Veroordeling tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 3 voorwaardelijk voor het plegen van belastingfraude en het niet meewerken aan een boekenonderzoek

Rechtbank Amsterdam 7 februari 2013, LJN BZ1113 Het gaat in deze zaak kort gezegd om een verdenking van fraude op het gebied van aftrekken als voorbelasting. Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij bij zijn kwartaalaangiften omzetbelasting telkens heeft opgegeven dat zijn voorbelasting hoger was dan zijn omzetbelasting en dat zo telkens te weinig belasting werd geheven. Het tweede verwijt is dat hij zijn boekhouding niet ter raadpleging beschikbaar heeft gesteld, toen de Belastingdienst daarom vroeg, met als doel dat de Belastingdienst er niet achter zou komen dat te weinig belasting werd geheven.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Standpunt van verdachte

Verdachte heeft erkend dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het indienen van onjuiste kwartaalaangiften, maar dat het de Belastingdienst is die dit soort zaken beter moet controleren. Hij verwijt de Belastingdienst dan ook dat dit wordt toegelaten. Verdachte is doorgegaan met het doen van onjuiste belastingaangiften, omdat hij in de schulden zat en, achteraf tegen beter weten in, hoopte dat zijn onderneming op een gegeven moment wel winstgevend zou worden.

Verdachte heeft over (het niet ter raadpleging beschikbaar stellen van) zijn boekhouding verklaard dat hij wel een webshop had, maar geen idee had hoe je een boekhouding moet voeren. Hij hield alles bij in een Excel-bestand en de papieren die hij ontving, deed hij in een ordner. Wat bij hem thuis is gevonden, is zijn boekhouding. Op 2 januari 2010 heeft hij per post stukken naar de Belastingdienst gestuurd. Daarvan heeft hij zelf geen kopie bewaard. Verdachte heeft verder verklaard dat hij inderdaad de Belastingdienst heeft proberen te ontwijken, toen deze zijn boeken wilde komen controleren.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht bewezen verklaard hetgeen onder 1 en 2 ten laste gelegd:

  1. het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd en
  2. het opzettelijk een feit begaan, omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdeel b, Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF