Veroordeling wegens feitelijk leidinggeven valsheid in geschrifte door rechtspersoon. Persoonlijke omstandigheden rechtvaardigen lagere straf dan eerste aanleg.

Gerechtshof Amsterdam 3 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1808

Verdachte heeft feitelijk leiding gegeven aan valsheid in geschrifte, gepleegd door bedrijf 1. Verdachte heeft valse urenbriefjes in de bedrijfsadministratie van deze vennootschap (doen) opnemen. 

Daarnaast heeft de verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door grote geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig te verwerven, voorhanden te hebben en over te maken dan wel fysiek te vervoeren naar het buitenland. 

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair: valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.
  • Feit 2 primair: medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
  • Feit 3: als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafoplegging 

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd voor de duur van drie jaren.

De raadsman heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De onderhavige zaak heeft diepe sporen achtergelaten bij de verdachte. Op alle goederen die de verdachte bezat is inmiddels beslag gelegd door de fiscus.

Hij kan zijn schuldeisers, waaronder de Belastingdienst, niet meer betalen en de schulden lopen alleen maar op. Zeer recent is de echtgenote van de verdachte overleden en sindsdien draagt hij alleen de zorg voor zijn minderjarige kinderen. De verdachte is zijn woning kwijt. Indien aan hem een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, zal hij ook zeker zijn baan verliezen.

Voorts heeft de raadsman verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het tijdsverloop sinds het ten laste gelegde. De overschrijding van de redelijke termijn dient te worden verdisconteerd in de op te leggen straf. Tot slot heeft de raadsman verwezen naar de aanzienlijk lagere straffen die aan de inmiddels onherroepelijk veroordeelde medeverdachten zijn opgelegd.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden (met aftrek) en een taakstraf voor de duur van 240 uur. 

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

 

Print Friendly and PDF