Veroordeling rechtspersoon wegens transport van chloor per spoor. Ten minste sprake van voorwaardelijk opzet.

Rechtbank Rotterdam 9 april 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:2462 Verdachte rechtspersoon is gespecialiseerd in transport via het spoor in Europa, waaronder het vervoeren van gevaarlijke stoffen over het spoor. Het vervoer van dergelijke stoffen is aan strenge regelgeving onderworpen ten behoeve van de openbare veiligheid. Verdachte rechtspersoon heeft twee treinen, die elk samengesteld waren uit twee wagons beladen met chloor, vervoerd in combinatie met wagons met daarin andere gevaarlijke stoffen. Deze treinen hebben tevens met een te hoge snelheid gereden. Ook heeft de verdachte rechtspersoon de vereiste vervoersdocumenten niet aanwezig gehad van een andere met (potentieel) gevaarlijke stoffen beladen trein. 

Verdenking

  • Feit 1, 2, 3: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, opzettelijke meermalen begaan voor een rechtspersoon;
  • Feit 4 en 5 (telkens): overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, opzettelijke meermalen begaan voor een rechtspersoon.

Opzet

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat alle 5 tenlastegelegde feiten opzettelijk zijn gepleegd. Daartoe hebben zij aangevoerd dat verdachte rechtspersoon een professionele deelnemer is in het vervoer over het spoor van gevaarlijke stoffen. Er mag dan ook van worden uitgegaan dat verdachte rechtspersoon de terzake geldende regelgeving kent en borgt dat in alle lagen van haar bedrijf veilig en volgens de voorschriften wordt gehandeld. Indien verdachte rechtspersoon zoals zou kunnen worden afgeleid uit de omstandigheid dat zij reeds diverse malen is veroordeeld wegens overtreding van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, onvoldoende toezicht houdt op de naleving binnen haar bedrijf van voormelde regelgeving en (aldus) kennelijk bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat die regelgeving niet goed door (personeel van) haar bedrijf wordt nageleefd, dan is aan haar zijde sprake geweest van - ten minste - voorwaardelijk opzet op de haar onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde handelingen.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in het economische strafrecht het begrip “opzet” in beginsel dient te worden uitgelegd als “kleurloos opzet”. Dit betekent dat het opzet van de verdachte rechtspersoon slechts hoeft te zijn gericht op de gedraging en niet op de wederrechtelijkheid daarvan.

Feit 1, onderdeel a

Op zondag 17 april 2011 om 23.10 uur is de uit Duitsland afkomstige trein 45748 Zevenaar Grens gepasseerd en is via de Betuweroute op maandag 18 april 2011 om 00.32 uur aangekomen op het rangeeremplacement Kijfhoek te Zwijndrecht. Verdachte rechtspersoon was de vervoerder van deze trein. Uit de bij het vervoer behorende vervoersdocumenten is gebleken dat de trein onder meer bestond uit twee met chloor UN 1017 beladen reservoirwagen en dat van die trein voorts tien andere reservoirwagens deel uitmaakten die leeg en ongereinigd waren van andere gevaarlijke stoffen dan chloor. Op de door de opdrachtgever aan verdachte rechtspersoon afgegeven vrachtbrief, die zich ten tijde van het vervoer bij de machinist van de trein moet hebben bevonden, stond aangetekend dat zich in twee wagens chloor bevond. Daarnaast moet het voor de machinist van de trein ook visueel, door de etiketten op de desbetreffende wagens, kenbaar zijn geweest dat zich daarin chloor bevond.

Dat verdachte rechtspersoon bekend moet zijn geweest met het feit dat twee reservoirwagen beladen waren met chloor, kan voorts worden afgeleid uit de omstandigheid dat deze twee wagens na aankomst in Zwijndrecht met een locomotief van verdachte rechtspersoon zijn verplaatst naar een ander spoor op het rangeeremplacement Kijfhoek, terwijl de overige 34 wagens van de trein zijn “geheuveld”, een activiteit die niet pleegt te worden verricht met wagens die beladen zijn met chloor.

Gelet op het voorgaande kan het niet anders zijn dan dat (in ieder geval) de machinist van trein 45748 heeft geweten dat deze trein was samengesteld uit (onder meer) twee reservoirwagens die chloor bevatten en tien reservoirwagens die leeg en ongereinigd waren van (andere) gevaarlijke stoffen.

Mede gelet op de criteria als genoemd in het IJzerdraadarrest) en  Drijfmestarrest kan deze wetenschap van haar machinist, en daarmee de onder 1a tenlastegelegde gedraging, aan verdachte rechtspersoon als vervoerder van de trein en als werkgever van de betreffende machinist, in redelijkheid worden toegerekend.

Feit 2, onderdeel a

Op 18 april 2011 is om 06.28 uur trein 61013 vanuit het rangeeremplacement Kijfhoek te Zwijndrecht naar het rangeeremplacement Botlek in Rotterdam gereden. Verdachte rechtspersoon was de vervoerder van trein 61013. Uit de bij het vervoer behorende vervoersdocumenten is gebleken dat twee reservoirwagens beladen waren met chloor UN 1017 en dat zich in die trein twee andere reservoirwagens bevonden die leeg en ongereinigd waren van andere gevaarlijke stoffen dan chloor. Deze vervoersdocumenten bevonden zich ten tijde van het vervoer bij de machinist van de trein. Daarnaast moet het voor de machinist ook visueel, door de etiketten op de wagens, zichtbaar zijn geweest dat er zich chloor in de desbetreffende twee reservoirwagens bevond. Bovendien stond op de bijbehorende vrachtbrief aangetekend dat er chloor in de tankwagens aanwezig was, terwijl deze vrachtbrief door de opdrachtgever aan de vervoerder is meegegeven.

Gelet op het voorgaande kan het niet anders zijn dan dat (in ieder geval) de machinist van trein 61013 heeft geweten dat deze trein was samengesteld uit (onder meer) twee reservoirwagens die chloor bevatten en twee reservoirwagens die leeg en ongereinigd waren van (andere) gevaarlijke stoffen.

Op soortgelijke gronden als hiervoor uiteengezet met betrekking tot feit 1(onderdeel a: wetenschap omtrent samenstelling van trein) kan deze wetenschap van haar machinist, en daarmee de onder 2a tenlastegelegde gedraging, aan verdachte rechtspersoon als vervoerder van de trein en als werkgever van de betreffende machinist, in redelijkheid worden toegerekend.

Feit 3

Op zondag 16 oktober 2011, omstreeks 06.10 uur, ontving verbalisant, inspecteur bij Domein Rail- en wegvervoer van Verkeer en Waterstaat, telefonische melding dat op het rangeeremplacement Kijfhoek te Zwijndrecht trein nummer 40018 stond gerangeerd, met daarop geladen een tankcontainer die, al dan niet geladen of leeg van UN1951 Argon, stond te sissen.

Onderzoek wees later uit dat deze container leeg en ongereinigd was van de gevaarlijke stof Argon UN 1951. Verdachte rechtspersoon was de vervoerder van trein 40018. De bij het vervoer behorende vervoersdocumenten bevonden zich ten tijde van de melding niet (meer) in de trein, doch in een kantoor van verdachte rechtspersoon elders op het terrein. Deze documenten waren door de machinist van de trein bij aankomst afgegeven op dit kantoor. Ten tijde van de hiervoor bedoelde melding was het kantoor afgesloten en verlaten.

Verbalisant is op 8 december 2014 door de Rechter-Commissaris als getuige gehoord. Hij heeft toen onder meer verklaard (pagina 9 van het terzake opgemaakte proces-verbaal) dat hij van de persoon van verdachte rechtspersoon die hem de vrachtbrief kwam brengen had vernomen dat voormeld kantoor 24 uur per dag open is, behalve van zaterdagavond 22.00 uur tot zondagochtend 07.30 uur.

Door de vervoersdocumenten niet in de trein te laten liggen, doch deze af te geven op het kantoor van verdachte rechtspersoon heeft de machinist van trein nummer 40018 bewust de situatie in het leven geroepen dat in geval van mogelijke calamiteiten als de onderhavige de (fysieke) vervoersdocumenten niet terstond aan hulpdiensten ter inzage konden worden verstrekt.

In die zin is aan de zijde van voormelde machinist sprake geweest van opzet op het niet aanwezig zijn van vervoersdocumenten als bedoeld onder feit 3 van de tenlastelegging, welk opzet naar het oordeel van de rechtbank aan verdachte rechtspersoon als functioneel dader, kan worden toegerekend.

Bepleit is dat verdachte rechtspersoon dient te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de vervoersdocumenten zowel op papier en digitaal aanwezig waren, maar dat zij niet toegankelijk waren. Het onder 3 tenlastegelegde niet aanwezig zijn van vervoersdocumenten kan derhalve niet bewezen worden verklaard, aldus de raadsman.

Ingevolge Hoofdstuk 5.4 van het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer gevaarlijke stoffen (bijlage 1 bij de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen; RID) gaat elk vervoer van goederen dat door het RID wordt gereglementeerd op passende wijze vergezeld van de in dat hoofdstuk voorgeschreven documenten, behalve wanneer elders uitdrukkelijk anders is bepaald. Gelet op deze voorschriften van het RID moeten bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor op ieder moment terstond vervoersdocumenten kunnen worden getoond om in een noodsituatie adequate informatie aan hulpdiensten te kunnen verschaffen en zo de veiligheid van anderen zo veel mogelijk te waarborgen. Het is de machinist die deze documenten in zijn cabine moet meevoeren.

Op 16 oktober 2011 werd er om 03:55 uur een melding gedaan van een trein waarop een container stond die een sissend geluid maakte. Aan de reeds ter plaatse verschenen hulpdiensten konden (aanvankelijk) geen vervoersdocumenten worden getoond en daardoor kon niet terstond de aard van de lading worden vastgesteld. De fysieke (papieren) versie van de vervoersdocumenten bevond zich in het kantoor van de Lokkencoördinator van verdachte rechtspersoon op het rangeeremplacement Kijfhoek, maar dat kantoor was op slot en er was niemand aanwezig. De digitaal door verdachte rechtspersoon aan onderneming 2 verschafte vrachtdocumenten waren ook niet beschikbaar als gevolg van een storing in het computersysteem van laatstgenoemde.

Verdachte rechtspersoon heeft aldus niet voldaan aan voornoemde RID-verplichting van de vervoerder om bij het vervoer van een gevaarlijke stof een vervoersdocument aanwezig te hebben, nu een papieren noch een digitale versie van de vervoersdocumenten terstond toegankelijk was.

Op de (los van het bewijs staande) vraag, in hoeverre verdachte rechtspersoon een schuldverwijt treft ten aanzien van het ontbreken van bovenbedoelde vervoersdocumenten, zal hierna bij de bespreking van de strafbaarheid van verdachte rechtspersoon nader worden ingegaan. Het verweer wordt verworpen.

Feit 4

Op of omstreeks 19 oktober 2011 heeft verdachte rechtspersoon met trein 43576 gevaarlijke stoffen vervoerd en deze trein vervolgens laten staan op rangeeremplacement Waalhaven-Zuid te Rotterdam. Bij de trein waren voor twee open wagens niet de voor het vervoer benodigde vervoersdocumenten voor gevaarlijke stoffen aanwezig. Daarnaast ontbrak het UN-nummer van het gevaarlijke goed van één van de wagens op de wagenlijst, die onderneming 1 van de verdachte rechtspersoon had ontvangen. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte rechtspersoon het opzet heeft gehad om trein 43576 te vervoeren zonder de juiste vervoersdocumenten en met het ontbreken van het UN-nummer op de wagenlijst. Derhalve acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat het onder 4 tenlastegelegde opzettelijk is begaan en zal zij verdachte rechtspersoon voor het onderdeel ‘opzettelijk’ vrijspreken.

Feit 5

Op 5 maart 2013 werd geconstateerd dat twee reservoirwagens van een trein op spoor 538 van het rangeeremplacement Botlek benzine lekten langs de schroefdop. Van reservoirwagen 37807957063-6 was de zijafsluiter niet volledig gesloten en van reservoirwagen 37847836465-6 was de bodemafsluiter niet volledig gesloten. Verdachte rechtspersoon was de vervoerder van voornoemde reservoirwagens. Niet is komen vast te staan waardoor de zij- en bodemafsluiter niet goed gesloten waren en er benzine is gelekt. Nu de toedracht niet is komen vast te staan, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat het onder 5 tenlastegelegde opzettelijk is begaan en zal zij verdachte rechtspersoon voor het onderdeel ‘opzettelijk’ vrijspreken.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte rechtspersoon het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde opzettelijk heeft begaan. Verdachte rechtspersoon wordt vrijgesproken van het onderdeel ‘opzettelijk’ ten aanzien van de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten.

‘Snelheid treinen’:  feiten 1 en 2

De raadsman heeft betoogd dat verdachte rechtspersoon dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2, voor zover inhoudende dat de treinen met een te hoge snelheid hebben gereden, aangezien voor dit onderdeel geen bewijs is. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het “Quo Vadis-systeem” ondeugdelijk is om snelheidsovertredingen te meten.

De getuige-deskundige heeft op de terechtzitting van 26 maart 2015 verklaard dat het “Quo Vadis-systeem” weliswaar primair is bedoeld voor gewichtsmeting, maar dat dit systeem nauwkeuriger is ten aanzien van snelheidsmetingen. Zij heeft voorts verklaard dat de betrouwbaarheid van deze snelheidsmetingen, die volgens de leverancier een standaardafwijking hebben van 5 km/uur, is bevestigd door een rapport van de Zweedse infrastructuurbeheerder. Bovendien vinden de desbetreffende snelheidsmetingen steun in de overige stukken van het geding, te weten het proces-verbaal van bevindingen van 27 oktober 2011, een brief van getuige-deskundige van 24 april 2012, een e-mailbericht van getuige-deskundige van 7 oktober 2011 en een op 6 februari 2014 door getuige-deskundige afgelegde verklaring.

Gelet hierop heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het “Quo Vadis-meetsysteem”. De rechtbank verwerpt het verweer betreffende de snelheid van de treinen.

‘Vervoeren’: feiten 3, 4 en 5

Ambtshalve overweegt de rechtbank dat het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde “vervoeren” voortduurt gedurende de tijd dat een trein op enig moment in het kader van het vervoer van het begin- naar het eindpunt stil staat. Gelet op de tekst van de toepasselijke regelgeving kan het niet anders zijn dan dat het - kort voor of na het rijden van de trein - laten staan van die trein op een rangeerterrein ook valt onder het begrip “vervoeren”.

‘Toerekening van de gedragingen aan de verdachte rechtspersoon’: feit 1, 2, 3, 4 en 5

In aanvulling op hetgeen dienaangaande reeds hiervoor door haar is overwogen, overweegt de rechtbank ten aanzien van het daderschap van de verdachte rechtspersoon nog het volgende.

De in feiten 1, 2, 3, 4 en 5 omschreven gedragingen kunnen aan de verdachte rechtspersoon worden toegerekend. Deze gedragingen zijn immers verricht door personen die in dienstbetrekking waren bij verdachte rechtspersoon terwijl de gedragingen pasten in de normale bedrijfsvoering van verdachte rechtspersoon. Bovendien vermocht verdachte rechtspersoon erover te beschikken of de gedragingen zouden plaatsvinden en werden vergelijkbare gedragingen door haar aanvaard.

OVAR?

Bepleit is dat de verdachte rechtspersoon dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat het voorschrift 1.9.5.4 NE van bijlage 2 van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG) in strijd is met de Richtlijn 20008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (hierna: Richtlijn 2008) en in strijd is met het verbod op inbreuk van het beginsel van vrij verkeer van goederen c.q. het verbod op importbeperkende maatregelen dan wel maatregelen van gelijke werking als bedoeld in de artikelen 34-36 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: WEU), althans dat de inbreuk op het vrije verkeer van goederen geen objectief gerechtvaardigde beperking is en dat het voorschrift om die reden onverbindend is. Derhalve is kwalificatie niet mogelijk.

De rechtbank is van oordeel dat het voorschrift 1.9.5.4 NE van bijlage 2 VSG niet strijdig is met hogere regelgeving. Uit de considerans van de Richtlijn 2008 (onder 10, 11, 13 en 14) volgt dat deze richtlijn er niet aan in de weg staat dat een lidstaat in zijn nationale regelgeving “strengere regels” vaststelt ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen dan de richtlijn voorschrijft. Ingevolge art. 1, vierde lid onder a, Richtlijn 2008 kunnen lidstaten voor het nationale en internationale vervoer van gevaarlijke goederen over hun grondgebied specifieke veiligheidsvoorschriften instellen met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen met spoorvoertuigen. Voorts bepaalt art. 5 Richtlijn 2008 dat lidstaten met het oog op de veiligheid van het vervoer “strengere bepalingen” kunnen vaststellen voor binnenlands vervoer van gevaarlijke goederen, uitgevoerd met spoorvoertuigen die op hun grondgebied zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht. Van die mogelijkheid heeft de Nederlandse wetgever gebruik gemaakt door met betrekking tot het vervoer van chloor (UN 1017) in reservoirwagens onder meer voor te schrijven dat dit vervoer slechts plaats mag vinden in treinen waarin geen andere reservoirwagen dan reservoirwagens met chloor zijn opgenomen en dat tijdens het vervoer de snelheid van de trein niet hoger dan zestig kilometer per uur mag zijn (voorschrift 1.9.5.4 NE, eerste lid onder a en onder b, van bijlage 2 van de VSG). Van strijdigheid met Richtlijn 2008 is in het onderhavige geval dan ook geen sprake.

Voornoemd voorschrift is evenmin in strijd met art. 34-36 WEU. Art. 36 WEU schrijft immers voor dat art. 34 en 35 WEU, waarin het beginsel van het vrije verkeer van goederen is gewaarborgd, geen beletsel vormen voor verboden of beperkingen, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare veiligheid, mits deze verboden of beperkingen geen middel tot willekeurige discriminatie en geen verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen. In het onderhavige geval is het bestreden voorschrift gerechtvaardigd uit hoofde van de bescherming van de openbare veiligheid. Voorschrift 1.9.5.4 NE van bijlage 2 van het VSG zou weliswaar de handel tussen de lidstaten kunnen belemmeren. Die mogelijke belemmering wordt evenwel gerechtvaardigd door het doel van de Nederlandse regelgeving betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen, terwijl voornoemd voorschrift en andere voorschriften noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van dat doel en het niet aannemelijk is dat minder verstrekkende voorschriften voldoende zouden bijdragen aan het beoogde doel. Aldus doorstaat het voorschrift de toets aan art. 36 WEU. Het verweer wordt verworpen. De feiten zijn dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte rechtspersoon

Standpunt verdediging

Feiten 1 en 2

Bepleit is dat verdachte rechtspersoon verontschuldigbaar heeft gedwaald over de feitelijke situatie. Verdachte rechtspersoon wist en kon niet weten dat er twee chloorwagens aan trein 45748 (feit 1) en aan trein 61013 (feit 2) waren toegevoegd. Verdachte rechtspersoon dient wegens afwezigheid van alle schuld ten aanzien van de feiten 1 en 2 te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.

Feit 3

De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat verdachte rechtspersoon geen enkel verwijt kan worden gemaakt van feit 3.

Als gevolg van een storing in het computersysteem van onderneming 2 was de digitale versie van de vrachtdocumenten niet beschikbaar. Doordat de overige aanwezige betrokkenen niet adequaat hebben gereageerd kon verdachte rechtspersoon niet binnen redelijke termijn toegang geven tot de papieren documenten. Als alle betrokkenen adequaat hadden opgetreden, was er niets aan de hand geweest, nu de gevraagde documenten binnen een kwartier na de vordering konden worden overgelegd. Verdachte rechtspersoon dient wegens afwezigheid van alles schuld ten aanzien van feit 3 te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.

Feiten 4 en 5

De raadsman het standpunt ingenomen dat verdachte rechtspersoon ook ten aanzien van deze feiten geen enkel verwijt kan worden gemaakt, nu zij als vervoerder slechts verplicht is tot het uitvoeren van representatieve steekproeven. Verdachte rechtspersoon dient wegens afwezigheid van alle schuld

ten aanzien van de feiten 4 en 5 te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.

Beoordeling

Feiten 1 en 2

De rechtbank stelt voorop dat voor strafbaarheid van een verdachte geen plaats is, indien de gedraging wordt verontschuldigd door een bij de verdachte aanwezige onjuiste voorstelling van zaken ten gevolge van een dwaling in de feitelijke realiteit. Bij verontschuldigbare feitelijke dwaling gaat het erom dat er geen sprake is van “verwijtbare onwetendheid”.

Reeds uit hetgeen hiervoor in de nadere bewijsoverwegingen is overwogen met betrekking tot het opzet van verdachte rechtspersoon c.q. het aan haar toe te rekenen opzet van haar machinist(en)

ten aanzien van de feiten 1 en 2, volgt dat verdachte rechtspersoon zich niet met vrucht kan beroepen op harerzijds bestaande dwaling omtrent de feitelijke samenstelling van de door haar vervoerde treinen.

Feit 3

De vervoerder heeft de verplichting om terstond de vervoersdocumenten te kunnen tonen, digitaal dan wel op papier. Een storing in het computersysteem van onderneming 2, waardoor de elektronische vervoersdocumenten niet beschikbaar zijn, kan verdachte rechtspersoon die als vervoerder ter zake van vervoersdocumenten een eigen verantwoordelijkheid heeft, niet zonder meer vrijwaren. Omstandigheden die in het onderhavige geval tot een andersluidend oordeel zouden kunnen leiden, zijn niet gebleken.

Wat betreft de fysieke (papieren) vervoersdocumenten, heeft de machinist van verdachte rechtspersoon er voor gekozen om deze in het kantoor verdachte rechtspersoon op het rangeeremplacement Kijfhoek neer te leggen; op het moment waarop de hulpdiensten inzage in deze documenten verlangden, was dit niet terstond mogelijk omdat voormeld kantoor toen op slot en verlaten was. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat verdachte rechtspersoon op het punt van het niet (terstond) aanwezig zijn van voormelde vervoersdocumenten geen enkel verwijt treft.

Feiten 4 en 5

De vervoerder heeft verplichtingen ten aanzien van het vervoer op basis van onder meer

het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID), Bijlage 1 van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG).

Ten tijde van het onder 4 tenlastegelegde feit stond in voorschrift 1.4.2.2.1 RID vermeld dat de vervoerder “door representatieve steekproeven” onder meer moest controleren of de te vervoeren gevaarlijke stoffen tot vervoer waren toegelaten en of alle door het RID voorgeschreven informatie bij het vervoersdocument waren gevoegd. De enkele omstandigheid dat ten tijde van het onder 4 tenlastegelegde feit de vervoerder op basis van dit voorschrift kon volstaan met een steekproefsgewijze controle, ontsloeg de vervoerder echter niet van zijn verplichtingen die destijds – en ook ten tijde van het onder feit 5 tenlastegelegde feit - elders in het RID waren opgenomen, zoals de voorschriften 1.4.2.2.5 (feit 4), 4.3.2.3.5 (feit 5) en 6.8.2.2.1 (feit 5). Ten aanzien van feit 5 (gepleegd op 5 maart 2013) merkt de rechtbank nog op dat in de versie van het RID van 2013 in voorschrift 1.4.2.2.1 niet langer staat vermeld dat de vervoerder wat betreft de controle kan worden volstaan met “representatieve steekproeven”. Van de geconstateerde gebreken in de nakoming van voormelde voorschriften kan verdachte rechtspersoon een strafrechtelijk relevant verwijt worden gemaakt. Er kan immers niet worden gezegd dat er wat betreft deze feiten geen sprake is van “verwijtbare onwetendheid” ten aanzien van de afwezigheid van het vereiste vervoersdocument (feit 4), de onvolledigheid van de aan onderneming 1 gegeven wagenlijst (feit 4), de aanwezigheid van benzineresten aan de buitenzijde van de reservoirwagen (feit 5) en het niet volledig afsluiten van de zijafsluiter en de bodemafsluiter van de reservoirwagen (feit 5) in de desbetreffende treinen.

Conclusie

Het door en namens verdachte rechtspersoon ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 gedane beroep op afwezigheid van alle schuld wordt verworpen. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot straffeloosheid van verdachte rechtspersoon zouden moeten leiden. Verdachte rechtspersoon is dus strafbaar.

Prejudiciële vraag

De verdediging acht het noodzakelijk om aan het Hof van Justitie EU een prejudiciële vraag te stellen, te weten of het voorschrift 1.9.5.4. NE bijlage 2 van de VSG een ongerechtvaardigde inbreuk betreft op het beginsel van het verbod op importbeperkende maatregelen, dan wel maatregelen van gelijke werking.

Gelet op hetgeen hiervoor onder de strafbaarheid van de feiten 1 en 2 ten aanzien van de Europese regelgeving is overwogen omtrent het voorschrift 1.9.5.4. NE bijlage 2 van de VSG, acht de rechtbank het antwoord op de desbetreffende rechtsvraag zo duidelijk en voor de hand liggend, dat zij deze vraag zelf kan beantwoorden met toepassing van het relevante Europese recht. De rechtbank acht het stellen van prejudiciële vragen op dit punt derhalve niet noodzakelijk. Een beslissing op het gevraagde punt is immers niet noodzakelijk om tot een uitspraak te komen. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1, 2, 3: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, opzettelijke meermalen begaan voor een rechtspersoon;
  • Feit 4 en 5 (telkens): overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, opzettelijke meermalen begaan voor een rechtspersoon.

Strafoplegging

Voor de feiten 1, 2 en 3 wordt een geldboete worden opgelegd ter hoogte van € 75.000,-.

De verdachte rechtspersoon heeft zich naast voornoemde misdrijven ook schuldig gemaakt aan het overtreden van twee andere voorschriften van het RID (feiten 4 en 5). De rechtbank acht met name de lekkende reservoirwagens met benzine op het rangeeremplacement Botlek (feit 5) zeer kwalijk. De rechtbank zal voor elk van deze twee overtredingen een geldboete opleggen ter hoogte van € 10.000,-.

De rechtbank wil, anders dan het Openbaar Ministerie, niet spreken van een lakse bedrijfscultuur. De rechtbank is van oordeel dat dit mede gezien de grote schaal waarop vervoer door verdachte rechtspersoon plaatsvindt, het hier toch gaat om gebeurtenissen van relatief incidentele aard. Anderzijds is verdachte rechtspersoon blijkens de op haar naam gestelde Justitiële Documentatie van 7 november 2013, reeds eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. Bovendien is een deel van de feiten (feiten 3, 4 en 5) begaan tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF