Veroordeling voor illegale overbrenging van afvalstoffen en opzettelijke overbrenging van 3.800 ton afvalstoffen zonder toestemming van de betrokken autoriteit. Deels nietigverklaring dagvaarding door onvoldoende omschrijving in de TLL van de gestelde overtreding van de zorgplicht t.a.v. het milieu.

Rechtbank Groningen 22 oktober 2012, LJN BY22295 (gepubliceerd op 5 november 2012) Aan verdachte is ten laste gelegd

  1. medeplegen van een overtreding van het voorschrift gesteld bij art. 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
  2. medeplegen van een overtreding van het voorschrift gesteld bij art. 10.60, derde lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
  3. medeplegen van een overtreding van het voorschrift gesteld bij art. 10.60 (oud), eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Geldigheid van de dagvaarding

Standpunt officier van justitie 

De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit de tenlastelegging duidelijk naar voren komt dat verdachte de zorgplicht ten aanzien van het milieu heeft overtreden. De combinatie van de tenlastelegging en de verklaringen in het dossier moeten voor verdachte duidelijk genoeg maken dat het verwijt betreft de manier waarop met de afvalstoffen is omgegaan na het laden van die afvalstoffen bij medeverdachte/BV. Derhalve gaat het dus om het beheer van de afvalstoffen in Polen. Op grond hiervan had verdachte wel degelijk kunnen weten waar hij zich tegen moest verdedigen.

Oordeel rechtbank 

De rechtbank zal de dagvaarding nietig verklaren ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde, aangezien de dagvaarding te weinig specifiek is omschreven in relatie tot de verweten zorgplicht als bedoeld in artikel 10.60, derde lid, van de Wet milieubeheer. Het onder 2 ten laste gelegde behelst nauwelijks meer dan de toepasselijk geachte delictsomschrijving en kan derhalve niet dienen als grondslag voor het onderzoek ter terechtzitting. De kennelijk overtreden zorgplicht ten aanzien van het milieu had in de tenlastelegging nader omschreven moeten worden. Deze omschrijving had bijvoorbeeld kunnen inhouden dat werd aangegeven welke maatregelen in dit specifieke geval van de verdachte rechtspersoon werden verwacht. Pas dan kon de verdachte rechtspersoon weten waar zij zich tegen moest verdedigen. De dagvaarding wordt ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde dan ook nietig verklaard.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie 

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de in het requisitoir aangehaalde verklaringen, processen-verbaal en documenten.

Verdachte/BV had wetenschap van het feit dat de PP2, afkomstig van medeverdachte/BV, niet kon voldoen aan de eisen die op grond van de kennisgeving, en de door de Poolse autoriteiten gestelde aanvullende eisen, daaraan waren gesteld. Verdachte is voor de gedane verboden gedraging strafrechtelijk aan te spreken, aangezien haar feitelijk leidinggevenden en overige medewerkers wetenschap hadden van de strafbare gedragingen, maar zij maatregelen ter voorkoming achterwege hebben gelaten.

Beoordeling

Feit 1

Verdachte/BV heeft kennisgeving gedaan van de overbrenging van afvalstoffen die afkomstig waren van medeverdachte/BV. Op de kennisgeving, genummerd NL 201867, staat dat het over afval met code 19.12.10 gaat. Uit de bijlage bij Verordening 1013/2006/EG2 blijkt dat deze afvalstof door Verdachte/BV is ingedeeld als brandbaar afval (RDF) afkomstig van een mechanische installatie voor afval. Met het daarbij gevoegde sorteerschema van het afval had het voor de Poolse autoriteiten bij de ontvangst van de aanvraag al genoegzaam duidelijk moeten zijn dat het hier om huishoudelijk afval ging. De Poolse autoriteiten hadden de overbrenging op grond van de ingediende kennisgeving moeten weigeren, nu uit het dossier is gebleken dat ze geen afval wilden ontvangen dat afkomstig was van huishoudens. Aangezien de Poolse autoriteiten in juni 2008 uiteindelijk wel een kennisgeving hebben afgegeven, maar met aanvullende voorwaarden, kan gesteld worden dat de verdachte rechtspersoon, waarvan verdachte als feitelijk leidinggevende kan worden aangemerkt, afval heeft doen transporteren naar Polen dat niet voldeed aan de toestemming. Namens medeverdachte/BV is verklaard dat zij nooit aan de gestelde aanvullende eisen hadden kunnen voldoen met hun PP2. Juridisch laat zich dat vertalen als het overbrengen van afval dat niet aan de toestemming voldeed en derhalve is gedaan zonder kennisgeving. Er was sprake van een dusdanige bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte rechtspersoon en Verdachte/BV dat medeplegen kan worden aangenomen.

Er kan, op grond van de zich in het dossier bevindende verklaringen, niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de toestemming van de bevoegde autoriteit van bestemming valselijk, door verkeerde voorstelling van zaken of fraude is verkregen. Daarom acht de rechtbank niet bewezen dat de ten laste gelegde overbrengingen geschiedden met een door vervalsing, verkeerde voorstelling van zaken of fraude verkregen toestemming. Dit betekent dat verdachte partieel vrijgesproken dient te worden van de in de tenlastelegging genoemde door vervalsing, verkeerde voorstelling van zaken of fraude verkregen toestemming.

In het economisch strafrecht slechts sprake hoeft te zijn van kleurloos opzet. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte rechtspersoon opzet heeft gehad op de verboden gedraging. Als de feitelijke kennisgever, die fungeerde als een soort afvalmakelaar, had zij zich aandachtig van het feit dat de bevoegde autoriteit van bestemming aanvullende eisen had gesteld aan het over te brengen afval op de hoogte moeten zijn. Uit de verklaringen in het dossier en het verhandelde ter zitting komt de rechtbank tot voldoende bewijs van het feit dat de feitelijk leidinggevende van de verdachte rechtspersoon wetenschap had van de illegale overbrenging van de afvalstoffen en maatregelen ter voorkoming achterwege heeft gelaten.

De rechtbank acht op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de onder 1 primair ten laste gelegde opzettelijk gepleegde overbrengingen van 3.800 ton afvalstoffen zijn gedaan zonder toestemming van de betrokken bevoegde autoriteit van het land van bestemming, nu vast is komen te staan dat het afval dat is overgebracht naar Polen niet aan de voorwaarden voldeed die aan de kennisgeving waren verbonden.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte rechtspersoon schuldig is aan de illegale overbrenging van afvalstoffen zoals onder 1 primair ten laste is gelegd.

Feit 3

Verdachte/BV heeft kennisgeving gedaan onder de nummers NL111302 en NL112417 voor de overbrenging van afvalstoffen, afkomstig van de Vagron te Groningen, over te brengen naar Papenburg. Uit het onderzoek, dat naar de administratie van deze overbrengingen is gedaan, is gebleken dat onder deze kennisgevingen ook transporten zijn geweest die niet van de Vagron afkomstig waren waarbij het om hele andere afvalstoffen ging. Deze afvalstoffen vielen niet onder de gegeven toestemming

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte afvalstoffen heeft over laten brengen die niet voldeden aan de kennisgevingen en derhalve zonder kennisgeving illegaal over de grens zijn gebracht. Juridisch laat zich dat vertalen als de sluikhandel bedoeld in art. 26 van de oude EVOA.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Zie ook de uitspraken van de medeverdachten onder:

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF