Veroordeling verdachte als feitelijk leidinggevende ter zake van o.a. het meermalen opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 1 oktober 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4471

Essentie

Veroordeling verdachte als feitelijk leidinggevende ter zake van het meermalen opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting, het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen en het opzettelijk niet bewaren van ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden of andere gegevensdragers (artikel 69 AWR), alsmede veroordeling van verdachte ter zake van het opzettelijk onjuist doen van aangiften inkomstenbelasting en witwassen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Namens verdachte is betoogd dat het opzet op de ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en verdachte mitsdien van deze feiten dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte voor de boekhouding van X B.V. en het verzorgen van de aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting van deze vennootschap, alsmede de aangiften inkomstenbelasting van verdachte zelf, A als boekhouder had ingeschakeld, dat de administratie van X B.V. en zijn eigen administratie prima op orde was en genoemde persoon ter zake van genoemde werkzaamheden buiten medeweten van verdachte in gebreke is gebleven. In dit verband heeft de verdediging voorts aangevoerd dat aan de belastende verklaringen die A over verdachte heeft afgelegd geen geloof dient te worden gehecht, nu deze persoon – zijnde een medeverdachte in onderhavige strafzaak – hiermede louter zijn eigen rol tracht te verhullen. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte tijdens de politieverhoren zeer emotioneel was, hij die verhoren als zeer intimiderend heeft ervaren, hij tijdens deze verhoren niet beschikte over zijn bril, waardoor hij niet in staat was om hetgeen de verbalisanten hadden opgetekend na te lezen, en voorts de inhoud van die vastgelegde verhoren slechts in grote lijnen aan hem is voorgehouden. Aldus hebben deze verhoren volgens de verdediging niet op de juiste wijze plaatsgevonden en dient – zo begrijpt het hof – aan de belastende verklaringen die verdachte tijdens deze verhoren aangaande hemzelf heeft afgelegd geen waarde te worden gehecht.

Het hof overweegt dienaangaande dat het geen reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de – tot het bewijs gebezigde delen van de – verklaringen van A en verdachte, waaronder de passages die zien op de onvolledige administratie van X B.V. en de verklaring van Adat hij met verdachte heeft besproken dat hij volstond met het doen van nihil-aangiften omzetbelasting, vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting. In het bijzonder hecht het hof geloof aan die (delen van de) verklaringen, nu deze onderling ook bevestiging vinden in elkaar.

Voorts overweegt het hof dat uit de inhoud van de politieverhoren van verdachte niet blijkt dat verdachte deze verklaringen onder grote druk heeft afgelegd dan wel sprake was van enige verwarring bij verdachte. Die verklaringen, door verdachte tijdens verschillende politieverhoren op verschillende dagen afgelegd, weerspreken dat sprake was van een verwarde en geëmotioneerde persoon. Zij geven blijk van een persoon die zowel in staat was zichzelf goed in woorden uit te drukken als ook herberekeningen uit te voeren van zwart loon dat door X B.V. in de ten laste gelegde periode aan Polen was uitbetaald. Evenmin blijkt uit die verklaringen dat verdachte niet op adequate wijze heeft kennis kunnen nemen van de inhoud van die verklaringen. Blijkens de betreffende processen-verbaal heeft verdachte zijn verklaringen telkens doorgelezen alvorens te tekenen voor de juistheid van de weergave van die verklaringen. Voor de hiervoor bedoelde verklaring van verdachte afgelegd op 28 april 2010, waarbij verdachte onder meer verklaart dat hij de administratie niet goed bijhield en A hem had verteld dat hij nihil op de aangiften had ingevuld, geldt bovendien dat blijkens het proces-verbaal van verhoor deze verklaring ook is voorgelezen.

Gelet op het al vorenoverwogene ziet het hof geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de inhoud van de tot het bewijs gebezigde verklaringen van verdachte en A.

Tot slot overweegt het hof dat de omstandigheid dat beweerdelijk ook A is tekortgeschoten in zijn werkzaamheden voor verdachte en X B.V. aan het opzet dat verdachte in verband met de aan hem ten laste gelegde feiten kan worden verweten niet af doet.

Bewezenverklaring

Het onder 1. en 2. bewezen verklaarde levert telkens op: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het onder 3. bewezen verklaarde levert op: Medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Het onder 4. bewezen verklaarde levert op: Ingevolge de belastingwet verplicht zijnde een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen te voeren, een zodanige administratie opzettelijk niet voeren, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging en ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden of andere gegevensdragers te bewaren, deze opzettelijk niet bewaren, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Het onder 5. bewezen verklaarde levert op: Witwassen, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de mate waarin het vertrouwen dat de fiscale overheid in belastingaangiften mag stellen door verdachte is geschonden;
  • de omstandigheid dat gedurende langere tijd, te weten een periode van bijna 4 jaar, telkenmale valse belastingaangiften zijn gedaan;
  • de omstandigheid dat verdachte reeds vele jaren als ondernemer werkzaam is en uit dien hoofde wist welke administratieve verplichtingen op hem als feitelijk leidinggevende van X B.V. rusten;
  • de omstandigheid dat verdachte blijkens diens verklaring iedere maand een salaris genoot uit X B.V. ten bedrage van € 3.000,= per maand, zijnde € 36.000,= per jaar, welk inkomen hij niet heeft vermeld in zijn aangifte IB/premie volksverzekering over de jaren 2005 en 2006 waardoor een fiscaal nadeel is ontstaan;
  • het feit dat door verdachte als gevolg van de niet op aangifte voldane omzetbelasting aan de Nederlandse Staat een fiscaal nadeel is toegebracht, dat is becijferd op een bedrag van zeker € 368.000,=;
  • de omstandigheid dat verdachte blijkens diens verklaring gedurende 4 jaren onbekend gebleven personeel “zwart” heeft uitbetaald voor een door verdachte zelf geschat bedrag van € 240.000,= per jaar, ter zake waarvan geen loonadministratie is bijgehouden en door X B.V. geen loonheffing is afgedragen. Als gevolg daarvan is gedurende meerdere jaren de fiscus, en daarmee de samenleving, globaal genomen honderdduizenden euro’s nadeel toegebracht.

(Het hof zou dit fiscale nadeel alleen al over de jaren 2005 tot en met 2007 kunnen becijferen op een bedrag van zeker acht ton aan loonheffing (2005 € 312.960 (tarief 130,4%); 2006 € 259.920 (tarief 108,3%) en 2007 € 259.920 (tarief 108,3%)). Het hof zal evenwel niet direct aansluiting zoeken bij deze, voor verdachte nadeligere, becijfering, nu deze bedragen niet als zodanig ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is geweest);

  • het fiscale nadeel ontstaan als gevolg van de malversaties binnen X B.V. en als gevolg van verdachtes malversaties aangaande zijn inkomstenbelasting, in totaal dus substantieel is geweest, waardoor het nadeel de € 500.000,= zeker heeft overschreden.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 31 juli 2013, waaruit blijkt dat verdachte eerder door een strafrechter is veroordeeld;
  • de persoonlijke omstandigheden van verdachte voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder gezondheidstoestand van zijn echtgenote;
  • de omstandigheid dat na het tijdstip waarop het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels 5 jaren zijn verstreken.

Bij een benadelingsbedrag van € 500.000,= tot € 1.000.000,= wordt als regel zeker niet minder dan 18 tot 24 maanden gevangenisstraf opgelegd. Verdachte heeft daarnaast ook nog gelden witgewassen. Omdat het hof het de verdachte, in zijn rol als feitelijk leidinggevende van de rechtspersoon zwaar aanrekent dat hij gedurende een aantal jaren steeds opnieuw ervoor heeft gekozen om onjuiste aangiftes te doen en hij ook gedurende een aantal jaren de administratie van X B.V. niet op orde had en hij grote bedragen aan loon zwart heeft uitbetaald en hem voorts zwaar aanrekent dat hij bij herhaling zijn eigen inkomstenbelastingaangiftes onjuist heeft gedaan, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf terwijl voorts niet kan worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal is geëist. Het hof zal daarom gevangenisstraf van na te melden duur opleggen.

Het hof zal bepalen dat een deel van die gevangenisstraf voorwaardelijk zal worden opgelegd. Gelet op het feit dat verdachte ook thans nog als ondernemer werkzaam is en hij als gevolg daarvan nog dagelijks met diverse, uit hoofde van de belastingwet op hem rustende, (administratie)verplichtingen wordt geconfronteerd, wordt met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf, de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF