidig is verwerkt in de boekhouding van bedrijf 1 B.V. en bedrijf 7 Real Estate & Construction Company N.V. Nu er wel betalingen plaatsvonden door bedrijf 5, had het openstaande saldo van de vordering in de boekhouding van bedrijf 1 B.V. verlaagd moeten worden met €309.000. Dit geldt ook voor de in de boekhouding van bedrijf 1 B.V. opgenomen voorziening voor oninbaarheid. Ook werd het in de jaarrekening en de aangifte vennootschapsbelasting van bedrijf 1 B.V. opgenomen resultaat over 2013 minimaal €309.000 te laag gepresenteerd.

Het op 18 augustus 2014 opgestelde gespreksverslag was naar het oordeel van de rechtbank eveneens niet conform de waarheid. Verdachte wist op dat moment al dat, conform de door zijn aan naam 4 gerichte notitie van 28 juli 2013, bedrijf 5 betalingen had verricht. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan (in elk geval) valsheid in geschrift. Tevens werd door verdachte informatie over betalingen van bedrijf 5 aan bedrijf 7 Real Estate & Construction Company N.V. achtergehouden voor de accountants waardoor deze betalingen van bedrijf 5 verricht aan bedrijf 7 Estate & Construction Company N.V. en bedoeld voor bedrijf 1 B.V. niet werden verwerkt in de administratie van bedrijf 1 B.V. Derhalve is de administratie van bedrijf 1 B.V. opzettelijk onjuist. Door onterecht de voorziening dubieuze debiteuren op te nemen in de administratie van bedrijf 1 B.V. werd ook weer valsheid in geschrifte gepleegd.

Door de betalingen van bedrijf 5 van in totaal €309.000, die bedoeld waren voor bedrijf 1 B.V. in de administratie van bedrijf 7 Real Estate & Construction N.V. op te nemen, werd de werkelijke aard en herkomst van het bedrag van €309.000 verhuld en werd dit uit misdrijf afkomstige bedrag witgewassen.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is de vraag of verdachte als pleger van dit onderdeel van de tenlastelegging kan worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank was verdachte namens zijn ondernemingen bedrijf 1 B.V. en bedrijf 7 Real Estate & Construction Company N.V. persoonlijk betrokken bij de vordering op bedrijf 5. Blijkens de verklaring van naam 5 was verdachte op de hoogte van de betalingen van bedrijf 5 aan bedrijf 7 Real Estate & Construction Company N.V. Voorts heeft verdachte deelgenomen aan het op 18 augustus 2014 gevoerde gesprek tussen medeverdachte 1, getuige 1 en mr. advocaat waarbij de oninbaarheid van de vordering op bedrijf 5 werd besproken terwijl hij op dat moment al wist dat er betalingen hadden plaatsgevonden door bedrijf 5.

Uit het voorgaande volgt dat de verwevenheid tussen verdachte en zijn ondernemingen dusdanig is dat de handelingen die op naam van bedrijf 1 B.V. en bedrijf 7 Estate & Construction Company N.V. hebben plaatsgevonden toe te rekenen zijn aan verdachte en dat hij derhalve als (mede)pleger van het witwassen van een bedrag van €309.000 kan worden aangemerkt.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte zich op 31 december 2013 tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een bedrag van €309.000.

Gedachtestreepjes 5 en 10

De verdediging heeft vrijspraak van dit onderdeel van de tenlastelegging bepleit. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat zij de startinformatie afkomstig uit het onderzoek Tunis niet heeft kunnen toetsen. Dit maakt dat er strijd is met de algemene beginselen van een eerlijk proces en met het bepaalde in artikel 6 EVRM. De telefoongesprekken tussen medeverdachte 1 en verdachte, die hebben geleid tot de huidige verdenking, moeten dus van het bewijs worden uitgesloten, net als de vruchten van deze taps waaronder de verklaringen van verdachte.

De rechtbank overweegt de oorsprong van het onderzoek ‘26Fluor’ in Nederland is gelegen in informatie verkregen uit het Arubaanse onderzoek ‘Tunis’. Het interstatelijke vertrouwensbeginsel brengt met zich dat Nederland in beginsel vertrouwt op de juistheid van informatie die ander land verstrekt. Dit beginsel lijdt slechts uitzondering indien een op feiten en omstandigheden gebaseerd gegrond vermoeden bestaat dat sprake is van een flagrante schending van de fundamentele rechten van de verdachte zoals deze worden gewaarborgd in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dat daar in dit geval sprake van zou zijn, is gesteld noch gebleken. De Nederlandse autoriteiten mochten afgaan op de startinformatie van de Arubaanse opsporingsautoriteiten en op grond daarvan mocht een opsporingsonderzoek in Nederland worden ingesteld. De bedoelde onderliggende stukken behoefden daarom niet aan de verdediging te worden verstrekt. Het verweer wordt verworpen.

Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat medeverdachte 3 in de maand september 2014 vijf keer in opdracht van naam 7 een grote hoeveelheid contant geld, verpakt in (supermarkt)tassen, per auto van Amsterdam naar Roermond heeft vervoerd. Nadat medeverdachte 3 telefonisch contact had gehad met medeverdachte 4, droeg hij de tassen met geld aan haar over bij de outlet in Roermond. Medeverdachte 4, die het geld in opdracht van verdachte moest ophalen, gaf het geld aan verdachte. Vervolgens verstopte verdachte dit geld in de kipproducten die per container naar Aruba werden vervoerd. Verdachte heeft bekend dat hij op verzoek van medeverdachte 1 betrokken is geweest bij het geldtransport van €2.833.340 dat had plaatsgevonden in de periode 7 juni 2015 tot en met 23 juni 2015 en dat hij betrokken was geweest bij een eerder geldtransport van een bedrag van ongeveer €4.000.000 dat had plaatsgevonden in de periode van 11 maart 2014 tot en met 31december 2014.

De rechtbank is van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is nu verdachte contant geld heeft aangenomen en vervoerd onder omstandigheden die als zogenoemde typologieën van - en daarmee kenmerkend voor - witwassen zijn aan te merken. Verdachte heeft grote geldbedragen verpakt in kiprollades. Deze wijze van vervoer van grote geldbedragen is hoogst ongebruikelijk en gaat gepaard met aanzienlijke veiligheidsrisico’s. Crimineel geld maakt het kennelijk de moeite waard dat risico te lopen. Daarnaast is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld.

Verdachte heeft geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring gegeven waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de contante geldbedragen een legale herkomst zou hebben. Dat betekent dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich tezamen met anderen in de periode van 11 maart 2014 tot en met 31 december 2014 schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een bedrag van ongeveer €4.000.000 en in de periode 7 juni 2015 tot en met 23 juni 2015 van een bedrag van €2.833.340.

Gedachtestreepjes 7, 8 en 9

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de gedachtestreepjes 7 tot en met 9 zien op contante geldstortingen op Kroatische bankrekeningen op naam van verdachte.

De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van een bewezenverklaring.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Gebleken is dat verdachte op 3 november 2014 in het bijzijn van medeverdachte 4, die als tolk fungeerde, een tweetal bankrekeningen heeft geopend bij de Kroatische bank HPB te Makarska. Het betrof een depositorekening met nummer rekeningnummer 1 en een betaalrekening met nummer rekeningnummer 2, waarvoor medeverdachte 4 werd gemachtigd. Tijdens het bezoek aan de bank had verdachte een tas bij zich met daarin contant geld dat vacuüm was verpakt in plastic zakjes. In totaal betrof het een bedrag van

€250.000, voornamelijk bestaande uit bankbiljetten van €100. Dit bedrag werd vastgezet op een termijndeposito voor een periode van 1 jaar en een bedrag van €50.000 werd gestort op de betaalrekening.

Op 24 november 2014 bezochten verdachte en medeverdachte 4 wederom de Kroatische bank HPB in Makarska. Ditmaal opende verdachte een bankrekening in Kroatische valuta.

Op 2 maart 2015 stortte verdachte, in het bijzijn van medeverdachte 4, een bedrag van in totaal €510.000. Het bedrag bestond uit 29 biljetten van 500 euro, 5 van 200 euro, 363 van 100 euro, 5.357 van 50 euro, 9.125 van 20 euro, 779 van 10 euro en 12 van 5 euro. Het geld was ook ditmaal vacuüm verpakt in plastic zakjes.

Tevens vond op 2 juni 2015 een storting plaats van een bedrag van €17.000 Dezelfde dag machtigde verdachte medeverdachte 5, de moeder van medeverdachte 4, voor de vreemde valutarekening.

De rechtbank is van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is nu verdachte ook dit contante geld heeft vervoerd en gestort onder omstandigheden die, zoals hiervoor al is overwogen als zogenoemde typologieën van - en daarmee kenmerkend voor - witwassen zijn aan te merken.

Verdachte heeft geen verifieerbare gegevens verstrekt waaruit met een voldoende mate van zekerheid kan worden afgeleid dat de gestorte geldbedragen op legale wijze zijn verkregen. Het enkel ter terechtzitting verklaren dat het geld spaargeld betrof, kan als zodanig niet gelden. Dat geldt temeer, nu verdachte zich in dezelfde periode bezighield met het aannemen en vervolgens verpakken van grote hoeveelheden contant geld in kipproducten, zoals hiervoor is overwogen. Daarnaast bevat het dossier geen geloofwaardige aanwijzingen dat de geldbedragen op legale wijze zijn verkregen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de door verdachte en medeverdachte 4 op 3 november 2014, 2 maart 2015 en 2 juni 2015 gestorte gelden uit misdrijf afkomstig zijn. Dit maakt dat verdachte zich tezamen met een ander schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich, al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en) schuldig heeft gemaakt van het witwassen van €975.000, €309.000, €4.000.000, €250.000, €510.000, €17.000 en €2.833.340.

Gelet op de duur van de periode waarin het witwassen heeft plaatsgevonden en de frequentie van de gepleegde handelingen, kan naar het oordeel van de rechtbank worden gesproken over een gewoonte maken van witwassen.
 

Bewezenverklaring

  • medeplegen van gewoontewitwassen
  • gewoontewitwassen
     

Strafoplegging

Een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF