Omkoping brigadier van politie. Inzet pseudokoop/pseudokopers.

Rechtbank Utrecht 3 april 2013, LJN BZ6994

Verdenking

De verdenking komt er op neer dat verdachte:

  • feit 1 primair: in de periode van 3 mei 2012 tot en met 28 mei 2012 een politieambtenaar, medeverdachte, heeft omgekocht teneinde die medeverdachte, in strijd met diens geheimhoudingsplicht, een kenteken na te laten trekken in de politiesystemen en € 50,00 voor de verkregen vertrouwelijke informatie aan die medeverdachte heeft betaald;
  • feit 1 subsidiair: deze ambtenaar heeft uitgelokt tot het verstrekken van vertrouwelijke gegevens afkomstig uit politiesystemen;
  • feit 2: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 2 mei 2012 telkens politieambtenaar medeverdachte heeft uitgelokt tot het schenden van zijn ambtsgeheim en tot het verstrekken van vertrouwelijke gegevens afkomstig uit politiesystemen.

Ontvankelijkheid officier van justitie 

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte door de politie is ingezet bij de pseudokoop, zonder dat er tegen verdachte een redelijke verdenking bestond. Voorts is verdachte uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten om zodoende bewijs tegen medeverdachte te verkrijgen.

Rechtbank: In de zaak tegen medeverdachte werd een bevel pseudokoop afgegeven teneinde in contact te komen met medeverdachte om zodoende bewijs te verzamelen dat medeverdachte zich bezighield met handelingen in strijd met zijn ambtsplicht.

Daarop ontstond er contact tussen de pseudokoper en – de latere medeverdachte - verdachte. Vanaf het moment dat verdachte in beeld kwam als mogelijke verdachte ter zake het plegen van strafbare feiten, te weten het tegen betaling verkrijgen van vertrouwelijke informatie van een politieagent, werd verdachte eveneens als verdachte aangemerkt. Toen is er ten aanzien van verdachte een apart bevel pseudokoop opgemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat er op grond van voornoemde feiten en omstandigheden sprake was van voldoende gronden en een redelijk vermoeden van schuld om verdachte als verdachte aan te merken. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat op het moment dat het middel van pseudokoop werd ingezet, verdachte inderdaad nog geen verdachte was. De verdenking bestond immers tegen medeverdachte medeverdachte en het bevel was dan ook tegen hem gericht. In het kader daarvan heeft de pseudokoper (toevalligerwijs) contact gelegd met verdachte. Daarvoor was op dat moment niet vereist dat verdachte verdachte was. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Uitlokking/Tallon criterium 

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van schending van het Tallon criterium, artikel 126i lid 2 Sv.

Uit de processen-verbaal van bevindingen van agent verbalisant B volgt dat verdachte, gaande het gesprek met verbalisant B d.d. 13 mei 2012, zelf met het gegeven komt dat hij, via een politieman, een kenteken kan laten checken. Uit het dossier volgt niet dat verdachte zou zijn uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

De rechtbank acht de officier van justitie dan ook ontvankelijk in zijn vervolging, nu geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Strafuitsluiting of bewijsuitsluiting is om dezelfde reden evenmin aan de orde.

Beoordeling van het bewijs 

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

Verdachte betwist dat hij medeverdachte heeft betaald. Verdachte voelde zich ten tijde van zijn verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris onder druk gezet en was verward. Verdachte had diverse (psychische) problemen, schulden en een gokverslaving.

Oordeel rechtbank 

Feit 1 

Vast staat dat de politie in het onderzoek naar de verdenking betreffende verdachte en zijn medeverdachte medeverdachte, destijds brigadier van politie, gebruik heeft gemaakt pseudokoop, waarbij twee verbalisanten,verbalisant Aen verbalisant B, zijn ingezet als pseudokopers.

In het BVH politiesysteem wordt een verzonnen registratie geplaatst, onder andere inhoudende dat er een melding van een beveiligingsbedrijf was dat de inzittenden van een voertuig, een Landrover, kenteken kenteken zich verdacht hadden gedragen bij een loods in Den Dolder. In het voertuig zaten een blanke man en twee vermoedelijke Antilliaanse personen. Uit onderzoek in Brabant bleek dat de inzittenden betrokken waren geweest bij het rippen van hennepkwekerijen. Het voertuig betrof een Lease auto. Aan verbalisant B werd alleen meegedeeld dat om een donkerkleurige zwarte terreinwagen.

Op 13 mei 2012 vond er een ontmoeting plaats tussen verbalisant B enverdachte(de rechtbank begrijpt: verdachte verdachte). Tijdens de ontmoeting gaf verdachte aan dat hij een kenteken kon laten checken door een agent. Op 15 mei 2012 overhandigde A-4363 een papiertje aan verdachte met daarop het kenteken kenteken met de mededeling dat het om een donkere terreinwagen ging. Op 16 mei 2012 werd in het P info systeem van de politie het kenteken kenteken tweemaal door medeverdachte medeverdachte bevraagd. Op 16 mei 2012 is er telefonisch contact met verdachte. verdachte zegt dat hij die gozer heeft gezien en dat hij anderhalve meijer vraagt voor die scooter. Verdachte heeft verklaard dat met “die scooter” de informatie werd bedoeld die hij voor naam (de rechtbank begrijpt: agent verbalisant B) had. Op 17 mei 2012 vond er een ontmoeting plaats tussen verbalisant B en verdachte. verdachte vroeg of het klopte dat het om een Landrover gaat. verdachte zei dat er twee negers en een blanke in rijden en dat die gasten zich bezig houden met rippen. Twee weken geleden zijn zij door de beveiliging gezien bij een Loods. verdachte zegt dat de agent om honderdvijftig euro had gevraagd, maar dat hij de agent € 50,00 had betaald.

Medeverdachte heeft verklaard dat van verdachte (verdachte verdachte) een papiertje met daarop een kenteken had gekregen. Later had hij naar aanleiding van dat papiertje in zijn Black Berry gekeken. De dag erna had hij tegen verdachte – onder andere – gezegd dat het foute boel was en dat het rippers waren.

Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte hem de informatie had gegeven die hij, verdachte, aan naam had verstrekt. Hij had medeverdachte € 50,00 betaald voor die informatie.

De rechtbank acht op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte € 50,00 heeft betaald aan politieambtenaar medeverdachte, teneinde deze er toe te brengen om, in strijd met zijn plicht, in de politiesystemen een kenteken te bevragen en zodoende vertrouwelijke informatie aan verdachte te verstrekken.

De rechtbank acht, anders dan de raadsvrouw, de verklaring van verdachte betreffende de betaling van € 50,00 aan medeverdachte betrouwbaar.

Verdachte heeft in zijn derde verklaring bij de politie gedetailleerd verklaard over te betalen bedragen en hetgeen hij uiteindelijk had betaald. Deze verklaring wordt grotendeels ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant B, betreffende de inhoud van zijn contacten met verdachte op 16 en 17 mei 2012. Voorts heeft verdachte tegenover de rechter-commissaris eveneens verklaard dat hij medeverdachte € 50,00 had betaald.

In het dossier bevinden zich geen aanknopingspunten waaruit afgeleid kan worden dat verdachte ten tijde van zijn verhoren bij de politie en de rechter-commissaris onder druk is gezet. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting, dat hij niet meer weet wat hij de politie verteld heeft, dit deels verzonnen heeft en dat de politie er nog wat bij verzonnen acht de rechtbank niet geloofwaardig.

Feit 2

De rechtbank heeft dit deel van de tenlastelegging opgevat als betrekking hebbende op het incident waarbij verdachte refereert aan ‘de negers waar hij problemen mee had.’

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder feit 2 ten laste is gelegd.

Het dossier bevat daartoe onvoldoende aanwijzingen. De verklaring van verdachte vindt op dit punt geen enkele steun in het dossier. Voorts is niet gebleken van enig nader onderzoek naar mogelijke raadplegingen van medeverdachte medeverdachte in de politiesystemen op dit punt.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring

Feit 1 primair: aan een ambtenaar een gift doen aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht iets te doen.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een werkstraf van 140 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF