Veroordeling wegens het indienen van valselijk opgemaakte aanvragen Kinderopvangtoeslag

Gerechtshof Amsterdam 2 oktober 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3187

Verdachte wordt veroordeeld wegens 1) primair medeplegen van oplichting en 2) witwassen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met een ander oplichten van de Belastingdienst door aanvragen Kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst in te dienen, terwijl zij geen recht had op die toeslag. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van de door die oplichting verkregen geldbedragen.

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet had op (het medeplegen van) oplichting van de Belastingdienst en dientengevolge het witwassen van de door die oplichting verkregen geldbedragen. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat zij € 5.000,00 heeft betaald aan de man, John genaamd, die voor haar de aanvraag Kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst heeft verricht. Dit bedrag heeft zij contant bij hem op kantoor voldaan, nadat er € 12.000,00 op haar rekening was gestort. Verdachte heeft hierover verklaard dat zij het aanvankelijk vreemd vond dat zij dit bedrag moest betalen, dat zij John heeft gevraagd of hij niet gewoon salaris ontving voor zijn werk en dat zij eerst ook niet wilde betalen (proces-verbaal van verhoor van verdachte van 14 juli 2011, p. 10 en 11).

Naar het oordeel van het hof had het op de weg van verdachte gelegen gevolgen te verbinden aan de bij haar gerezen twijfel. Door dit na te laten en het geldelijk gewin te laten prevaleren heeft verdachte in ieder geval voorwaardelijk opzet gehad op het medeplegen van oplichting van de Belastingdienst. Voorts leidt het hof uit de verklaring van de verdachte, inhoudende -zakelijk weergegeven- dat zij de geldbedragen van de Belastingdienst heeft uitgegeven (proces-verbaal van verhoor van verdachte van 14 juli 2011, p. 16), af dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van die geldbedragen.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht stukken aan het dossier toe te voegen met betrekking tot het strafrechtelijk onderzoek ‘Triple L’, waarvan de onderhavige zaak deel uitmaakt, indien het hof de verdachte niet volgt in haar verklaring, in het bijzonder met betrekking tot hetgeen de verdachte heeft verklaard over voornoemde John. Nu het hof bij de bewezenverklaring uitgaat van de verklaring van de verdachte, zal het hof geen beslissing nemen op het voorwaardelijk verzoek van de raadsman. Ook overigens is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat toevoeging aan het dossier van stukken uit het onderzoek ‘Triple L’ noodzakelijk is.

Strafoplegging

Het hof neemt, gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS), als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden, dan wel een taakstraf van overeenkomstige duur.

Het hof is van oordeel dat de (beperktere) rol van de verdachte ten opzichte van de mededader bij het onder 1 primair bewezen verklaarde, het feit dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en de vorderingen van het openbaar ministerie in eerste aanleg en in hoger beroep tot oplegging van een taakstraf, in dit specifieke geval, aanleiding vormen te volstaan met oplegging van een taakstraf in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof is evenwel van oordeel dat de door het openbaar ministerie in eerste en tweede aanleg gevorderde en door de rechtbank opgelegde taakstraf van 75 uren onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten. Het hof veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF