Veroordeling tot een werkstraf voor verschillende overtredingen van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de Wet wapens en munitie

Rechtbank Assen 28 december 2012, LJN BY7446 De rechtbank acht bewezen verklaard:

  1. Overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 19 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan, strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet op de economische delicten;
  2. Overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan, strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet op de economische delicten;
  3. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet wapen en munitie;
  4. Handelen in strijd met artikel 6 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 54 van de Wet wapen en munitie.

Bewijsmotivering

Ten aanzien van feit 1: 

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte voor dit feit dient te worden vrijgesproken, nu niet kan worden bewezen dat verdachte de werkzame stoffen aldicarb en/of parathion (mythyl) heeft gebruikt.

De rechtbank kan zich niet in de zienswijze van de raadsman vinden. De rechtbank acht op grond van te melden bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aldicarb heeft gebruikt.

Tijdens de zoeking op 31 oktober 2012 te Anloo zijn potten met grijze korrels (vermoedelijk aldicarb) inbeslaggenomen. Uit een onderzoeksrapport van het Central Veterinary Institute te Lelystad blijkt dat de glazen potten met korrels inderdaad aldicarb bevatten. Verdachte heeft daarnaast ter terechtzitting verklaard dat hij temik aanwezig heeft gehad en dat temik hetzelfde is als aldicarb. De rechtbank merkt hierbij op dat blijkens de in artikel 1 lid 2 van de Wet gewasbeschermings-middelen en biociden omschreven definitie van "gebruiken" mede wordt verstaan "de aanwezigheid van de werkzame stof".

Ten aanzien van feit 2: 

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte ook voor dit feit niet kan worden veroordeeld, nu verdachte niet de bewuste kennis had over de aanwezigheid van de middelen op de boerderij van zijn overleden vader. Tevens kan volgens de raadsman alleen de aanwezigheid van de middelen Condor, Luxan paraquat-G en Luxan paraquat worden vastgesteld, nu alleen deze middelen zijn onderzocht.

De rechtbank is op grond van te melden bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de hiervoor door de raadsman genoemde gewasbeschermingsmiddelen voorhanden heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat verdachte verantwoordelijk is voor de aanwezigheid van de aangetroffen gewasbeschermingsmiddelen, daaraan doet niet af dat verdachte niet exact wist om welke middelen het ging.

Op 31 oktober 2011 zijn te Anloo inbeslaggenomen de gewasbeschermingsmiddelen Condor, Luxan paraquat-G en Luxan paraquat. Deze middelen zijn onderzocht door het Central Veterinary Institute te Lelystad met een positief resultaat met betrekking tot de werkzame stoffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de Algemene Inspectiedienst blijkt dat de gewasbeschermingsmiddelen die zijn aangetroffen, gewasbeschermingsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 1 van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (Wgb). De middelen Luxan Paraquat -G, Luxan Paraquat zijn niet meer in Nederland toegelaten. Verdachte heeft verklaard dat hij voor het landbouwspul bij zijn moeder te Anloo verantwoordelijk is. Er stond volgens hem ook een kast voor gewasbeschermingsmiddelen in de schuur; daar stond onder andere Paraquat.

Ten aanzien van feit 3:

Verdachte heeft hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard bekend en nadien niet anders heeft verklaard.

Ten aanzien van feit 4: 

Verdachte heeft hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard bekend en nadien niet anders heeft verklaard.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte terzake van dit feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien verdachte kort voor de zoeking terug was gekomen van de jacht in Duitsland en derhalve nog niet de tijd heeft gehad de patronen deugdelijk op te bergen.

De rechtbank kan zich niet in dit standpunt van de raadsman van verdachte vinden dat verdachte (door tijdgebrek) in de onmogelijkheid verkeerde om de patronen in een bergplaats overeenkomstig de jachtakte op te bergen, nu verdachte blijkbaar wel de tijd had om zijn geweer in een bergplaats te plaatsen.

 

De rechtbank veroordeelt verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 tot een taakstraf van 80 uren werkstraf en ten aanzien feit 4 tot een geldboete van € 500.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF