Veroordeling overtreding van voorschrift gesteld bij art. 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Rechtbank Oost-Brabant 17 oktober 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:5716

De rechtbank veroordeelt verdachte voor overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren meermalen gepleegd tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft - kort samengevat - bepleit dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard ten aanzien van het onder 1 eerste, tweede en derde gedachtestreepje ten laste gelegde alsmede het onder 2 eerste, tweede en vierde gedachtestreepje ten laste gelegde. Deze onderdelen van de tenlastelegging zijn onvoldoende duidelijk nu zowel de runderen als de hokken en hekken waar de verwijten betrekking op hebben, niet geïndividualiseerd zijn.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank is van oordeel dat de omschrijvingen in de tenlastelegging, in combinatie met de inhoud van het dossier en de pleegplaats en -datum, een voldoende duidelijke en concrete opgave van de aan verdachte verweten gedragingen bevat, als bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Dat verdachte wist waartegen hij zich moest verdedigen, blijkt ook uit hetgeen ter verdediging door en namens verdachte ter terechtzitting is aangevoerd. De rechtbank is niet gebleken dat verdachte - door de wijze waarop de ten laste gelegde feiten in de dagvaarding zijn omschreven - op enigerlei wijze in zijn belangen is geschaad.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Tevens heeft de raadsman bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte bij (onherroepelijk) besluit van 16 april 2015 door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken met 15% gekort is op alle subsidies van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid voor het jaar 2014. De korting is opgelegd naar aanleiding van hetgeen de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) heeft geconstateerd op - onder meer - 11 februari 2014 en 3 juni 2014. Nu de tenlastelegging tevens ziet op de door NVWA gestelde overtredingen op 11 februari 2014 en 3 juni 2014 wordt verdachte vervolgd ter zake van feiten waarvoor hem reeds een (straf-)korting is opgelegd, hetgeen in strijd komt met het ne bis in idem beginsel. Gelet op het ne bis in idem-beginsel dient de officier van justitie dan ook niet-ontvankelijk verklaard te worden.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. In de zaak Bonda1 is door het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJEU), onder verwijzing naar eerdere uitspraken van het Hof, uitgebreid stilgestaan bij de vraag of kortingen als de onderhavige zijn aan te merken als strafrechtelijke sancties waarop vervolging zou afstuiten. Deze vraag is door het Hof ontkennend beantwoord. Zo overweegt het HvJEU in rechtsoverweging 28 dat het Hof reeds eerder heeft geoordeeld dat de door verordeningen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid uitgevaardigde sancties, zoals de tijdelijke uitsluiting van de marktdeelnemer van een steunregeling, niet van strafrechtelijke aard zijn. Dergelijke uitsluitingen dienen ter bestrijding van onregelmatigheden die in het kader van de landbouwsteun worden begaan, landbouwsteun waarop vrijwillig een beroep is gedaan door marktdeelnemers (zie overwegingen 29 en 30 van het arrest Bonda). De sancties die zijn getroffen, worden door het HvJEU aangemerkt als ‘administratieve maatregelen en sancties’. Met verwijzing naar het arrest Bonda heeft ook het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch2 de hiervoor bedoelde vraag ontkennend beantwoord. De sancties die zijn opgelegd in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid zijn volgens het Hof Den Bosch niet repressief van aard, maar reparatoir. De rechtbank komt in deze zaak onder verwijzing naar voornoemde arresten tot een gelijk oordeel: de aan verdachte opgelegde subsidiekortingen zijn, voor zover deze betrekking hebben op gedragingen ter zake waarvan verdachte zich thans in de onderhavige strafprocedure dient te verantwoorden, niet aan te merken als strafrechtelijke sancties. Van een vervolging in strijd met het door de verdediging aangeroepen ne-bis-in-idem beginsel is dan ook geen sprake.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de twee ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt ten aanzien van de ten laste gelegde feiten, waardoor niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Volgens de raadsman is veelal volstaan met een beschrijving van de runderen of de situatie waarin die runderen zich bevonden, zonder dat op enigerlei wijze kenbaar is gemaakt waarom deze situatie zou zijn ontstaan door, of zou duiden op, het ontbreken van de nodige verzorging. Hiertoe heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat de toezichthoudend dierenartsen van de NVWA slechts op basis van klinische observaties stellen dat sprake is van een huidaandoening, kreupelheid, ziekte, verwondingen en magerte, terwijl niet gebleken is dat zij één of meer runderen individueel hebben onderzocht. Nu er geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de aard en oorzaak van de constateringen en de dierenartsen hebben nagelaten een diagnose te stellen, kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van een causaal verband tussen de constateringen en de aan verdachte gemaakte verwijten. Verdachte dient dan ook vrijgesproken te worden van de ten laste gelegde feiten.

Oordeel rechtbank 

Ontbrekende diagnoses ten aanzien van feit 1 en 2

De rechtbank stelt voorop dat de NVWA belast is met de controle en het toezicht op de gezondheids- en welzijnseisen van dieren in Nederland. De toezichthoudend dierenartsen van de NVWA bekijken de gezondheid en het welzijn van dieren en stellen onder meer tijdens controles ter plaatse concrete gedragingen vast, zoals in de tenlastelegging beschreven. Uit de rapporten van de NVWA in het dossier blijkt dat de dierenartsen bij verdachte ter plaatse onder meer het volgende hebben geconstateerd: er zijn meerdere runderen aangetroffen die niet over een schone of droge ligplaats konden beschikken, nu de vloeren van de stallen waarin zij verbleven onvoldoende ingestrooid waren en vervuild waren met mest. Hierdoor waren onder meer de klauwen, de poten, de onderbuik en andere lichaamsdelen van de runderen besmeurd met mest. Gelet op de omstandigheid dat de mest op den duur aankoekt aan de vacht en met de haren loslaat van de huid, zijn er kale plekken aan de huid van meerdere runderen ontstaan. Daarnaast zijn er bij meerdere runderen huidinfecties geconstateerd ter zake waarvan deze runderen niet werden voorzien van een diergeneeskundige beoordeling en een - daaruit voortvloeiende - verzorging. Verder zijn scherpe delen en uitsteeksels waargenomen in de hokken van de runderen waaraan de runderen zich zouden kunnen verwonden. Er zijn ook daadwerkelijk runderen met wonden aan de huid waargenomen. Bovendien werden er runderen met te lange klauwen aangetroffen en runderen die ziek of gewond waren. De zieke of gewonde runderen waren niet afgezonderd van de gezonde dieren gehuisvest in een passend onderkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door de dierenartsen gedane constateringen en de in hun rapporten omschreven omstandigheden, gelet ook op hun deskundigheid op het gebied van dierenwelzijn en gezondheid, de conclusie dragen dat - zoals ook bevestigd door de toezichthoudende dierenartsen ter zitting - de runderen de nodige zorg werd onthouden. Dat de toezichthoudende dierenartsen niet bij ieder afzonderlijk rund een diagnose hebben gesteld, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Dat is ook niet, zoals toegelicht door de toezichthoudende dierenartsen ter zitting, hun taak. Het is hun taak de omstandigheden waaronder de dieren worden gehouden te beoordelen en - in overleg met de veehouder en de praktiserende dierenarts - aanbevelingen te doen voor eventuele verbeteringen. Dit laatste was in het onderhavige geval echter niet mogelijk. Verdachte heeft immers consequent iedere medewerking geweigerd. Verdachte was niet bereid enige uitleg te geven over de feitelijke constateringen in relatie tot de vigerende gezondheids- en welzijnseisen van dieren, zoals de scherpe en uitstekende delen van de behuizing, de onvoldoende droge en schone ligplaatsen, de hygiëne in de stallen, de te lange klauwen van de runderen alsmede de gesteldheid, conditie, ziekte, infecties, kreupelheid, verwondingen en magerte van de dieren. Hierdoor is relevante informatie onthouden over het door verdachte binnen zijn onderneming gehanteerde beleid met betrekking tot de gezondheid en het welzijn van de dieren alsmede het door hem in dat kader gevoerde veterinaire beleid. Dit terwijl van een veehouder zoals verdachte had mogen worden verwacht dat hij uitleg had gegeven over de leefomstandigheden van de runderen en over de geconstateerde verwonde, verzwakte en zieke dieren. Indien er immers een andere oorzaak (dan het niet bieden van voldoende zorg door verdachte) aan de geconstateerde onregelmatigheden ten grondslag zou hebben gelegen, had de NVWA dit mee kunnen nemen in haar onderzoek en de beoordeling van de onderzoeksresultaten. Zoals ook verklaard ter zitting, kunnen de toezichthoudende dierenartsen immers ook tot een ander oordeel komen indien de veehouder een deugdelijke uitleg kan geven over de geconstateerde verwondingen en/of ziektes en/of onregelmatigheden. De rechtbank is van oordeel dat bij een dergelijk samenspel van omstandigheden, waarbij ernstige schendingen van de gezondheids- en welzijnseisen voor dieren geconstateerd zijn en de veehouder weigert informatie te verschaffen over de aard en oorzaak van de constateringen, de conclusie getrokken kan worden dat de veehouder de nodige zorg aan de dieren heeft onthouden.

Partieel vrijspraak

Feit 1, vierde gedachtestreepje (runderen 0062, 0052, 0053 en 0002)

Ten aanzien van de gedraging dat “de runderen met werknummer 0147 en/of 0062 en/of 0052 en/of 0053 en/of 0002, welke runderen ziek of gewond waren, niet afgezonderd waren in een passend onderkomen”, zoals ten laste gelegd onder feit 1, vierde gedachtestreepje, wordt overwogen dat, hoewel door de NVWA is vastgesteld dat de runderen met werknummer 0062, 0052, 0053 en 0002 (té) mager waren, niet vast is komen te staan dat deze runderen ook ziek en/of gewond waren. Mager of te mager betekent immers niet zonder meer dat de dieren ziek of gewond zijn en dus afgezonderd hadden moeten worden. Dit is verder ook niet toegelicht in de rapporten van de NVWA. Nu dit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zal verdachte (partieel) worden vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Zulks geldt niet ten aanzien van het dier met werknummer 0147, waarvan de NVWA heeft vastgesteld dat het op 11 februari 2014 kreupel was en - dus - ziek of gewond en om die reden afgezonderd diende te worden van de gezonde dieren.

Feit 1, vijfde gedachtestreepje

Ten aanzien van de gedraging dat “ongeveer 42, in elk geval één of meer dieren geen toegang hadden tot een toereikende hoeveelheid schoon water”, zoals ten laste gelegd onder feit 1, vijfde gedachtestreepje, wordt overwogen dat uit het dossier niet, althans onvoldoende, volgt dat er té weinig water aanwezig was voor de runderen. De deskundigen hebben op dit punt ter terechtzitting ook geen eensluidende verklaring afgelegd. Om die reden kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld en bewezen verklaard dat één of meer runderen geen toegang hadden tot een toereikende hoeveelheid schoon water. De verdachte zal dan ook (partieel) worden vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Overige

De overige door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde merkt de rechtbank aan als bewijsverweren. Deze verweren worden weerlegd door de inhoud van na te melden bewijsmiddelen.

Kwalificatieverweer

De raadsman heeft een kwalificatieverweer gevoerd ten aanzien van de gedraging dat “de behuizing voor die dieren niet zodanig geconstrueerd was en die behuizing niet in een zodanige staat van onderhoud verkeerde dat er geen scherpe randen of uitsteeksels waren die de dieren konden verwonden”, zoals ten laste gelegd en bewezenverklaard onder feit 1 en 2, eerste gedachtestreepje. De verdediging heeft in dit kader aangevoerd dat er een aparte strafbaarstelling gecreëerd is door de wetgever voor overtredingen die zien op de huisvesting van dieren, zijnde artikel 35 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: GWWD). Onder verwijzing naar artikel 5 lid 4 van het Besluit Welzijn Productiedieren, welk besluit van kracht was tot 1 juli 2014 en een uitwerking was van onder meer artikel 35 GWWD, alsmede onder verwijzing naar de zelfstandige strafbaarstelling van artikel 35 GWWD in artikel 1 sub 4 van de Wet op de Economische Delicten (hierna: WED), heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat artikel 35 GWWD aan te merken is als een lex specialis ten opzichte van artikel 37 GWWD. De raadsman is van oordeel dat de vermeende gebreken in de huisvesting van de dieren, zoals de aanwezigheid van scherpe delen, niet als ‘het onthouden van de nodige verzorging’, zoals bedoeld in artikel 37 GWWD gekwalificeerd kan worden. Aangezien het feit niet als zodanig te kwalificeren is en er geen andere gedraging ten laste is gelegd, dient een veroordeling achterwege te blijven, aldus de verdediging. De rechtbank begrijpt dat de verdediging met deze laatste zin bedoeld dat het vermeende kwalificatiegebrek tot de conclusie dient te leiden dat verdachte ontslagen wordt van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt het verweer. De zorg voor een dier omvat meerdere elementen, zoals ook is vermeld in de zich in het dossier bevindende veterinaire verklaringen, te weten water, voer, huisvesting en medische zorg. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging, mede gelet op de samenhang met de overige bewezenverklaarde gedragingen, dient te leiden tot de conclusie dat verdachte aan de dieren de nodige verzorging heeft onthouden, zoals bedoeld in artikel 37 GWWD. De omstandigheid dat één van de gedragingen zelfstandig kan worden gekwalificeerd als overtreding van artikel 35 GWWD doet daar niet aan af.

Rechtvaardigingsgrond

Verdachte heeft ter zitting ten verweer aangevoerd dat de verzorging van het Franse (vlees-) rundveeras Blonde d’Aquitaine niet overeenkomt met de verzorging van Nederlandse (melk-) rundveerassen. Zo zouden scherpe uitstekende delen in de huisvesting noodzakelijk zijn, zodat de runderen hier tegenaan kunnen schuren wanneer zij jeuk hebben. Borstels zouden - uit oogpunt van veiligheid - niet geschikt zijn voor dit specifieke ras. Volgens verdachte kan door het minder instrooien van de stallen bovendien een rotsachtige bodem nagebootst worden, zoals het ras van oorsprong gewend is in de Franse Pyreneeën. Ook zou het afzonderen van kreupele, magere, zieke of gewonde runderen bij dit ras tot stress en andere problemen kunnen leiden, gelet op de aard van het dier. Het rundveeras Blonde d’Aquitaine is - meer dan andere rassen - een kuddedier en kan door afzondering dood gaan. Bovendien zouden de klauwen van dit specifieke rundveeras niet bekapt mogen worden volgens verdachte. Verdachte stelt zich op het standpunt dat hij aan de runderen juiste en passende verzorging heeft geboden die behoort bij het specifieke rundveeras Blonde d’Aquitaine.

De rechtbank merkt het verweer van verdachte aan als een beroep op de buitenwettelijke rechtvaardigingsgrond: het ontbreken van de materiele wederrechtelijkheid, waardoor verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Voor een geslaagd beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid dient aannemelijk te worden gemaakt dat door het overtreden van de strafrechtelijke norm, de doelstelling van die norm (in casu: dierenwelzijn) beter nageleefd wordt dan door het houden aan de strafrechtelijke norm. Dat is het klassieke ‘Veearts’-geval (Hoge Raad van 20 februari 1933, NJ 1933, 918), waarin is betoogd dat de formulering van het wettelijk voorschrift niet (langer) aansluit bij de maatschappelijke werkelijkheid.

Het standpunt van de verdachte, dat er andere verzorgings- en welzijnseisen gelden ten aanzien van het rundveeras Blonde d’Aquitaine, wordt door de rechtbank verworpen. Ten eerste hebben verdachte noch de raadsman dit betoog onderbouwd met (deskundigen-) rapporten of stukken waaruit daadwerkelijk blijkt dat er voor het genoemde ras afwijkende verzorgingseisen gelden in vergelijking met andere rassen en - indien dit al het geval zou zijn - dat verdachte heeft voldaan aan die afwijkende verzorgingseisen. Het enkele feit dat er wellicht andere verzorgingseisen gelden, betekent immers niet automatisch dat verdachte heeft gehandeld als een goed veehouder en dus niet de nodige zorg aan de dieren heeft onthouden, zeker gelet op hetgeen door de toezichthoudende dierenartsen is geconstateerd. Verder hebben de deskundigen [dierenarts 1] en [dierenarts 2] ter terechtzitting het betoog van verdachte gemotiveerd weersproken.4 Zij hebben daarbij aangegeven dat de door hen bij de onderscheiden controles aangelegde toetsingsmaatstaven - die volgens hen als minimum-eisen kunnen worden gezien - gelden voor alle rundersoorten, derhalve ook voor het door verdachte gehouden ras. Gelet op deze omstandigheden verwerpt de rechtbank het verweer.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

  • Feit 1, feit 2: Taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;
  • Feit 1, feit 2: Gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.


Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF