Veroordeling verduistering toners & computers, vrijspraak (gebruikmaken) valsheid (concept vaststellingsovereenkomst)

Rechtbank Midden-Nederland 8 augustus 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:3764

De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking en heeft daarbij een grote hoeveelheid toners en 24 desktop computers van zijn werkgever weggenomen.
 

Niet-ontvankelijkheidsverweer

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de feiten 1 en 2 op de tenlastelegging zeer gedateerd zijn, namelijk laatstelijk uit 2013. De redelijke termijn is aangevangen op 14 juni 2015 toen de advocaat-generaal in de artikel 12 Sv-procedure adviseerde het beklag van ProRail tegen het niet vervolgen gegrond te verklaren dan wel op 13 augustus 2015, toen het Gerechtshof het beklag gegrond verklaarde.

Ook daarna is niet voortvarend gehandeld, nu deze zaak pas in februari 2017 aan een specifieke opsporingsambtenaar is toegewezen, waarna verdachte pas in september 2017 voor het eerst werd gehoord en pas in 2018 is gedagvaard.

Gelet op de eenvoud en de pleegdata van de ten laste gelegde feiten, de weigering van de politie om werk te maken van de aangiftes en de lange periode van inactiviteit na de beslissing van het Gerechtshof, heeft het Openbaar Ministerie geen belang meer bij een verdere vervolging van verdachte. De raadsman meent dan ook dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden dient te worden met de overschrijding van de redelijke termijn, maar dat deze overschrijding niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert met de verdediging dat in deze strafzaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan overschrijding van de redelijke termijn worden gecompenseerd door vermindering van de straf, die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een dergelijke beslissing moeten zwaarwegende – bijkomende - argumenten bestaan. Dergelijke argumenten zijn uit het dossier noch uit hetgeen door de raadsman is aangevoerd, gebleken.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman. De rechtbank acht de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de dagvaarding geldig is de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van het ten laste gelegde en er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
 

Vrijspraak feit 3

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het onder feit 3 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, nu op basis van het dossier niet bewezen kan worden dat het verdachte is geweest die de handtekening, als zijnde die van ProRail en/of A, op de concept vaststellingsovereenkomst heeft gezet. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 3 primair.

Met betrekking tot het onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Door de officier van justitie is ten aanzien van feit 3 subsidiair een wijziging tenlastelegging gevorderd welke ter terechtzitting is toegestaan. Daarbij heeft de officier van justitie desgevraagd te kennen gegeven dat de oorspronkelijke tekst van feit 3 subsidiair geheel vervangen dient te worden door de gewijzigde tekst.

De oorspronkelijke tekst van de tenlastelegging ten aanzien van feit 3 subsidiair luidde als volgt:

hij op of omstreeks 15 juni 2017 te Gouda, in elk geval in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een vaststellingsovereenkomst/productie als ware het echt en onvervalst, door die vaststellingsovereenkomst/productie met de conclusie van antwoord in de civiele procedure in te brengen.

Na de wijziging tenlastelegging is de tekst als volgt komen te luiden:

hij op of omstreeks 15 juni 2017 te Gouda, in elk geval in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten dat de overgelegde (concept) vaststellingsovereenkomst is ondertekend door ProRail in persoon van A.

Gelet op de tekst van de aldus gewijzigde tenlastelegging kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de geldigheid en kwalificeerbaarheid daarvan.

De rechtbank begrijpt evenwel dat de officier van justitie heeft bedoeld de tenlastelegging te wijzigen in die zin dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst door de concept vaststellingsovereenkomst, voorzien van een valse handtekening, in te brengen in de civiele procedure. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de raadsman de wijziging van de tenlastelegging kennelijk ook zo heeft begrepen, gelet op zijn bij dupliek gehandhaafde verweer.

De rechtbank komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het aan verdachte gemaakte verwijt.

De rechtbank stelt voorop dat de tekst van de concept vaststellingsovereenkomst door ProRail is opgesteld en vervolgens door ProRail aan verdachte is verstrekt. De echtheid en de juistheid van door verdachte in de civiele procedure ingebrachte concept vaststellingsovereenkomst staat in zoverre niet ter discussie.

Op enig moment, voordat verdachte het stuk in de civiele procedure inbracht, is echter door een onbekend gebleven persoon een handtekening op de concept vaststellingsovereenkomst geplaatst als ware deze ondertekend door ProRail. De rechtbank constateert op basis van de zich in het dossier bevindende civiele processtukken dat verdachte in de civiele procedure nimmer op de gewraakte handtekening heeft gewezen of zich daarop heeft beroepen en nimmer heeft betoogd dat de vaststellingsovereenkomst tot stand zou zijn gekomen. Verdachte heeft daarentegen juist het standpunt ingenomen dat de overeenkomst niet tot stand is gekomen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte een vervalst geschrift, te weten de concept vaststellingsovereenkomst met daaronder de gewraakte handtekening, als ware het echt en onvervalst heeft gebruikt. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 3 subsidiair.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1 en 2: telkens, verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had.
     

Strafoplegging

  • De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 100 uur.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF