Veroordeling verdachte rechtspersoon en feitelijk leidinggever voor het zonder vergunning opslaan van en grote hoeveelheid afvalstoffen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:506

Verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele jaren schuldig gemaakt aan opzettelijke overtreding van de Wet milieubeheer door zonder vergunning een grote hoeveelheid afvalstoffen (te weten kunststof grasmatten) op te slaan. Hiermee heeft verdachte belemmerd dat er tijdig en vooraf zicht was op de milieuaspecten die verbonden waren aan een dergelijke opslag. Het hof is er zich overigens van bewust dat het vanuit het perspectief van verdachte gaat om een geringe hoeveelheid van het totaal aan stoffen dat verdachte verwerkt.

Het hof veroordeelt verdachte voor het opslaan van afvalstoffen (artikel 8.1 van de Wet milieubeheer) tot een geldboete van 4.000 euro.

Ontslag van alle rechtsvervolging ter zake van het storten van afvalstoffen buiten een inrichting omdat het in de tenlastelegging genoemde granulaat als bouwstof in een (grond)werk is gebracht (vrijstelling artikel 2, lid 1, aanhef en onder b van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen).
 

Feit 1

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte geheel van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken dient te worden dan wel ter zake van een groot aantal in de tenlastelegging genoemde kunststof grasmatten. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte noch medeverdachte rechthebbende is op het perceel aan de adres en dat zij ook niet de rollen kunstgras hebben aangekocht en daar hebben neergelegd. Volgens de kadastrale gegevens omvat het perceel adres alleen het kadastrale perceel B en dat was destijds eigendom van bedrijf 1 waarvan bedrijf 2 de rechthebbende was. De rollen zijn daar neergelegd door bedrijf 3 of door bedrijf 4 Bovendien is volgens de raadsman uit de foto’s en de kadastrale gegevens af te leiden dat een groot deel van de rollen op perceel B en op perceel D lagen, allebei eigendom van bedrijf 1 Slechts een klein deel van de rollen kunstgras bevond zich op perceel C, welk perceel als enige aan verdachte toebehoorde.

Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat het uitgerolde kunstgras in de paardenbak (springweide) zonder voorafgaande bewerking is gebruikt op vergelijkbare wijze als de primaire bestemming. Het kunstgras in de paardenbak moet daarom niet worden gezien als afval.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder overweegt het hof als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er in de tenlastegelegde periode meer dan 35 kubieke meter kunststof grasmatten heeft gelegen op het perceel adres zonder daartoe verleende vergunning. In opdracht van medeverdachte, de bestuurder van verdachte, zijn deze grasmatten daar opgeslagen omdat er geen ruimte meer was op het perceel van adres. Naar het oordeel van het hof staat vast dat deze kunststof grasmatten afvalstoffen waren. De verdediging heeft dat overigens - met uitzondering van het uitgerolde kunstgras in de paardenbak - ook niet betwist.

Het hof is - met de rechtbank - van oordeel dat de aanduiding “perceel adres ” niet zo beperkt dient te worden uitgelegd dat daar alleen het kadastraal met nummer B aangeduide perceel onder valt. Het hof leidt - onder meer - uit de zich in het dossier bevindende (lucht)foto’s, de door de vertegenwoordiger van verdachte (medeverdachte) afgelegde verklaringen en de namens verdachte door haar vertegenwoordiger ingediende tekening bij de aankondiging van de aanleg van de springweide af dat met de aanduiding “perceel adres ” - ook in de tenlastelegging - wordt bedoeld het erf rondom de woning gelegen aan de adres waar de springweide is aangelegd. De rollen kunststof grasmatten hebben op dit erf gelegen. De grenzen van dit erf zijn duidelijk herkenbaar. Naar het oordeel van het hof behoren de kadastraal met de nummers A, B, C en D aangeduide percelen tot voornoemd perceel (zie: dossierpagina 77). De kadastrale percelen met de nummers A, B en D zijn eigendom van bedrijf 1, het kadastrale perceel met nummer C is eigendom van verdachte. Het hof verwijst in dit verband naar het proces-verbaal kadastrale gegevens adres op dossierpagina 74 e.v. Enig aandeelhouder van deze B.V.’s is bedrijf 2 waarvan medeverdachte de bestuurder is. Uit de omstandigheden dat de kunststof grasmatten in opdracht van medeverdachte - de bestuurder (directeur) van alle hiervoor genoemde B.V.’s - op het perceel aan de adres zijn opgeslagen en verdachte (in elk geval) rechthebbende is van een groot deel van dit perceel waarop deze matten lagen, leidt het hof ook af dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde kunststof grasmatten hier heeft opgeslagen. Het hof begrijpt dat medeverdachte in ieder geval ook namens verdachte heeft gehandeld toen hij de opdracht gaf de kunststof grasmatten op te slaan op het perceel aan de adres.

Het subsidiair door de raadsman gevoerde verweer behoeft geen bespreking omdat de tenlastelegging alleen ziet op de opslag van de kunststof grasmatten.

Gelet op het voorgaande verklaart het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde opzettelijk heeft begaan. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, verklaart het hof niet bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met medeverdachte heeft gepleegd.
 

Feit 2

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde, nu niet kan worden bewezen dat verdachte zich heeft ontdaan van een afvalstof. Volgens de verdediging gaat het om Ecogranulaat dat eerder al door bedrijf 5 thermisch was gereinigd waardoor het asfalt een behandeling heeft ondergaan voor een nuttige toepassing en daarmee zijn afvalstatus heeft verloren. Aan alle criteria die daarvoor genoemd worden in de Afvalstoffenrichtlijn 2008/98/EG en die zijn overgenomen door de Hoge Raad, is immers voldaan. Verdachte heeft zich niet ontdaan van dit Ecogranulaat maar dit gebruikt op de wijze waarvoor het is bedoeld, namelijk als bodemverharding. Volgens de raadsman hebben de door keuringsbedrijf uitgebrachte keuringsrapporten wel degelijk betrekking op voornoemd granulaat. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman gewezen op door adviesbureau en het NFI verricht bodemonderzoek op het terrein aan de adres, waaruit is gebleken dat het granulaat geen negatieve invloed heeft gehad op de bodem.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder overweegt het hof als volgt.

In juni 2004 heeft verdachte van bedrijf 5 (hierna: bedrijf 5) een hal aan de adres in Barneveld gekocht met de daarin opgeslagen hoeveelheid (asfalt)granulaat. In opdracht van medeverdachte, de bestuurder van verdachte, is in het jaar 2005 een grote hoeveelheid van het in deze hal opgeslagen granulaat gestort op de adres.

De vraag die door het hof beantwoord moet worden in de onderhavige zaak, is of dit granulaat een afvalstof betreft.

Bij de beantwoording van die vraag is volgens bestendige jurisprudentie van belang of het gaat om een stof waarvan de (eerste) houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. De term “zich ontdoen van” moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de doelstelling van de Richtlijn betreffende afvalstoffen, namelijk de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu tegen schadelijke gevolgen veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen. Het begrip “afvalstof” dient dus niet restrictief te worden uitgelegd.

Voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet of voornemens is zich te ontdoen zijn afvalstoffen, ongeacht of zij bijvoorbeeld substantiële waarde hebben in het economisch verkeer of op zichzelf voor hergebruik geschikt zijn en blijven dat totdat zij de status van afvalstof hebben verloren.

Het Hof van Justitie heeft de “einde-afvalfase” in de zaak ARCO (HvJ EG 15 juni 2000, zaken C-418/97 en C-419/97) omschreven als het moment waarop de nuttige toepassing is voltooid en waardoor de betrokken stof dezelfde eigenschappen en kenmerken als een grondstof heeft verkregen. Volgens de Hoge Raad moet deze maatstaf aangelegd worden bij de beantwoording van de vraag of stoffen niet langer afvalstoffen zijn (zie: arrest van de Hoge Raad van 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1571).

Medeverdachte, de vertegenwoordiger van de verdachte, heeft verklaard dat het granulaat in de grond op het perceel adres is gestort met het doel daar - op het moment van storten al - een paardenbak (springweide) te maken. Het hof acht dit - met de rechtbank - niet aannemelijk geworden. Daartoe overweegt het hof dat de verdediging deze stelling niet heeft onderbouwd met een uitgewerkt plan uit die periode en dat bovendien uit het dossier blijkt dat verdachte pas in juli 2007 een brief heeft geschreven aan de gemeente waarin de aanleg van de springweide wordt aangekondigd. Het granulaat lag er toen al enkele jaren.

Uit het voorgaande trekt het hof de conclusie dat de (eventuele) nuttige toepassing in het jaar 2005, toen het granulaat werd gestort op het in de tenlastelegging genoemde perceel, nog niet was voltooid. Bedrijf 5 (de vorige eigenaar van het granulaat) en verdachte wilden zich in beide van dit granulaat ontdoen. Dat betekent in het licht van voornoemde jurisprudentie dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich in 2005 opzettelijk heeft ontdaan van afvalstoffen, te weten het in de tenlastelegging genoemde (asfalt)granulaat. Het gegeven dat het granulaat was opgeschoond - zoals betoogd door de raadsman en waarvan het hof, zoals hierna zal blijken, ook van uit gaat - en daarmee mogelijk voldeed aan de in het (destijds geldende) Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming met betrekking tot een categorie 1-bouwstof gestelde eisen maakt niet dat er geen sprake (meer) was van een afvalstof (vgl. ABRvS ECLI:NL:RVS:2005:AT1966).

Het hof zal hierna bij de strafbaarheid van het bewezenverklaarde ingaan op de rest van het door de raadsman gevoerde verweer.
 

Ontslag van alle rechtsvervolging feit 2

Het onder 2 bewezenverklaarde levert naar het oordeel van het hof geen strafbaar feit op. De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is het hof - met de raadsman - van oordeel dat de door keuringsbedrijf uitgebrachte keuringsrapporten betrekking hebben op het in de tenlastelegging genoemde (asfalt)granulaat. Het hof acht het, mede gelet op het door adviesbureau en het NFI verrichte bodemonderzoek, aannemelijk dat verdachte opgeschoond granulaat ten behoeve van een terreinverharding heeft gestort op de adres, ook al bestond toen nog geen concreet voornemen voor de aanleg van een paardenbak op die plaats. Dit granulaat is door verdachte niet ineens maar in lagen aangebracht: eerst de fijne lagen en daarna de grove lagen.

Gelet daarop is de volgende regelgeving van belang.

Ingevolge artikel 10.2, eerste lid van de Wet milieubeheer is het verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.

Gelet op het bepaalde in artikel 10.2, tweede lid van de Wet milieubeheer kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen is tot 14 november 2005 bepaald dat als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 10.2, tweede lid van de Wet milieubeheer wordt aangegeven: het zich van afvalstoffen ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting op of in de bodem te brengen indien het werken, niet zijnde inrichtingen betreft, als aangegeven in bijlage I, onder 28.3, onder c, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, tenzij het betreft het gebruik van avi-bodemas.

In voornoemde bijlage van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer is het hiervoor genoemde begrip “werken” tot 14 november 2005 omschreven als: werken als bedoeld in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming waarin als bouwstof worden gebruikt afvalstoffen, die kunnen worden aangemerkt als bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van dat besluit.

Vanaf 15 november 2005 is in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen bepaald dat als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 10.2, tweede lid van de Wet milieubeheer wordt aangegeven: het zich van afvalstoffen ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting op of in de bodem te brengen indien dit geschiedt overeenkomstig het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming in een werk waarin afvalstoffen, met uitzondering van avi-bodemas, worden gebruikt als bouwstof.

De voorgaande, in 2005 geldende, artikelen van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen komen inhoudelijk op hetzelfde neer.

Het begrip “werk” is in artikel 1 van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming gedefinieerd als: grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk.

Gelet op het voorgaande komt verdachte een beroep op de in voornoemd artikel van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen genoemde vrijstelling toe indien zij het in de tenlastelegging genoemde granulaat (zijnde een afvalstof) als bouwstof in een werk heeft gebracht.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de terreinverharding (bodemverharding) waarvoor verdachte het granulaat heeft gebruikt een “werk” is als bedoeld in artikel 1 van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming. Naar het oordeel van het hof dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord. Het hof heeft bij zijn beslissing acht geslagen op twee uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin deze afdeling heeft geoordeeld dat een verharding van (bos)paden en een erfverharding als “werken” in voornoemde zin dienen te worden beschouwd (zie: ABRvS 31 januari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ7457 en ABRvS 10 april 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE1245). Gelet op deze twee uitspraken trekt het hof de conclusie dat ook de terreinverharding in de onderhavige zaak een “werk” - namelijk een grondwerk - is.

Dat betekent naar het oordeel van het hof dat verdachte het in de tenlastelegging vermelde granulaat als bouwstof in een (grond)werk heeft gebracht. Het hof heeft daarbij mede gelet op de omstandigheid dat verdachte - zoals zojuist overwogen - het opgeschoonde granulaat in lagen heeft gestort. Daarmee komt verdachte een beroep op de vrijstelling van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen toe. Dientengevolge moet verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, tweede lid in verbinding met artikel 8.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.
  • Feit 2: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.
     

Strafoplegging

Het hof veroordeelt verdachte voor het opslaan van afvalstoffen (artikel 8.1 van de Wet milieubeheer) tot een geldboete van 4.000 euro.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:505

Het hof veroordeelt de feitelijk leidinggever aan het opslaan van afvalstoffen tot een geheel voorwaardelijke geldboete van 4.000 euro met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF