Veroordeling voor oplichting van de voormalige HBU-bank.

Rechtbank Haarlem 7 augustus 2012, LJN BX3791


Verdachte heeft de bank - in strijd met de waarheid - voorgespiegeld dat het bedrijf van verdachte bezig was met een lucratieve aan- en verkoop van een partij textiel, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval bleek te zijn, waardoor de bank een additioneel krediet heeft verstrekt tot een bedrag van € 1,4 miljoen. Hierbij heeft verdachte in strijd met (de bedoeling van) de door de bank gestelde voorwaarden, aan de bank doen voorkomen alsof (ook) het eigen vermogen van het bedrijf werd versterkt, vanuit een andere firma, door het door die firma storten van twee maal een bedrag van € 250.000, terwijl deze stortingen in werkelijkheid afkomstig waren van een derde die, nadat de bank het krediet had verstrekt, buiten het zicht van de bank direct weer werd terugbetaald, zodat van versterking van het eigen vermogen van verdachtes bedrijf feitelijk geen sprake was. Tevens heeft verdachte valse stukken opgesteld of laten opstellen. Deze stukken hielden niet alleen verband met de oplichting, maar ook met een (onduidelijk gebleven) overboeking van de rekening van het bedrijf naar de rekening van een firma in Zwitserland van een bedrag ad € 280.000. Volgens de namens verdachte opgestelde factuur hield deze betaling verband met, wederom, een textieltransactie, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval bleek te zijn. Tot slot heeft verdachte in het zicht van het naderende faillissement van het bedrijf goederen aan de boedel van deze rechtspersoon onttrokken tot een totaalbedrag van ruim € 13.000. Aldus heeft verdachte zichzelf bevoordeeld ten opzichte van de schuldeisers van zijn bedrijf, onder wie werknemers met een loonvordering.

Niet-ontvankelijkheid

De raadsman van verdachte heeft nog bepleit dat het OM niet-ontvankelijk is in de vervolging. Hiertoe heeft hij het volgende aangevoerd. Op basis van de informatie van de curator in het faillissement van bedrijf 1, die zijn bevindingen met betrekking tot het faillissement heeft gebaseerd op het rapport van het financieel adviesbureau, had de FIOD nimmer tot een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verdachte mogen komen. Dit rapport geeft geen getrouw beeld van de gang van zaken binnen bedrijf 1. Doordat het OM zich uitsluitend op de informatie van de curator en voornoemd rapport heeft gebaseerd, en geen nader onderzoek heeft verricht – bijvoorbeeld door het laten uitvoeren van een accountantscontrole of het horen van verdachte (als getuige) – kan geen sprake zijn geweest van een redelijk vermoeden van schuld en is de start van het onderzoek onrechtmatig geweest. Als gevolg hiervan hebben zich onherstelbare vormverzuimen voorgedaan: op basis van voornoemde informatie zijn namelijk diverse “BOB-middelen” – ten onrechte – ingezet. Ook zijn verschillende getuigen en verdachten met deze onjuiste en onvolledige informatie geconfronteerd, hetgeen tot onbetrouwbare verklaringen heeft geleid, aldus steeds de raadsman.

Oordeel

De rechtbank heeft vastgesteld dat de curator naar aanleiding van vragen die rezen uit het faillissement van bedrijf 1 onderzoek heeft gedaan en heeft laten doen naar de administratie van dit bedrijf. Daarbij is het adviesbureau ingeschakeld, dat een rapport heeft uitgebracht. In dit rapport is melding gemaakt van, volgens het financieel adviesbureau, een groot aantal onduidelijkheden. Voor een aantal betalingen lijkt geen titel aanwezig te zijn. Naar aanleiding van dit rapport heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het financieel adviesbureau en de curator en de medecurator in het faillissement van bedrijf 1, curator 2. In de van dit gesprek opgemaakte notitie wordt het vermoeden uitgesproken dat verdachte, als bestuurder van bedrijf 1, liquide middelen aan (de boedel van) dit bedrijf heeft onttrokken, zonder enig reëel bedrijfseconomisch motief. Deze notitie is besproken met de coördinator van het Fraude Meldpunt van het OM, die de notitie ter beschikking heeft gesteld aan de Belastingdienst/FIOD, afdeling account OI. Medewerkers van deze afdeling hebben vervolgens gesproken met de curator en het financieel adviesbureau, en de uitlevering van stukken gevorderd, waaronder het rapport van het financieel adviesbureau. Vervolgens heeft de curator aangifte gedaan tegen verdachte wegens bedrieglijke bankbreuk in het faillissement van bedrijf 1. Vervolgens is de kwestie besproken in het zogeheten ‘Tripartiteoverleg’, waar is besloten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de informatie van de curatoren, de inhoud van het rapport alsmede de inhoud van de aangifte van de curator, in onderling verband en samenhang beschouwd, een redelijk vermoeden van schuld  ten aanzien van verdachte bestond ter zake van bedrieglijke bankbreuk. Het OM heeft dan ook een strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte kunnen beginnen. De rechtbank acht de start van dit onderzoek, ook gezien de gevolgde procedure, rechtmatig. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat zich tijdens de loop van dit onderzoek vormverzuimen hebben voorgedaan.

Schending gelijkheidsbeginsel

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het Openbaar Ministerie het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, nu verdachte weliswaar verdacht wordt van het medeplegen van de hem ten laste gelegde feiten en ter zake ook andere (rechts)personen dan verdachte als verdachte in beeld zijn gekomen (bijvoorbeeld [betrokkene 2] en [betrokkene 3]), maar het Openbaar Ministerie uitsluitend verdachte vervolgt. Naar de mening van de raadsman bestaat hiervoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging en wordt verdachte hierdoor ernstig in zijn belangen geschaad, aangezien de medeverdachten “vrijelijk hun eigen straatje kunnen schoonvegen”.

Oordeel

Wat betreft de gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel, overweegt de rechtbank dat het mogelijke aandeel van verdachte in de ten laste gelegde feiten – mede gelet op zijn functie van (voormalig) bestuurder van bedrijf 1 – niet te vergelijken is met de vermeende dubieuze rollen die anderen daarbij hebben gespeeld. Derhalve is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen geen sprake. Reeds hierom faalt het verweer.
Schending art. 6 EVRM

Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat door de aanhouding van verdachte op 16 maart 2012 het OM de verdediging bewust de mogelijkheid heeft ontnomen om de strafzaak voor de zitting van 19 maart 2012 op een gedegen manier voor te bereiden. Dit levert een schending op van art. 6 lid 3 EVRM, aldus de raadsman.

Oordeel

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat met de aanhouding van verdachte het recht van verdachte op een eerlijk proces niet in het geding is geweest. Daarbij merkt de rechtbank in de eerste plaats op dat de officier van justitie ingevolge art. 84, eerste lid, Sv de bevoegdheid heeft de aanhouding van een verdachte te bevelen op grond van, onder meer, (vermeende) niet-naleving van de schorsingsvoorwaarden. Voor een beoordeling van een beroep op artikel 6 van het EVRM moet voorts worden gekeken naar de procedure als geheel. Niet is gesteld of gebleken dat de verdediging door de aanhouding van verdachte op 16 maart 2012 op enigerlei wijze in de voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de zaak, die eerst op 24 juli 2012 heeft plaatsgevonden, zou zijn belemmerd. Op 19 maart 2012 heeft de rechtbank de zaak juist aangehouden, met het oog op het belang van de verdediging bij een goede voorbereiding.  Gelet op het bovenstaande verwerpt de rechtbank ook dit verweer van de raadsman. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF