Veroordeling terzake poging tot oplichting door middel van babbeltruc

Rechtbank Amsterdam 22 februari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:988

Verdachte heeft samen met zijn mededader(s) met een geraffineerd en listig verhaal geprobeerd een man van 88 jaar geld afhandig te maken. Verdachte en zijn mededader(s) hebben zich voorgedaan als klusjesmannen en hebben misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zij in die hoedanigheid van het slachtoffer wisten te winnen.

Op 21 oktober 2017 werd er aangebeld bij de woning van aangever. Bij het openen van de deur maakten twee mannen zich bekend als klusjesmannen. Zij verklaarden dat het dak van aangever lekkage veroorzaakte en verzochten aangever om geld ter reparatie. Aangever is vervolgens met de mannen naar een pinautomaat gereden en heeft daar €800, - gepind. Dit bedrag heeft hij aan de mannen gegeven. Op 23 oktober 2017 werd er opnieuw aangebeld bij de woning van aangever. Twee mannen vertelden dat er meer geld nodig was voor de lekkage, waarop aangever met hen bij twee pinautomaten in totaal €4000, - heeft gepind. Dit bedrag heeft hij aan hen gegeven. Op 26 oktober 2016 werd aangever gebeld door een onbekend persoon. De onbekende persoon vertelde aangever dat er nog €2000, - nodig was voor de lekkage en dat het geld later op de dag zou worden opgehaald. Aangever, die het niet meer vertrouwde, is vervolgens naar de huisartsenpraktijk gegaan. Aldaar heeft het personeel de politie gebeld. De politie is met aangever naar zijn woning gegaan. Eenmaal in de woning werd aangever nog twee keer gebeld. De beller zei dat het geld twintig minuten later door zijn collega zou worden opgehaald. Op het afgesproken tijdstip werd er aangebeld door een man, verdachte. Daarop is verdachte aangehouden.
 

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, met dien verstande dat zij alleen de oplichtingshandelingen gepleegd op 21 oktober 2017 bewezen acht. De aangever weet niet meer zeker of de mannen waarmee hij 23 oktober 2017 is meegereden dezelfde zijn als de mannen waarmee hij op 21 oktober 2017 is meegereden, maar hij heeft verdachte wel herkend als één van de mannen die er op 21 oktober 2017 bij was. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde poging tot oplichting bewezen kan worden. Het cumulatief/alternatief tenlastegelegde is niet toegesneden op de poging oplichting die zich hier voordeed en moet alleen als een alternatief worden gezien, namelijk wanneer de poging oplichting niet bewezen zou kunnen worden en uitgegaan zou worden van de juistheid van de verklaring van verdachte dat hij geld kwam halen voor een vriend. Dat onderdeel hoeft dus niet bewezen te worden verklaard.
 

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, onder verwijzing naar zijn op schrift gestelde pleitnota, op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Voor feit 1 is onvoldoende bewijs aanwezig. Het door de aangever gegeven signalement van de oplichters komt niet overeen met het uiterlijk en de kleding van verdachte en ook de herkenning van verdachte door aangever is onvoldoende betrouwbaar om daaraan enige bewijswaarde toe te kennen. Het dossier bevat evenmin voldoende bewijs om vast te stellen dat verdachte zich samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan poging tot oplichting. Verdachte is naar de woning van aangever gegaan en heeft aangebeld, maar de andere verweten handelingen kunnen niet aan verdachte worden gekoppeld. Ten slotte is er onvoldoende bewijs voor een bewezenverklaring van poging tot witwassen.
 

Het oordeel van de rechtbank
 

Vrijspraak feit 1

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde, voor zover betrekking hebbend op 23 oktober 2017, niet bewezen kan worden. De rechtbank vindt dat er ook niet voldoende bewijs is dat verdachte zich op 21 oktober 2017 schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe, met betrekking tot 21 oktober 2017, het volgende.

Aangever heeft in zijn aangifte verklaard dat hij een beetje vergeetachtig is en zich niet kan herinneren of de mannen waarmee hij op 23 oktober 2017 is gaan pinnen dezelfde mannen waren als de mannen waarmee hij op 21 oktober 2017 is gaan pinnen. Hij heeft bij zijn aangifte ook niet verklaard dat hij verdachte herkent als één van de mannen waar hij op 21 of 23 oktober 2017 mee is gaan pinnen. De latere verklaring van aangever van 1 december 2017, waarin hij verklaart dat hij verdachte herkent als één van de mannen waarmee hij eerder (de rechtbank begrijpt: op 21 oktober 2017) is gaan pinnen, acht de rechtbank onvoldoende betrouwbaar om tot bewijs te dienen. Aangever geeft in deze verklaring namelijk een ander signalement van de oplichters. In zijn aangifte heeft aangever het over mannen met een buitenlands uiterlijk, de ene man groter dan de andere man, korte kapsels en nette bijna legerkleurige kleding, maar in zijn latere verklaring op 1 december 2017 spreekt hij over blanke mannen van gelijke lengte met sportieve kleding en stevige schoenen. De kleding die verdachte op het moment van zijn aanhouding droeg voldeed bovendien niet aan hetgeen de aangever heeft beschreven. Zo droeg verdachte sportschoenen en had hij in plaats van sportieve kleding een werkbroek en werktrui van gereedschapsfabrikant DeWalt aan. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de herkenning onvoldoende betrouwbaar om tot een bewezenverklaring te komen. Nu er verder ook niet voldoende bewijs is moet de rechtbank tot een vrijspraak komen.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde poging tot oplichting en overweegt hiertoe als volgt.

Wetenschap

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 26 oktober 2017 bij aangever heeft aangebeld om werkgereedschappen op te halen voor twee Engels sprekende mannen. Verdachte was naar eigen zeggen vijf minuten daarvoor door de mannen benaderd om dit te doen in ruil voor €20, -. De telefoon die bij hem is aangetroffen en waarmee aangever kort voor zijn komst is gebeld met de vraag of hij alleen is en het geld (€2000, -) heeft, heeft verdachte van deze Engels sprekende mannen meegekregen, aldus verdachte.

De rechtbank hecht geen geloof aan deze verklaring van verdachte. Verdachte heeft wisselend verklaard over zijn komst naar de woning van aangever. Hij heeft namelijk eerder, direct na zijn aanhouding bij het overbrengen, aan de politie verklaard dat hij geld kwam halen voor een vriend en bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij bij verschillende huizen heeft aangebeld om te waarschuwen dat er een auto stond die de lichten nog aan had staan. Pas in een later stadium heeft hij verklaard over het ophalen van gereedschappen. De uitleg voor deze wisselende verklaringen, namelijk dat hij dit bij het overbrengen na zijn aanhouding niet zou hebben gezegd en dat zijn advocaat hem heeft gezegd dat hij een onjuist verhaal bij de rechter-commissaris zou moeten vertellen, overtuigt niet. Het proces-verbaal van bevindingen is immers op ambtseed opgemaakt en geeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de weergave. Verder is, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet goed voorstelbaar dat verdachte door zijn advocaat zou zijn geïnstrueerd om ten overstaan van de rechter-commissaris een verhaal in strijd met de waarheid te vertellen.

De rechtbank stelt verder vast dat aangever op georganiseerde wijze is opgelicht. Binnen het oplichtingsscenario zoals zich dat hier heeft voorgedaan, past niet dat de oplichters van aangever, verdachte, een voor hen totaal onbekende, op straat zouden hebben ontmoet en hem hebben benaderd voor het verrichten van een substantiële rol binnen het oplichtingsplan, namelijk het ophalen van een flink geldbedrag. Dat de oplichters van aangever iemand die zij in het geheel niet kennen toevertrouwen met een aanzienlijk geldbedrag van €2000, - en een mobiele telefoon is zozeer onaannemelijk dat hieraan geen geloof wordt gehecht. Gezien de belangrijke rol die verdachte heeft gespeeld, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het oplichtingsplan op de hoogte was.

Medeplegen

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden aangemerkt als medepleger. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld het arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474) is voor medeplegen vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Voor medeplegen is niet vereist dat iedere medepleger bij alle uitvoeringshandelingen betrokken is. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van verdachte sprake van medeplegen. De onder de 1e, 2e, 3e en 4e gedachtestreepjes ten laste gelegde handelingen zijn door andere personen verricht. Niet bekend geworden is wie dat is/zijn geweest. Maar zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wel van het oplichtingsplan op de hoogte was. In de gehele constellatie was de rol van verdachte, aan wie het sluitstuk van de oplichting, namelijk het ophalen van het geldbedrag, was toevertrouwd zodanig belangrijk, dat hij ook ten aanzien van de onder de 1e, 2e, 3e en 4e gedachtestreepjes ten laste gelegde handelingen als medepleger dient te worden aangemerkt.
 

Feit 2 cumulatief  

Blijkens de toelichting van de officier van justitie heeft de steller van de tenlastelegging ten aanzien van het onder 2 cumulatief/alternatief ten laste gelegde het oog gehad op alleen een alternatief feit, namelijk voor het geval het medeplegen aan de poging oplichting niet bewezen kan worden en uitgegaan zou worden van de juistheid van de verklaring van verdachte, dat hij alleen geld voor een vriend ging ophalen. Nu de rechtbank de verklaring van verdachte niet volgt en het onder 2 primair ten laste gelegde bewezen acht, zal verdachte worden vrijgesproken van het witwassen zoals dat onder 2 cumulatief ten laste is gelegd.
 

Strafoplegging

  • Een gevangenisstraf van 4 maanden.
     

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF