Veroordeling tot een gevangenisstraf van 12 maanden voor oplichting van een groot aantal klanten van het reisbureau van de verdachte

Gerechtshof Amsterdam 11 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5235

De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan de oplichting van een zeer groot aantal klanten van zijn reisbureau door hen te laten betalen voor vliegtickets of hotelovernachtingen naar en in Turkije en Marokko, terwijl de verdachte deze vliegtickets of hotelovernachtingen uiteindelijk niet boekte bij de touroperator of vliegmaatschappij. De klanten waren in de veronderstelling dat ze met de reisbescheiden die ze, na de betaling van de reissom, van de verdachte kregen, op vakantie naar Turkije of Marokko konden gaan. In veel gevallen kwamen de klanten pas op Schiphol of zelfs pas in Turkije erachter dat hun (terug)reis niet geboekt was. Zij zagen zich daardoor gesteld voor de keuze tussen het boeken van een duurder vliegticket op de luchthaven of de teleurstelling dat hun vakantiereis niet door kon gaan. Veel klanten hadden, zoals uit het dossier blijkt, lang gespaard om hun vliegtickets te betalen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het faillissement van de verdachte thans wegens gebrek aan baten is opgeheven. De verdachte heeft nog een openstaande schuld en in die schuld vallen, volgens de verdachte, een groot deel van de vorderingen die de benadeelde partijen op de verdachte hebben. Niet duidelijk is geworden op welk deel van de vorderingen dit ziet. Nader laten onderzoeken welk deel van de vorderingen in het faillissement zijn meegenomen en welk deel niet, vormt naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partijen kunnen daarom thans in hun vordering niet in hoger beroep worden ontvangen en kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Wel staat naar het oordeel van hof vast dat benadeelde partijen, die zich in het strafgeding hebben gevoegd en die hun reissom binnen de bewezen verklaarde periode hebben betaald, schade hebben geleden door het handelen van de verdachte. Het hof is van oordeel dat de verdachte steeds de betaalde reissom aan iedere getroffen benadeelde partij moet terugbetalen. Bij de benadeelden voor wie slechts de terugreis niet mogelijk was, zal het hof de helft van het aan de verdachte betaalde bedrag als geleden schade aanmerken. Het hof zal daarom steeds de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ter hoogte van de betaalde reissom opleggen. Bij de benadeelden voor wie slechts de terugreis niet mogelijk was, zal het hof de maatregel opleggen ter hoogte van de helft van het aan de verdachte betaalde bedrag. Om te voorkomen dat – in het geval van toepassing van vervangende hechtenis – de oplegging van het totaal van deze maatregelen een punitief karakter krijgt, ziet het hof, net als de rechtbank, aanleiding om de vervangende hechtenis steeds te beperken tot 1 dag per slachtoffer.

Lees hier de volledig uitspraak.

Print Friendly and PDF