Veroordeling voor oplichting, het valselijk laten opmaken en gebruiken van een notariële akte en gewoontewitwassen

Rechtbank Amsterdam 5 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:40

Een 61-jarige man wordt veroordeeld voor oplichting, het valselijk laten opmaken en gebruiken van een notariële akte en gewoontewitwassen. Verdachte heeft de slachtoffers voorgewend dat zij zouden investeren in een zorgfonds, maar heeft de inleggelden aangewend voor privéuitgaven en de aflossing van privéschulden. Ook heeft hij ten onrechte in een notariële akte laten opnemen dat aandelen volgestort waren. Verdachte krijgt een gevangenisstraf van 27 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk, en moet de schade van de inleggers vergoeden.
 

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, nu de handelingen niet zijn begaan door verdachte als natuurlijk persoon, maar door de rechtspersonen waarvan verdachte bestuurder was.

Ook moet vrijspraak volgen, omdat het oogmerk op bevoordeling niet kan worden aangenomen, nu verdachte te allen tijde de intentie had om uiteindelijk een zorgfonds op te zetten. Van een valse naam of hoedanigheid of van een oogmerk op het zich wederrechtelijk bevoordelen is dan ook geen sprake. Indien dit standpunt gepasseerd wordt, kan in ieder geval het medeplegen niet worden bewezen, nu de pleger en medepleger op grond van de jurisprudentie niet dezelfde persoon kunnen zijn.
 

Het oordeel van de rechtbank

 

Oplichting en/of verduistering

De rechtbank stelt voorop dat voor het antwoord op de vraag of uit door verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat personen door – bijvoorbeeld – een samenweefsel van verdichtsels werden bewogen tot afgifte van een goed als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, het aankomt op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

- Voorwenden dat verdachte een bonafide fondsmanager was

De in de rechtspraak wel gebruikte formulering dat een verdachte zich als een 'bonafide' deelnemer aan het rechtsverkeer heeft gepresenteerd, is met betrekking tot het aannemen van een valse hoedanigheid slechts relevant als zo een presentatie als bonafide (potentiële) wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt naar voren dat verdachte veelvuldig onwaarheden met betrekking tot een nog op te zetten zorgfonds heeft voorgehouden aan – potentiële – participanten. Deze uitlatingen hebben echter niet betrekking op de competenties van verdachte als fondsmanager, en ook overigens zijn geen specifieke gedragingen gebleken die op dit punt tot een onjuiste voorstelling van zaken konden leiden, waardoor de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte aan participanten heeft voorgewend dat hij een bonafide fondsmanager was.

- Voorwenden dat ingelegde gelden zouden worden belegd in zorg gerelateerde projecten

Door verdachte en alle aangevers is verklaard dat de participatie werd aangegaan ten behoeve van investeringen in de zorg. Uit de analyse van getuige van de bankafschriften van verdachte en zijn ondernemingen volgt dat alle gelden, onmiddellijk na ontvangst, zijn besteed ten behoeve van verdachte voor privéuitgaven en de aflossing van privéschulden.

Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat verdachte, in strijd met de waarheid, aan participanten heeft voorgewend dat de ingelegde gelden zouden worden belegd in zorg gerelateerde projecten. De rechtbank zal op de gestelde bedoeling om daadwerkelijk in zorgprojecten te investeren ingaan onder het kopje ‘Oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen’.

- Voorwenden dat Kempen & Co en Petercam betrokken waren

Tijdens verschillende aandeelhoudersvergaderingen heeft verdachte, blijkens notulen en e‑mailberichten, gesproken over betrokkenheid van Kempen & Co en Petercam. Getuige 1, die in de ten laste gelegde periode bestuursvoorzitter was bij Kempen & Co, heeft verklaard dat Kempen & Co nooit de bedoeling heeft gehad om in het fonds van verdachte te stappen. Dat is volgens hem een schandalige suggestie. Ook getuige 2, in de ten laste gelegde periode directeur van Petercam, stelt dat namens Petercam geen enkele toezegging is gedaan, dat het uitgesloten is dat verdachte kon denken dat Petercam of klanten van Petercam zouden participeren en dat hij nimmer afspraken met verdachte heeft gemaakt. In de administratie van verdachte of van aan hem gelieerde ondernemingen zijn geen bescheiden aangetroffen van Kempen & Co en/of Petercam over een rol van Kempen & Co of Petercam in zijn fonds.

Verdachte heeft verklaard dat hij wel heeft gemeend dat hem mondelinge toezeggingen waren gedaan door Kempen & Co en Petercam. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft desgevraagd aan de FIOD verklaard dat toezeggingen als door verdachte bedoeld altijd schriftelijk worden gedaan. Nu vaststaat dat een schriftelijke toezegging nimmer is gedaan, had verdachte niet de indruk mogen wekken dat hij over toezeggingen van genoemde banken beschikte.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte, in strijd met de waarheid, participanten heeft voorgewend dat Kempen & Co en Petercam of hun klanten deel zouden nemen aan het fonds.

- Voorwenden dat het fonds 5 tot 50 miljoen groot was

In de participatieovereenkomsten van in ieder geval naam 1 en naam 2 staat vermeld dat het fonds een omvang heeft dan wel op korte termijn zal krijgen van € 50 miljoen. Naam 3 en naam 4 hebben verklaard dat verdachte tegen hen heeft gesproken over een fonds van € 20 tot € 50 miljoen. Getuige 3 heeft verklaard dat verdachte heeft gesproken over €5, € 10 en € 18 miljoen. Uit het onderzoek van getuige is gebleken dat het fonds, met inachtneming van de gehele looptijd, in totaal nooit groter is geweest dan € 3,7 miljoen.

Op grond van hetgeen hierboven omschreven concludeert de rechtbank dat verdachte, in strijd met de waarheid, aan participanten heeft voorgehouden dat het fonds aanzienlijk groter was of zou worden dan het in werkelijkheid was.

- Voorwenden dat er maximaal 2% management fee zou worden betaald

In de participatieovereenkomsten van in ieder geval naam 3, naam 4 en naam 5 staat vermeld dat de vergoeding voor het management en overige kosten maximaal 2% van het investeringsvermogen bedraagt.

Verdachte heeft hierover verklaard dat hij deze 2% mocht berekenen over de totale omvang van het fonds, waarbij als omvang wordt vastgesteld het gecommitteerde vermogen van in totaal € 50 miljoen. Onder gecommitteerd vermogen verstaat verdachte ook mondelinge toezeggingen van kapitaal, die hij zegt gehad te hebben. Verdachte mocht daarom € 1 miljoen declareren, aldus verdachte.

In reactie op vragen van de FIOD hebben Eekhout-Saaiu en Verweij, beiden toezichthouder bij de AFM, verklaard dat het zeer ongebruikelijk is om management fee te berekenen over mondeling toegezegd vermogen. De vergoeding dient daarentegen te worden berekend over het reeds gestorte en/of het contractueel toegezegde vermogen.

Getuige heeft geconstateerd dat verdachte aan privéoverboekingen en privéonkosten in totaal € 1.006.410,00 heeft opgenomen. Overigens zijn deze overboekingen en opnames niet geschied onder de vermelding van ‘management fee’ of iets vergelijkbaars.

De FIOD heeft op grond van het standpunt van de AFM berekend dat verdachte, op basis van de in elk jaar ingelegde gelden, over de gehele ten laste gelegde periode in totaal maximaal € 182.905,00 aan management fee had mogen declareren. Als verdachte al meende dat de € 1 miljoen die hij privé heeft onttrokken aangemerkt dient te worden als management fee, dan heeft hij de grens van de toegestane maximale 2% ruim overschreden.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat verdachte, in strijd met de waarheid, aan participanten heeft voorgewend dat hij maximaal 2% aan fee en kosten in rekening zou brengen.

- Voorwenden dat verdachte, direct dan wel indirect, zou deelnemen

In de participatieovereenkomsten van in ieder geval naam 3, naam 4 en naam 5 staat vermeld dat het management van MBDC voor een bedrag van € 2 miljoen deelneemt in het fonds. Verdachte heeft dit ook op laten nemen in een notariële akte, waarin staat vermeld dat MBDC Participaties B.V. en Innovatief Starters Fonds B.V. aan hun stortingsplicht in euro hebben voldaan. Uit onderzoek naar de bankafschriften en uit de verklaring van verdachte blijkt dat van deze participatie geen sprake was.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte, in strijd met de waarheid, aan participanten heeft voorgewend dat hij dan wel een van zijn ondernemingen in het zorgfonds zou participeren.

- Voorwenden dat inleggers toestemming moesten geven voorafgaand aan een investering

In de participatieovereenkomsten van in ieder geval naam 1 en naam 2 staat vermeld dat de participant middels een schriftelijke verklaring uitdrukkelijke toestemming moet geven voorafgaand een bepaalde investering. Naam 1 en naam 2 hebben verklaard dat zij verdachte nimmer toestemming hebben gegeven om hun inleggelden te investeren.

Nu uit het dossier volgt dat verdachte de inleggelden heeft besteed, concludeert de rechtbank dat verdachte, in strijd met de waarheid, participanten heeft voorgewend dat zij toestemming moesten geven voor een investering, alvorens hun inleggelden besteed zouden worden.

- Voorwenden dat goedkeuring zou moeten worden verleend door de Raad van Advies voorafgaand aan een investering

In de participatieovereenkomsten van in ieder geval naam 3, naam 4 en naam 5 staat vermeld dat voorgenomen investeringen ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Raad van Advies. De bestedingen die met de inleggelden zijn gedaan, zijn nimmer voorgelegd aan de Raad van Advies. Verdachte erkent dat de Raad van Advies geen formele taken heeft gehad.

Getuige 4, lid van de Raad van Advies, stelt dat de Raad van Advies nooit een toezichthoudende taak heeft gehad en dat zij slechts bij elkaar kwamen in de hoedanigheid van brainstormclub. Getuige 5, ook lid van de Raad van Advies, heeft gelijkluidend verklaard.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte, in strijd met de waarheid, aan participanten heeft voorgewend dat de Raad van Advies goedkeuring moest geven voor een investering, alvorens de inleggelden besteed mochten worden.

- Voorwenden dat verdachtes financiële problemen waren opgelost

Verdachte is bij civiel vonnis van 23 februari 2005 van deze rechtbank veroordeeld tot betaling van ruim € 23 miljoen aan Mercurius beleggingsmaatschappij B.V. In oktober 2009 hebben verdachte en Mercurius, onder voorwaarden, dit bedrag verlaagd tot € 15 miljoen. Op 29 april 2010 is verdachte veroordeeld tot betaling van ruim € 1,5 miljoen aan naam 1 en naam 2.

De vermogensbeheerder van naam 4 attendeerde naam 4 op de financiële problemen van verdachte. Nadat naam 4 verdachte hiermee confronteerde, heeft verdachte verklaard dat er in het verleden problemen hebben gespeeld, maar dat die inmiddels opgelost zijn.

Verdachte heeft bij de FIOD verklaard dat hij inderdaad is veroordeeld tot betaling van onder meer € 23 miljoen, maar dat het geen onoverkomelijk probleem was. Verdachte beschouwde zijn schuld als een non-issue. Ter zitting is gebleken dat deze schulden tot op heden niet zijn voldaan.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte, in strijd met de waarheid, aan participanten heeft voorgewend dat zijn financiële problemen opgelost waren.

- Voorwenden dat er haast was geboden

Naam 1 en naam 3 hebben verklaard dat zij volgens verdachte haast moesten maken met de participatie, omdat het fonds bijna vol was. In het geval van naam 1 was het fonds van € 50 miljoen al vol, maar als hij € 1 miljoen zou storten, zou verdachte ertoe zorgdragen dat hij nog mee kon doen. Voor naam 3 waren twee participaties van ieder € 250.000,00 gereserveerd, waarmee de eerste € 25 miljoen volgemaakt zou worden.

In zijn verhoor blijft verdachte erbij dat dergelijke bedragen aan vermogen gecommitteerd waren aan het fonds. Uit de administratie van verdachte, en de verklaringen van getuige 1 en getuige 2, volgt geen enkele betrokkenheid van partijen die voor dergelijke bedragen zouden participeren. Getuige heeft vastgesteld dat het fonds in totaal slechts ruim € 3 miljoen groot was.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte, in strijd met de waarheid, aan participanten heeft voorgewend dat het fonds bijna vol was en dat de participant snel moest handelen om nog deel te kunnen nemen aan het fonds.

- Persoonlijke garantiestelling en het aldus impliceren dat verdachte solvabel was

Zoals hiervoor overwogen volgt uit het dossier dat verdachte, voorafgaand aan de ten laste gelegde periode, reeds een miljoenenschuld had. Toch heeft verdachte een persoonlijke garantiestelling afgegeven voor het behalen van een hoog rendement. Deze borgstelling had, zo stelt de FIOD, feitelijk geen waarde.

De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte, een persoonlijke garantiestelling heeft afgegeven en daarmee, in strijd met de waarheid heeft voorgewend dat hij solvabel was, terwijl verdachte in werkelijkheid een miljoenenschuld had.

- Voorwenden dat een hoog rendement kon worden behaald met een converteerbare lening bij DICO N.V.

Per overeenkomst van 21 februari 2008 heeft Modalfa, een onderneming van naam 2, van MI, handelend onder MBDC, een converteerbare lening overgenomen voor het bedrag van € 150.000, die MI heeft verstrekt aan DICO N.V.. De lening zou in november 2008 met een rendement van 100% kunnen worden terug verkocht aan MI.

Verdachte heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat hij deze toezegging is nagekomen. naam 2 heeft ervoor gekozen zijn oorspronkelijke inleg en het rendement te herinvesteren en heeft voor een bedrag van € 300.000 geparticipeerd in MBDC, zo blijkt uit de participatieovereenkomst.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte aan naam 2 heeft voorgewend dat hij een hoog rendement kon behalen met een converteerbare lening bij Dico en dat naam 2 dit rendement heeft verzilverd door het te herinvesteren en zodoende voor in totaal € 1 miljoen te participeren in MBDC.

- Voorwenden van rendement

In de participatieovereenkomsten van in ieder geval naam 3, naam 4 en naam 5 staat vermeld dat deelname aan het fonds een rendement van 8% op zal leveren. Ook naam 1 en naam 2 hebben verklaard dat verdachte dit rendement aan ze heeft voorgehouden.

Uit de bankafschriften van verdachte en de analyse van getuige volgt dat alle gelden, onmiddellijk na ontvangst zijn besteed ten behoeve van verdachte of zijn uitgegeven ten behoeve van rechtspersonen van verdachte en dat het nimmer is geïnvesteerd in renderende (zorg)projecten. Aldus kan worden vastgesteld dat de ingelegde gelden niet zijn belegd op een wijze dat daaruit inkomsten konden voortvloeien en heeft verdachte met zijn handelen de mogelijkheid ontnomen om de inleggelden te investeren in zorgprojecten die, vermoedelijk 8%, rendement zouden opleveren.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte, in strijd met de waarheid, participanten heeft voorgewend dat zij rendement zouden behalen met hun participatie.

- Bewegen tot

Aangevers hebben verklaard dat zij hebben geparticipeerd in het fonds van verdachte, vanwege het vertrouwen dat zij in verdachte stelden en het geheel aan voorwaarden en omstandigheden die door verdachte zijn voorgehouden. Met name het door verdachte zelf alsmede door gerenommeerde banken investeren in het fonds, de omvang van het fonds, de grote namen van investeerders, het voorgespiegelde rendement en het vereiste van toestemming van de inlegger of de RvA maken dat de inleggers zijn bewogen tot afgifte van de gelden.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat voornoemde onwaarheden die verdachte aan participanten heeft voorgehouden, in onderling verband en samenhang bezien, de participanten hebben bewogen tot afgifte van de in de tenlastelegging genoemde gelden.

- Oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen

In deze zaak lijken verschillende intenties van verdachte een rol te spelen, te weten de intentie op de korte termijn en de lange termijn. De intentie op de korte termijn zou zijn om investeerders te bewegen geld af te geven door hen te misleiden dan wel de intentie om het aan verdachte toevertrouwde geld op andere wijze te gebruiken dan overeengekomen. De intentie op de langere termijn zou zijn om daadwerkelijk in de zorg te investeren en daardoor de investeerders, waarvan de inleg in eerste instantie anders was gebruikt dan hen was verteld, alsnog hun rente en inleg terug te betalen.

Voor de beoordeling van de vraag of bewezen kan worden verklaard wat aan verdachte is ten laste gelegd is zijn intentie om ‘het later goed te maken’ van geen betekenis, immers door de onjuiste voorstelling van zaken die verdachte heeft veroorzaakt zijn de participanten bewogen tot afgifte van geldbedragen, waardoor de oplichting grotendeels is voltooid. De intentie om met het later te verdienen geld de eerste inleggers alsnog te voldoen strookt bovendien niet met het gedrag van verdachte, in het bijzonder het terstond ten eigen bate besteden van de aan hem toevertrouwde gelden. Verdachte heeft ter zitting niet overtuigend duidelijk kunnen maken hoe hij dacht zijn voornemens alsnog te verwezenlijken als hij alle gelden terstond voor een eigen doel besteedt. Bij de beoordeling van het oogmerk van verdachte gaat de rechtbank dan ook uit van de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte. De rechtbank constateert in dit verband dat verdachte sinds februari 2008 meermalen gelden heeft ontvangen, die bestemd waren om te beleggen in een zorgfonds. Op dezelfde dag dat deze gelden werden ontvangen, zijn de gelden grotendeels aangewend ten behoeve van privé-uitgaven van verdachte. Binnen enkele weken na ontvangst, waren de gelden volledig besteed. Dit was het geval sinds de eerste storting in februari 2008 en vervolgens bij iedere volgende participatie gedurende de jaren daarna.

Verdachte heeft betoogd dat bij beleggingen in de zorg veel aanloopkosten moeten worden gemaakt. De gelden die in een fonds ingelegd worden, zijn dan ook nodig om projecten op te starten en pas als deze projecten tot stand zijn gekomen worden de aanloopkosten terugverdiend, aldus verdachte. De rechtbank acht dit betoog niet aannemelijk aangezien verdachte de ingelegde gelden terstond voor andere doelen bestemde zodat er geen geld overbleef om renderende (zorg)projecten te starten. Bovendien heeft verdachte bij de participanten de indruk gewekt dat zowel de te investeren gelden als de geschikte projecten reeds aanwezig waren, zodat hun inleg onmiddellijk zeer winstgevend zou kunnen worden belegd. Geen van de inleggers heeft verklaard zich er van bewust te zijn geweest dat er eerst aanloopkosten zouden zijn.

Gelet op het voorgaand is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte, door de inleggers te bewegen gelden af te geven, handelde met het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen. Er is immers zo’n groot verschil tussen de werkelijkheid en de door verdachte gegeven voorstelling van zaken dat in redelijkheid niet kan worden aangenomen dat verdachte in de juistheid daarvan heeft geloofd. Dat er sprake is van wederrechtelijke bevoordeling blijkt uit de snelheid waarmee verdachte de ingelegde gelden heeft weggesluisd, de stelselmatigheid en de duur van zijn handelen en het gegeven dat de bedragen volledig zijn besteed en in het geheel niet zijn geïnvesteerd in renderende zorgprojecten. Dat dit werd aangeduid als management fee doet daar niet aan af. Het verweer van de raadsman dat er geen sprake is van opzet op oplichting wordt derhalve verworpen.

- Medeplegen

Verdachte heeft in de onderhavige zaak gehandeld in de hoedanigheid van natuurlijk persoon, alsmede in de hoedanigheid van – indirect – bestuurder van diverse rechtspersonen. De enkele omstandigheid dat een verboden gedraging van verdachte aan een rechtspersoon kan worden toegerekend, kan niet met zich meebrengen dat verdachte het feit tezamen met de rechtspersoon heeft gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van medeplegen en dat de feiten door verdachte als natuurlijk persoon zijn begaan.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman, dat de feiten niet door verdachte maar door de rechtspersonen zijn begaan en honoreert het verweer van de raadsman, dat geen sprake is van medeplegen.

- Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank laat het handelen van de verdachte zich kwalificeren als oplichting door een samenweefsel van verdichtsels in de zin van artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Nu de rechtbank de ten laste gelegde oplichting bewezen acht, bestaat op grond van de wetssystematiek geen mogelijkheid om de alternatief ten laste gelegde verduistering bewezen te verklaren. Verdachte had de gelden immers niet anders dan door misdrijf onder zich.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting door een samenweefsel van verdichtsels, en spreekt verdachte vrij van verduistering.
 

Valse opgave in een authentieke akte en het gebruikmaken daarvan

Het dossier bevat een notariële akte van aandelenuitgifte, gedateerd op 11 augustus 2010, welke akte vermeldt dat de aandelen volgestort waren en dat aan de stortingsplicht is voldaan door betaling in euro. Afschriften van deze akte zijn door de notaris verzonden aan onder meer naam 5, getuige 1 en getuige 5.

De notaris die de akte heeft verleden, mr. Bakker, heeft verklaard dat de passage over de volstorting van de aandelen in de akte is opgenomen op grond van de verklaring van verdachte. Verdachte heeft bevestigd dat hij de notaris heeft medegedeeld dat de aandelen volgestort waren.

getuige heeft geconstateerd dat de administratie van verdachte afwijkt van deze vermelding in de akte. De volstorting door betaling in euro is niet terug te vinden in de administratie.

Verdachte heeft erkend dat de volstortingen niet hebben plaatsgevonden. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij aan de notaris heeft gezegd dat de gelden die dag gestort zouden worden. Daargelaten dat dit niet overeenstemt met wat de notaris heeft verklaard, zou het in die situatie op de weg van verdachte hebben gelegen de akte waarin stond dat de aandelen waren volgestort niet eerder te ondertekenen dan nadat die gelden daadwerkelijke waren ontvangen. Door de akte te ondertekenen terwijl hij wist dat deze op dat moment nog onjuist was, heeft verdachte een valse verklaring in de akte doen opnemen. Ter zitting heeft verdachte bovendien erkend dat de aandelen nooit zijn volgestort, ook niet na het passeren van de notariële akte. Het is dan ook zeer de vraag of verdachte ooit daadwerkelijk heeft kunnen geloven dat die gelden (door of in opdracht van verdachte zelf) gestort zouden worden.

De rechtbank acht, op grond van het voorgaande, bewezen dat verdachte valse gegevens in een authentieke akte op heeft laten nemen en daarvan gebruik heeft gemaakt.
 

Gewoontewitwassen

- Herkomst van de gelden

De rechtbank begrijpt dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag betrekking heeft op de inleggelden waarvan, gelet op hetgeen is overwogen, kan worden bewezen dat al deze gelden afkomstig zijn uit oplichting.

- De kwalificatie-uitsluitingsgrond

Bovenbedoelde oplichting is begaan door verdachte, waardoor sprake is van een eigen misdrijf. Uit de rechtspraak volgt dat als een verdachte een voorwerp heeft verworven of voorhanden gehad, terwijl dat voorwerp afkomstig is uit eigen misdrijf, uit de motivering van het oordeel dat sprake is van witwassen, moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook kennelijk gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp, dan wel dat hij het voorwerp ook overdraagt, omzet of daarvan gebruik maakt. In het onderhavige geval heeft verdachte de inleggelden niet slechts verworven en voorhanden gehad, maar heeft hij met al het geld ook allerlei transacties verricht of laten verrichten. Er zijn bedragen geboekt van en naar rekeningen van de verdachten, zijn ondernemingen en derden. Gelet hierop is eveneens sprake van het overdragen en gebruikmaken van het gehele bedrag en is de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet aan de orde.

- Gewoonte

Blijkens de wetsgeschiedenis is sprake van een gewoonte bij een pluraliteit van feiten die niet slechts toevallig op elkaar volgen, maar onderling in zeker verband staan, zowel voor wat betreft de objectieve aard van de feiten als voor wat betreft de subjectieve gerichtheid van de dader, zijnde de neiging van de dader om het feit steeds weer te begaan. Gelet op de wijze waarop verdachte de inleggelden heeft verworven, vervolgens die gelden heeft doorgeboekt en besteed, alsmede de lange periode waarbinnen dit herhaaldelijk plaatsvond, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gewoonte.

- Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het gewoontewitwassen bewezen. De rechtbank ziet aanleiding om de bewezen verklaarde periode te verkorten, en wel tot de dag waarop het faillissement van verdachte is uitgesproken, omdat verdachte vanaf dat moment de beschikking over eventuele activa verloor en er nadien geen witwashandelingen door verdachte meer hebben kunnen plaatsgevonden.

Bewezenverklaring

  • Oplichting, meermalen gepleegd;
  • In een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit, van welks waarheid die akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid, meermalen gepleegd;
  • Het gebruik maken van een valse authentieke akte als ware deze echt en onvervalst, meermalen gepleegd;
  • Gewoontewitwassen.
     

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 27 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren vast.

Verdachte lijkt onvoldoende inzicht te hebben in het kwalijke van zijn handelwijze en blijft zelfs ter zitting nog zijn nooit gerealiseerde plannen verdedigen als zeer beloftevol. Ook valt op dat verdachte zelf kennelijk nog steeds gelooft dat hij met de opbrengst van die plannen zijn schulden in de toekomst had kunnen aflossen dan wel dat hij, als hij de kans zou krijgen, die schulden alsnog zou kunnen afbetalen. Gelet op de leeftijd, het inkomen en de schulden van verdachte lijkt dit niet in overeenstemming met de realiteit.

Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij inmiddels de inleggers terugbetaalt. Deze terugbetaling van 5.000 per maand gaat niet altijd volgens afspraak, aangezien verdachte daarop ten tijde van de zitting een achterstand had. Verdachte heeft gesteld dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf deze terugbetalingen zou doorkruisen, aangezien verdachte daardoor zijn baan zal verliezen. De rechtbank overweegt dat, zelfs als geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd wordt, het bedrag dat uiteindelijk door verdachte terugbetaald kan worden, gelet op zijn leeftijd en verdiencapaciteit, zeer beperkt is in verhouding tot hetgeen verdachte zou moeten betalen. De rechtbank ziet in – het voortzetten van – de terugbetaling dan ook geen reden om af te wijken van voornoemd uitgangspunt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF