Een gehechte verdachte moet opnieuw in de gelegenheid worden gesteld een advocaat te raadplegen, wanneer hij geconfronteerd wordt met een nieuwe verdenking in een verhoorsituatie na aanhouding, ook als hij al eerder na zijn aanhouding gebruik heeft gemaakt van zijn recht op consultatie.

Rechtbank Maastricht 25 juli 2012, LJN BX3009
 
Aan verdachte is ten laste gelegd het samen met drie anderen plegen van drie woninginbraken en één poging daartoe. Daarnaast heeft de OvJ vijf soortgelijke feiten ad informandum aan de dagvaarding toegevoegd.

Feiten

Vanaf 30 maart 2012 bevond verdachte zich, nadat hij op heterdaad was aangehouden voor het feit dat op de dagvaarding als ad informandum 1 feit is vermeld, in preventieve hechtenis. En dit uitsluitend ter zake van dit feit (1). Voorafgaande aan zijn eerste verhoor is verdachte gewezen op zijn recht een advocaat te raadplegen. Van dat recht heeft verdachte gebruik gemaakt. Verdachte is vervolgens bij de politie gehoord op 31 maart, 1 april, 10 april en 19 april 2012. Aan het begin van zijn verhoren van 31 maart en van 1 april 2012 is bij verdachte geïnformeerd naar zijn contact met de raadsvrouw. Deze verhoren hadden uitsluitend betrekking op het ad informandum feit 1.


Op 10 april 2012 is verdachte voor de derde keer gehoord. Het grootste gedeelte van het verhoor gaat wederom over het ad informandum feit 1. Tegen het einde van dat verhoor wordt verdachte geconfronteerd met een hem belastende verklaring van zijn medeverdachte 2 ter zake van een inbraak bij de vader van verdachte, de inbraak die aan verdachte als feit 1 is tenlastegelegd. Verdachte ontkent dan bij dit feit betrokken te zijn geweest.


Op 19 april 2012 wordt verdachte voor de vierde keer gehoord. Nadat verdachte op zijn recht tot zwijgen is gewezen deelt de verbalisant hem mede: ‘U heeft reeds eerdere verklaringen afgelegd tegenover de politie. Ik wil het hier nu verder met u over gaan hebben’. Vervolgens gaat dit verhoor over 15 andere feiten dan het ad informandum feit 1.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaringen van de verdachte die hij op 10 en op 19 april 2012 heeft afgelegd in strijd met de Salduz-jurisprudentie tot stand zijn gekomen. Het gevolg hiervan zou moeten zijn dat die verklaringen van verdachte van het bewijs moet worden uitgesloten. Gelet hierop kunnen de feiten 1, 2 en 3 niet bewezen worden. De ad informandum gevoegde feiten dienen ook buiten beschouwing te blijven, met uitzondering van het eerste feit.

Oordeel rechtbank
In het arrest van 3 juli 2012 heeft de Hoge Raad overwogen ‘dat een uit anderen hoofde gedetineerde verdachte ten aanzien van wie de verdenking is gerezen van een nieuw strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, zich in een met een aanhouding vergelijkbare situatie bevindt’. En dientengevolge, zo begrijpt de rechtbank deze zin in de context van de uitspraak en in het licht van eerdere arresten van de Hoge Raad over het aan een verdachte toekomende recht om voorafgaand aan een verhoor een advocaat te mogen spreken, moet verdachte ten aanzien van de ‘nieuwe’ verdenking de mogelijkheid worden geboden een advocaat te raadplegen. Als die gelegenheid heeft ontbroken, dan mag de desbetreffende verklaring van de verdachte niet voor het bewijs worden gebezigd.

De rechtbank ziet als leidende gedachte van de Salduz-rechtspraak dat een verdachte vrijelijk zijn procespositie moet kunnen bepalen. Daarvan is geen sprake als verdachte zich ten tijde van het verhoor niet in vrijheid bevindt en hij onverwachts en zonder dat hij daarover een advocaat heeft kunnen consulteren wordt geconfronteerd met nieuwe verdenkingen. De Hoge Raad heeft als voorwaarde voor toepassing van dit consultatierecht genoemd dat dit recht in elk geval van toepassing is op een aangehouden verdachte en hij heeft in zijn uitspraak van 3 juli 2012 daaraan toegevoegd dat dit recht ook van toepassing is op een verdachte die uit anderen hoofde is gedetineerd.


De rechtbank wijst er daarbij op dat reeds in De Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor gesteld wordt: ‘Als een gedetineerde verdachte wordt gelicht om als verdachte te worden gehoord voor een ander strafbaar feit dan het feit waarvoor hij is gedetineerd, is deze aanwijzing van toepassing en wordt gehandeld als ware hij opnieuw aangehouden’.

In de onderhavige zaak is de verdachte voor de verhoren van 10 en 19 april 2012 gelicht en werd hij, met name op 19 april 2012 ‘onverwachts’ geconfronteerd met nieuwe verdenkingen jegens hem. Nu dit lichten en verhoren gebeurde zonder dat verdachte in de gelegenheid werd gesteld eerst een advocaat te raadplegen en hij ook geen afstand van dat recht had gedaan, moet geoordeeld worden dat verdachte ten aanzien van de nieuwe verdenkingen niet vrijelijk zijn procespositie heeft kunnen bepalen. Dat is strijdig met de uit de Salduz-rechtspraak voortvloeiende normen.


Daaraan kan niet afdoen dat er een zodanig verband bestaat tussen het ad informandum feit 1 en de overige feiten dat van soortgelijke feiten kan worden gesproken. Verdachte behoefde immers niet te verwachten dat de verhorende ambtenaar over een groot aantal andere feiten met hem wilde spreken. Nu van het tegendeel niet blijkt gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte voorafgaande aan de verhoren van 10 en 19 april 2012 niet op de hoogte was van de verklaringen van medeverdachte 2, waarin deze ten aanzien van een aantal zaken ook belastend over verdachte heeft verklaard.


Er is daarmee sprake van een vormverzuim dat begaan is in het voorbereidend onderzoek en dat niet meer kan worden hersteld. Vaste jurisprudentie van de Hoge Raad brengt mee dat op een vormverzuim als dit gereageerd moet worden met het uitsluiten van het bewijs dat door het vormverzuim verkregen is. De rechtbank zal daarom de verklaringen van verdachte van 10 en 19 april 2012 in zijn zaak van het bewijs uitsluiten.
Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF