Veroordeling voor het niet melden van ongebruikelijke transacties en het niet verrichten van cliëntenonderzoek als bedoeld in de Wwft

Rechtbank Amsterdam 28 februari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1116

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

  • Feit 1: het in de periode van 4 januari 2012 tot en met 3 juli 2012, als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van € 15.000, - of meer, niet onverwijld melden van een of meer ongebruikelijke transacties in de zin van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft);
     
  • Feit 2: het in de periode van 4 januari 2012 tot en met 3 oktober 2012, als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van € 15.000, - of meer, ten aanzien van een of meer transacties, verrichten van geen dan wel onvolledig cliëntenonderzoek als verplicht in de Wwft.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 februari 2017, en de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

Nadere overweging

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij de start van zijn eenmanszaak met volgens de Kamer van Koophandel als bedrijfsactiviteit ‘winkels in juweliersartikelen en uurwerken’, geen onderzoek heeft gedaan naar de wet- en regelgeving waaraan hij zich moest houden. Verdachte was daarom niet op de hoogte van de op zijn eenmanszaak van toepassing zijnde verplichtingen, zoals neergelegd in de Wwft. Ten aanzien van de hem onder 1 ten laste gelegde ongebruikelijke transacties heeft verdachte verklaard dat hij deze heeft verricht, inhoudende dat hij goud aan naam B.V. heeft verkocht en contant werd uitbetaald. Verdachte wist niet dat hij deze ongebruikelijke transacties moest melden aan het meldpunt.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt voorop dat verdachte heeft erkend dat hij de ongebruikelijke transacties, zoals ten laste gelegd, heeft verricht en deze niet heeft gemeld. Op verdachte rustte echter wel de plicht om van deze transacties melding te maken bij het meldpunt. Zijn stelling dat hij niet wist dat hij melding moest maken van deze ongebruikelijke transacties, is niet relevant. Immers, het opzet in het economisch strafrecht is ‘kleurloos’. De voorschriften van de Wwft betreffen ordeningsrecht. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin ‘kleurloos’ opzet in het ordeningsrecht voldoende wordt geacht, is niet vereist dat het opzet van verdachte ook is gericht op het niet naleven van de op de verdachte rustende wettelijke verplichting ongebruikelijke transacties te melden aan het meldpunt.1 Er hoeft derhalve, anders dan door de raadsvrouw aangevoerd, niet te worden bewezen dat er wetenschap was van het feit dat er sprake was van een ongebruikelijke transactie.

De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat naam B.V. ten tijde van de ongebruikelijke transacties nog niet bestond en dat bovendien aan de hand van de facturen niet kan worden vastgesteld dat verdachte deze ongebruikelijke transacties heeft verricht. Het standpunt van de raadsvrouw is onvoldoende onderbouwd en treft, gelet op de verklaring van verdachte over de ongebruikelijke transacties zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 februari 2017 in samenhang met de vermelding van de naam van verdachte op de facturen, geen doel. Het onder 1 ten laste gelegde kan daarom worden bewezen.

Ten aanzien van de door verdachte verrichte transacties kan worden bewezen dat verdachte, hoewel daartoe verplicht, geen cliëntenonderzoek heeft verricht en dus opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de in artikel 3 Wwft geformuleerde verplichting om cliëntenonderzoek te verrichten. Het onder 2 ten laste gelegde kan dus ook worden bewezen.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, in het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 11 oktober 2013 staat gerelateerd dat verdachte in aanwezigheid van diens toenmalige advocaat is gehoord en hem voorafgaand aan het verhoor is meegedeeld dat hij als verdachte werd gehoord en hij niet tot antwoorden was verplicht. Van enig vormverzuim is aldus geen sprake.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 25.000 waarvan € 10.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF