Veroordeling wegens fraude met omzetbelasting

Rechtbank Den Haag 16 mei 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:6047

Ten name van bedrijf 1 B.V. zijn aangiften omzetbelasting digitaal aan de Belastingdienst verstuurd vanaf IP-adres. Dit IP-adres is gekoppeld aan medeverdachte, adres 2, zijnde het bedrijfsadres van bedrijf 1.

Over de tijdvakken januari 2011, februari 2011, maart 2011, april 2011, mei 2011, juni 2011 en juli 2011 zijn bij de Centrale Administratie van Belastingdienst te Apeldoorn digitaal aangiften omzetbelasting ten name van bedrijf 1 binnengekomen. De Belastingdienst heeft deze aangiften omzetbelasting op resp. 3 maart 2011, 5 april 2011, 11 mei 2011, 3 juni 2011, 4 juli 2011, 10 augustus 2011 en 20 september 2011 ontvangen. Medeverdachte heeft deze aangiften omzetbelasting verzorgd vanaf het kantooradres van bedrijf 1. In de aangiften over januari 2011, maart 2011, april 2011, mei 2011, juni 2011 en juli 2011 zijn te hoge bedragen aan voorbelasting opgenomen. Hierdoor is ongeveer € 363.000 te weinig omzetbelasting van bedrijf 1 geheven.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is wat de rol van verdachte bij het doen van de onjuiste aangiften omzetbelasting is geweest.

Bewijs rechtmatig verkregen?

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het bewijs in deze zaak onrechtmatig is verkregen en niet kan dienen als bewijs in deze strafzaak. Daartoe heeft de verdediging – kort en zakelijk - het volgende aangevoerd.

Het boekenonderzoek en de vragenbrieven van de Belastingdienst zijn in strijd met artikel 6 van het EVRM. Immers, voorafgaand aan het boekenonderzoek bestond er een redelijk vermoeden dat bedrijf 1 B.V. zich schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit. Nu er reeds een verdenking bestond, hadden de vertegenwoordigers van bedrijf 1 voorafgaand aan het boekenonderzoek en de vragenbrieven de cautie moeten krijgen. Verdachte en bedrijf 1 zijn echter onder bedreiging van strafrechtelijke vervolging gedwongen stukken af te geven en informatie te verstrekken die enkel strafrechtelijke vervolging tot doel hadden. Deze stukken en de verklaringen van de vertegenwoordigers van bedrijf 1 zijn derhalve onrechtmatig verkregen, hetgeen moet leiden tot bewijsuitsluiting. Omdat al het verdere bewijs rechtstreeks hieruit is voortgevloeid, dient ook dit bewijs - als ‘verboden vruchten’ van het onrechtmatige onderzoek - van het bewijs te worden uitgesloten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat tijde van het boekenonderzoek nog geen redelijk vermoeden van een strafbaar feit bestond en dat bedrijf 1 gehouden was om op grond van haar informatieverplichting informatie te verschaffen. Deze informatie bestond onafhankelijk van de wil van bedrijf 1 of verdachte. De verklaringen die zijn afgelegd voordat het strafrechtelijk onderzoek was aangevangen, worden wat de officier van justitie betreft niet tot het bewijs gebezigd.

De beoordeling door de rechtbank

Bedrijf 1 heeft – ter vaststelling van de heffing van belasting – de verplichting om informatie aan de Belastingdienst te verschaffen op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Zowel informatie waarvan het bestaan niet afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (wilsonafhankelijk materiaal) als informatie waarvan het bestaan wel afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (wilsafhankelijk materiaal) mag worden afgedwongen voor belastingheffingsdoeleinden.

In zijn arrest van 12 juli 2013 heeft de Hoge Raad in onderdeel 3.6 overwogen dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie samenhangt met het zwijgrecht, hetgeen meebrengt dat dit verbod zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van bewijsmateriaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar geldt als wilsonafhankelijk materiaal. Uit rechtspraak van het EHRM - de rechtbank begrijpt dat ook Chambaz/Zwitserland hieronder wordt geschaard - blijkt niet dat van dit uitgangspunt is teruggekomen, aldus de Hoge Raad. Nu de gevoerde administratie en de daarin opgenomen facturen informatie betreft die onafhankelijk van de wil van bedrijf 1 en verdachte bestaat, is het opvragen van dergelijke informatie naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met artikel 6 EVRM en kan deze informatie als bewijs in een strafprocedure worden betrokken (vergelijk HR 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY3272).

Aan de beoordeling of het wilsafhankelijke materiaal – te weten: de verklaringen van verdachte in het kader van het boekenonderzoek en de beantwoording van het verzoek om nadere informatie – van bewijs in deze strafzaak uitgesloten dient te worden, komt de rechtbank niet toe, omdat dit wilsafhankelijke materiaal niet tot het bewijs zal wordt gebezigd. De rechtbank zal slechts de verklaringen gebruiken die zijn afgelegd nadat de cautie is gegeven. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

Ter zitting heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat het door de raadsman aangevoerde ook niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Bewijsoverwegingen

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte gericht op belastingfraude dan wel een opdracht van verdachte aan medeverdachte, en dat verdachte geen feitelijk leiding aan de verboden gedragingen heeft gegeven, omdat hij op dat gebied geen formele of feitelijke beschikkingsmacht had en niet willens en weten de kans heeft aanvaard dat medeverdachte een onjuiste belastingaangifte zou doen.

Het oordeel van de rechtbank

Medeverdachte heeft als volgt verklaard over het indienen van de onjuiste aangiften omzetbelasting: “verdachte en ik hebben in overleg besloten om onjuiste aangiften omzetbelasting in te dienen waardoor we meer financiële ruimte kregen. (…) Maandelijks berekenden verdachte en ik wat we aan extra geld nodig hadden om aan onze verplichtingen te voldoen. Deze verplichtingen betrof eveneens ons salaris. (…) Ik heb maandelijks met verdachte besproken hoeveel er aan voorbelasting bij geplust moest worden. Ik stuurde verdachte dan een e-mail of besprak dit mondeling met wat de kosten waren en hoeveel er via de voorbelasting bij moest om aan onze verplichtingen te kunnen voldoen. verdachte gaf mij altijd toestemming om de onjuiste aangifte over de genoemde maanden in te dienen.”

Verdachte en medeverdachte hebben, voordat zij samenwerkten in bedrijf 1, samengewerkt bij het bedrijf 2. Verdachte was bij bedrijf 2 bestuurder en medeverdachte boekhouder. Verdachte was bij de oprichting formeel bestuurder en aandeelhouder van bedrijf 1. In verband met de afwikkeling van het faillissement van bedrijf 2 heeft verdachte zijn aandelen in bedrijf 1 overgedragen aan medeverdachte en is medeverdachte bestuurder geworden. Er bestond namelijk het risico dat crediteuren van bedrijf 2 beslag zouden leggen op de aandelen van verdachte in bedrijf 1. De rolverdeling tussen verdachte en medeverdachte veranderde daardoor niet. Verdachte en medeverdachte hebben het bedrijf samen geleid, hij was samen met medeverdachte feitelijkleidinggever van bedrijf 1, aldus verdachte.

Verdachte heeft ter terechtzitting voorts verklaard dat medeverdachte met een tijdelijke oplossing kwam om hun liquiditeitsproblemen op te lossen, namelijk door het ‘schuiven’ met de omzetbelasting tussen verschillende aangifteperioden. Verdachte verklaarde dat hij dacht dat ze daar alleen een boete voor konden krijgen en dat ze het konden rechttrekken als ze een ‘klapper’ in de omzet zouden maken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in bewuste en nauwe samenwerking met medeverdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan bedrijf 1, ook ten aanzien van het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Verdachte heeft ermee heeft ingestemd dat er meer omzetbelasting door bedrijf 1 aan de Belastingdienst werd teruggevraagd dan waar bedrijf 1 recht op had terwijl hij wist dat dit kon leiden tot een boete. Vervolgens heeft hij niet ingegrepen toen bleek dat de ‘klapper’ uitbleef. Onder deze omstandigheden maakt het strafrechtelijk geen verschil dat verdachte niet zelf de aangiften omzetbelasting heeft ingediend.

Bewezenverklaring

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF