Veroordeling schuldheling & schuldwitwassen voor “verwende” zoon

Rechtbank Rotterdam 30 augustus 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:7292

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen en schuldheling en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De moeder van de verdachte heeft in de jaren 2012 tot en met 2016 grote sommen geld verduisterd bij Stichting naam stichting. Daarvan zijn substantiële bedragen ten goede gekomen aan de verdachte. De verdachte was weliswaar niet bekend met de criminele herkomst van dit geld, maar had dit wel redelijkerwijs moeten vermoeden. Hij wist dat hij substantiële bedragen ontving van zijn moeder, in de vorm van overboekingen, contante stortingen, contante bedragen en dure cadeaus. De inkomsten van de moeder waren onvoldoende om deze uitgaven te doen, zeker als rekening wordt gehouden met de kosten van haar eigen levensonderhoud en die van haar man (die sinds 2007 geen of nauwelijks inkomsten had). Onder deze omstandigheden hadden er alarmbellen af moeten gaan en rustte op de verdachte een onderzoeksplicht waarbij hij zich af moest vragen hoe het mogelijk was dat zijn moeder dit alles kon betalen.
 

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat hij niet redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de geldbedragen en/of de voorwerpen die hij ontving uit enig misdrijf afkomstig waren. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte ervan uitging dat zijn moeder een goed betaalde directiefunctie had bij Stichting naam stichting, dat zij bij haar vorige werkgever naam bank regelmatig bonussen had gehad en daar is vertrokken met een substantiële vertrekpremie en dat zijn moeder in het verleden een erfenis had gehad en zij financieel bijzonder goed onderlegd was. Om al deze redenen heeft de verdachte nooit getwijfeld aan het feit dat hij door zijn moeder in financieel opzicht werd gesteund. De verdachte en zijn zus werden van jongs af aan verwend door hun moeder en dat was niet anders voor en na 2012. De verdachte heeft zich nooit beziggehouden met zijn bankzaken, zijn moeder had een machtiging voor de rekeningen en regelde de bankzaken. Er was geen enkele reden om wantrouwen te hebben en de gang van zijn moeder te controleren. Ook anderen dan de verdachte hebben nooit enige argwaan gehad. Het door het openbaar ministerie vermeende redelijke vermoeden van de verdachte en zijn zus lijkt te zijn gebaseerd op de aanname dat zij precies op de hoogte waren van de financiële positie van hun moeder. De stelling van het openbaar ministerie dat er alarmbellen moesten gaan rinkelen toen zij van hun moeder meer ontvingen dan op grond van haar inkomen en vermogen mogelijk was, is te eenzijdig en gesimplificeerd gesteld. Het doet geen recht aan de daadwerkelijke wetenschap van de verdachte van de herkomst van de geldbedragen en/of voorwerpen die hij ontving van zijn moeder.
 

Beoordeling rechtbank

Er zijn er vier feiten en omstandigheden die bij de beoordeling als uitgangspunt kunnen worden genomen. Over deze feiten en omstandigheden is geen discussie.

(1) De moeder van de verdachte en zijn zus heeft in de jaren 2012 tot en met 2016 grote bedragen verduisterd bij haar toenmalige werkgever, de Stichting naam stichting. Op 11 juni 2018 is zij hiervoor veroordeeld door de rechtbank Den Haag. In de strafzaak tegen de moeder van de verdachte is het exacte ontvreemde bedrag niet vastgesteld, maar het gaat blijkens het vonnis van de rechtbank Den Haag om een totaal bedrag van meer dan 500.000 euro.

(2) Het eigen salaris van de verdachte bedroeg in de jaren 2012 tot en met 2016 gemiddeld circa €25.000. In diezelfde jaren heeft de verdachte substantiële bedragen ontvangen van zijn moeder. De verdachte heeft op zijn bankrekening in totaal €161.490 ontvangen, zijnde €133.050 aan overboekingen en €28.440 aan contante stortingen. Dit komt neer op een van moeder ontvangen bedrag van gemiddeld €32.000 per jaar. Daarnaast heeft hij goederen en contant geld van zijn moeder ontvangen. De waarde daarvan laat zich niet goed vaststellen. Daar waar de moeder van de verdachte spreekt over bedragen aan cadeaus en contanten,spreekt zij – zo is wel duidelijk geworden – deels over gelden die feitelijk via één of meerdere bankrekeningen van de verdachte liep: de moeder maakte bedragen over op die bankrekening en de verdachte (of de moeder) nam het op en gaf het daarna uit. Het zonder meer optellen van door de moeder genoemde bedragen aan gegeven goederen en contante giften bij de bedragen op de bankrekening van de verdachte zou dus leiden tot dubbeltellingen. De rechtbank houdt het er daarom op dat de verdachte een bedrag van €161.490 heeft ontvangen, vermeerderd met een onbekend gebleven bedrag aan gegeven goederen en contanten.

(3) De zus van de verdachte ontving eveneens substantiële betalingen van hun moeder. Zij ontving in de jaren 2012 tot en met 2016 op haar bankrekening €82.701 aan overboekingen en €48.250 aan contante stortingen, afkomstig van hun moeder. Ook zij ontving daarnaast goederen en contant geld waarvan de waarde zich niet goed laat vaststellen.

(4) Het is niet in geschil dat de bedragen die de verdachte en zijn zus van hun moeder in de jaren 2012 tot en met 2016 ontvingen, afkomstig zijn uit de verduistering door hun moeder. Dit geld is dus ‘van enig misdrijf’ afkomstig.

Het is tegen deze achtergrond dat beoordeeld moet worden of de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld dat hij van zijn moeder ontving een criminele herkomst had.

Met de officier van justitie en de verdediging stelt de rechtbank vast dat er geen bewijs is dat de verdachte wist van de criminele herkomst. Net als de officier van justitie lijkt te doen, gaat de rechtbank er zonder meer vanuit dat de verdachte het inderdaad niet geweten heeft. Van opzet, zowel in de zin van zuivere opzet als in de zin van voorwaardelijk opzet, op het verkrijgen en witwassen van geld met een criminele herkomst is geen sprake.

De vraag is dan, of de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld een criminele herkomst had. Voor de beantwoording van die vraag komt het er op aan of de verdachte onder de gegeven omstandigheden, met enig nadenken over de hem bekende gegevens, had kunnen vermoeden dat de gelden die hij kreeg van zijn moeder een criminele herkomst hadden en hij zonder nader onderzoek niet had mogen handelen. De maatstaf daarbij is wat een redelijk denkend mens onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs zou hebben vermoed en op basis daarvan zou hebben gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank had de verdachte met enig nadenken zich moeten realiseren dat de bedragen en goederen die zijn moeder hem schonk, vermoedelijk geen legale herkomst hadden. Weliswaar is het duidelijk dat hij niet precies wist wat hij kreeg, maar het kan niet anders dan dat hij heeft geweten dat hij substantiële bedragen van zijn moeder ontving. De moeder van de verdachte verdubbelde het eigen salaris van de verdachte (ruim). De ontvangst van dergelijke schenkingen kan een redelijk denkend mens niet ontgaan. Gegeven het feit dat zowel hij als zijn zus van jongs af aan werden verwend door hun moeder,had hij zich kunnen realiseren dat ook zijn zus soortgelijke bedragen ontving. De vraag die de verdachte zich had moeten stellen, maar niet gesteld heeft, is hoe het mogelijk was dat hun moeder dit allemaal kon betalen. De moeder had immers ook eigen vaste lasten voor zichzelf en haar man. De moeder had weliswaar een – naar verdachte meende – leidinggevende functie, maar het betrof een functie bij een lokale stichting die zich bezighoudt met bewindvoering. Met enig nadenken had hij zich – als redelijk denkend mens - moeten realiseren dat het salaris dat past bij een dergelijke functie niet toereikend kan zijn om zulke grote schenkingen aan de kinderen te doen. Het totaal aan giften aan de verdachte en zijn zus bedroeg immers gemiddeld bijna 60.000 euro per jaar. De verdachte had de hoogte van zijn eigen aandeel eenvoudig kunnen vaststellen door zijn eigen bankrekening te bekijken.

Evenmin heeft de verdachte kunnen aannemen dat de bedragen en goederen die hij en zijn zus in de tenlastegelegde periode ontvingen, nog afkomstig waren uit de vertrekpremie en bonussen die de moeder bij naam bank had ontvangen. Daarvoor is het tijdsverloop tussen het vertrek bij naam bank (2002) en de periode waarop de tenlastelegging ziet (2012-2016), eenvoudigweg te groot. Hetzelfde geldt voor de erfenis die de moeder van de verdachte in 2000 had ontvangen. Er is niets concreets gesteld of gebleken waaruit de verdachte had kunnen afleiden dat dit geld 12 jaar later nog niet zou zijn uitgegeven. De verdachte zegt ook niet dat hij dacht dat het geld was belegd en ook zijn moeder heeft dat niet verklaard.

Andere mogelijke bronnen zijn door de verdachte niet genoemd.

Kortom: de verdachte had redelijkerwijs moeten vermoeden dat de door hem ontvangen goederen en geld, dat niet op leek te kunnen, van enig misdrijf afkomstig waren. Door vervolgens geen nader onderzoek te doen naar de herkomst daarvan, heeft de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. Het voorgaande wordt niet anders door het feit dat de verdachte en zijn zus van jongs af aan verwend werden door hun moeder. Het gaat in deze zaak, zoals de officier van justitie terecht aanvoert, om twee volwassenen met eigen huishoudens en inkomens die vijf jaar lang aanzienlijke bedragen en goederen hebben ontvangen en er daardoor een beduidend luxe leven op na hebben kunnen houden. Zij hebben daarbij geen vragen gesteld over de herkomst van het geld en dat kan hen onder de hiervoor geschetste omstandigheden worden verweten: een redelijk denkend mens had onder deze omstandigheden geen genoegen genomen met de opmerking van de moeder dat het allemaal wel kon.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen en aan schuldheling.

Het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de door de verdediging al gehoorde getuigen wordt afgewezen. De rechtbank gaat ervan uit dat de getuigen bij de rechter-commissaris zullen verklaren conform de verklaringen die zij op het kantoor van de verdediging hebben afgelegd en de rechtbank wil er ook wel van uitgaan dat de getuigen geloven wat zij in die verklaringen hebben gezegd. De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak tot het horen van de getuigen en acht zich voldoende voorgelicht.
 

Bewezenverklaring

  • schuldheling en schuldwitwassen
     

Strafoplegging

  • 3 maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, dit vanwege de gevolgen die het strafbare feit en de vervolging voor de verdachte hebben gehad.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF