Veroordeling wegens het als feitelijk leidinggevende opmaken van valse koopovereenkomst m.b.t. vakantieresort in Montenegro ter invulling van een vervangingsreserve-verplichting

Rechtbank Breda 11 april, LJN BZ6923

De verdenking komt er op neer dat:

  1. primair: Mubavi Sale and Lease Back Company BV op 6 maart 2001, al dan niet samen met anderen, een koopcontract tussen DOBO Inzenjering en voormelde BV (met betrekking tot een te bouwen vakantieresort, project Montenegro) valselijk heeft opgemaakt, en dat verdachte daarbij feitelijk leidinggevende was; subsidiair: voormelde BV op 9 april 2001 samen met anderen een vals bescheid (namelijk voormeld koopcontract) beschikbaar heeft gesteld aan de Belastingdienst en dat verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven; 
  2. Stolker Beheer BV op 11 oktober 2004, al dan niet samen met anderen, opzettelijk een onjuiste aangifte vennootschapsbelasting heeft gedaan en dat verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven; 
  3. Mubavi Real Estate I BV op 13 oktober 2004, al dan niet samen met anderen, opzettelijk een onjuiste aangifte Vpb heeft gedaan en dat verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven; 
  4. Inflation Exchange Fund (Vastgoed) I BV op 18 december 2003, al dan niet samen met anderen, opzettelijk een onjuiste aangifte Vpb heeft gedaan en dat verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven; 
  5. Mubavi Nederland NV en Kooilust Investments NV op 31 januari 2003, al dan niet samen met anderen, opzettelijk een onjuiste aangifte omzetbelasting hebben gedaan (door vermelding van te hoog bedrag aan “voorbelasting” en “terug te vragen omzetbelasting”) en dat verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven; 
  6. Mubavi Nederland NV en Muhus BV op 31 januari 2003, al dan niet samen met anderen, opzettelijk een onjuiste aangifte OB hebben gedaan (door vermelding van te hoog bedrag aan “voorbelasting” en “terug te vragen omzetbelasting”) en dat verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. 

Verdachte heeft zich als feitelijk leidinggevende van een aantal vennootschappen schuldig gemaakt aan het opmaken van een valse koopovereenkomst en het doen van valse aangiftes Vennootschapsbelasting.

Met name de feiten 1, 2 en 3 acht de rechtbank ernstig. Verdachte heeft ter invulling van een vervangingsreserve-verplichting een koopovereenkomst met betrekking tot het project Montenegro laten opmaken waarin een verkeerde voorstelling van zaken wordt gegeven. Volgens de overeenkomst zou sprake zijn van een concreet vakantieresort, van documentatie met betrekking tot een concreet ontwerp, van onderhandelingen over de grondprijs en van een samenwerkingsverband met de plaatselijke autoriteiten, terwijl er in werkelijkheid alleen nog maar plannen bestonden om een vakantieresort op te zetten. Van enige verplichtingen over en weer is niet gebleken.

Het doel van het opmaken van deze overeenkomst kan geen andere geweest zijn dan om deze te gebruiken bij het doen van de aangiften Vpb van een tweetal vennootschappen en daardoor de Belastingdienst op het verkeerde been te zetten, en zo het project Montenegro als vervangende investering in het kader van de vervangingsreserve geaccepteerd te krijgen. Dit was nodig om de in gang gezette reeks van herinvesteringsreserves in stand te houden en daarmee, zo moet op basis van het dossier worden geconcludeerd, de verlenging van het voortbestaan van de Mubavigroep althans een aanzienlijk deel daarvan.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het doen van een onjuiste aangifte vennootschapsbelasting door het als feitelijk leidinggevende opzettelijk onterecht opnemen van de willekeurige afschrijving van een onroerende zaak te Beek.

De rol die verdachten hebben gespeeld bij de diverse feiten is verschillend. Op grond van hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard en uit hetgeen zich in het dossier bevindt, komt de rechtbank tot de bevinding dat met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten 1 tot en met 3 verdachte en zijn broer als initiatiefnemers moeten worden beschouwd. Zij zijn degenen die het idee hebben ontwikkeld en activiteiten hebben ondernomen om dat idee uit te werken. Verdachte (mededader 1) is bij het project Montenegro pas wezenlijk betrokken geraakt toen de aangiftes vennootschapsbelasting werden ingediend. Het verwijt dat hem naar het oordeel van de rechtbank daarbij echter voornamelijk kan worden gemaakt is dat hij onvoldoende controle heeft uitgeoefend toen hij de aangiftes deed. Dat verwijt is echter van een geheel andere orde dan het verwijt dat aan verdachte en zijn broer kan worden gemaakt. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat, alhoewel mededader 1 directeur en leidinggevende was van de vennootschappen die in deze zaak een rol spelen, de toon werd gezet door verdachte en zijn broer.

Bovendien is van belang dat mededader 1 in mindere mate dan verdachte belang hadden bij de Montenegro-constructie. Weliswaar stond bij het niet geaccepteerd worden van de door verdachte en zijn broer opgezette constructie mogelijk het voortbestaan van diverse vennootschappen op het spel, maar daardoor zou vooral verdachte als (indirect) aandeelhouder worden benadeeld. Voor mededader 1 was dan echter wel hun baan in het geding.

Rekening houdende met de termijnoverschrijding zal de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van voorarrest opleggen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF