Veroordeling wegens het opzettelijk overtreden van de artt. 5 lid 1 en 7 lid 6 Brzo 2015

Rechtbank Oost-Brabant 22 december 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:6679

Verdachte heeft in de onderhavige zaak in de bewezenverklaarde periode opzettelijk niet alle maatregelen getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken. Als gevolg van de oplopende druk en het loslaten van het membraamdak van de navergister is ongeveer 22.500 m3 biogas naar de buitenlucht geëmitteerd.

Daarnaast heeft verdachte niet voldaan een correcte uitvoering van het preventiebeleid, te weten een veiligheidsbeheerssysteem ten aanzien van de beperking/bestrijding van schuimvorming doordat niet voldaan was aan twee elementen: de organisatie en het personeel en de controle op de exploitatie.

Verdachte maakt onderdeel uit van een internationaal concern bedrijf 3. Door de aard van de werkzaamheden van verdachte behoort verdachte tot de zwaarste categorie risicobedrijven waarbij altijd een dreigend gevaar bestaat voor zware ongevallen. Relatief kleine fouten kunnen enorme gevolgen hebben voor mens en milieu.

De aan de vergunning verbonden voorschriften en het Brzo hebben tot doel om gevaar voor mens en milieu te voorkomen en de veiligheid van haar werknemers te waarborgen. Door deze voorschriften onvoldoende na te leven, heeft verdachte de op haar rustende zorgplicht verzaakt hetgeen de rechtbank kwalijk vindt.
 

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Primair omdat niet kan worden bewezen dat sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat schuld ook niet kan worden bewezen, omdat geen sprake is geweest van een voorzienbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid.
 

Oordeel rechtbank


Feit 1 en 2

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de volgende conclusies. In de periode van 4 tot en met 7 november 2015 was sprake van schuimvorming in één vergister. De schuimvorming werd in eerste instantie onder controle gehouden door het toevoegen van antischuim tot het antischuim op was. Toen is nog geprobeerd het schuim te bestrijden door toevoeging van water, maar dat hielp niet. Daarna is op 7 november 2015 besloten om de voeding naar de vergister te stoppen en het digistaat af te laten naar de navergister, terwijl er geen voorziening was om schuim in de navergister te bestrijden. Door de schuimvorming werkte bovendien de biogasontlastcapciteit van de navergister onvoldoende en was de biogasafvoer stop gezet. Als gevolg daarvan liep de druk in de navergister op en liet op een gegeven moment het dak los, waardoor 22.500 m3 biogas is vrijgekomen.

Er was geen werkinstructie in het kader van het preventiebeleid voor zware ongevallen en een veiligheidsbeheerssysteem hoe te handelen bij schuimvorming.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen zijn verricht in de sfeer van verdachte, in het kader van haar productieproces. De rechtbank is daarom van oordeel dat de door de natuurlijke personen verrichte handelingen, dan wel handelingen die verricht hadden moeten worden, toegerekend kunnen worden aan de rechtspersoon verdachte.
 

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank is van oordeel dat bij verdachte voorwaardelijk opzet kan worden bewezen op het ontstaan van de situatie. Daarvoor is van belang dat verdachte een Brzo-bedrijf is. Voor verdachte gelden de hoogst mogelijke veiligheidsnormen. Alleen al uit hoofde van Brzo heeft verdachte een bijzondere zorgplicht. Er wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen. Onder die omstandigheden mag van verdachte worden verwacht dat zij er alles aan doet om onveilige dan wel gevaarlijke situaties te voorkomen en daarvoor ook aan scenarioplanning doet.

Verdachte heeft in de tenlastegelegde periode te laat onderkend dat sprake van een uitzonderlijke situatie en had op verschillende momenten eerder kunnen ingrijpen en/of opschalen. Verdachte heeft te lang vertrouwd op de normale werkwijze bij schuimvorming, te weten het toevoegen van antischuim. Verdachte heeft eerder wel eens te maken gehad met incidentele, eenvoudig te bestrijden schuimvorming, maar in dit geval duurde de schuimvorming dagenlang voort. Verdachte had dus eerder kunnen en moeten onderkennen dat er geen sprake (meer) was of zou kunnen zijn van een situatie die met de normale acties kon worden beteugeld. Daarom had het toen direct adequate maatregelen moeten nemen, hetgeen, zo staat vast, niet is gebeurd. Er is onvoldoende gecommuniceerd op de werkvloer. Doordat onvoldoende zicht was op de voorraad antischuim en de snelheid waarmee het antischuim in de periode vanaf 4 november 2015 werd verbruikt, heeft zij niet tijdig actie ondernomen en voldoende maatregelen getroffen om het zware ongeval te voorkomen. Ook het ontbreken van een werkinstructie voor de werknemers hoe zij moeten handelen bij schuimvorming - anders dan alleen het bellen van de leidinggevende - is daar debet aan geweest. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de door haar genomen maatregelen onvoldoende zouden zijn om het onderhavige voorval te voorkomen.
 

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verschillende werknemers, getuige 1, persoon 2 en persoon 3 hebben verklaard dat er geen werkinstructie was over hoe zij moesten omgaan met schuimvorming. Er was alleen de (mondelinge) afspraak om de leidinggevende te bellen. Het ontbreken van een dergelijke werkinstructie kan worden toegerekend aan de rechtspersoon. Verdachte heeft hiermee niet volledig voldaan aan de invoering/uitvoering van een veiligheidsbeheerssysteem, ten aanzien van (beperken en bestrijden van) schuimvorming, waarin wordt voldaan aan de elementen i: - de organisatie en het personeel en iii. - de controle op de exploitatie.

De rechtbank is tevens van oordeel dat ook voorwaardelijk opzet bij verdachte kan worden bewezen. Verdachte is een Brzo-bedrijf en heeft daardoor een bijzondere zorgplicht. Onder die omstandigheden mag van verdachte worden verwacht dat zij voldoet aan de correcte uitvoering van het preventiebeleid voor zware ongevallen en voldoet aan alle elementen van een veiligheids- beheersysteem. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat zij daaraan niet voldeed door het ontbreken van een werkinstructie bij schuimvorming.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: overtreding van een voorschrift gesteld krachten artikel 8.40, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon (artikel 5, eerste lid van het Besluit risico zware ongevallen 2015) 
  • Feit 2: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon (artikel 7, zesde lid van het Besluit risico zware ongevallen 2015)
     

Strafoplegging

  • Geldboete van EUR 75.000,00.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF