Veroordeling oplichting d.m.v. listige kunstgrepen en samenweefsel van verdichtsels van een goede vriend voor een bedrag tbv een appartementencomplex in Turkije dat niet gebouwd is

Rechtbank Noord-Nederland 17 november 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4448

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van het slachtoffer voor een geldbedrag van € 452.046,-. Hij heeft hem bewogen dit geld over te maken ten behoeve van de bouw van een appartementencomplex in Turkije door aan hem meerdere leugenachtige mededelingen te doen. Verdachte en slachtoffer waren hiervoor al ruim 16 jaar zeer goede vrienden. Slachtoffer had hierdoor vertrouwen in verdachte en mocht dit ook hebben. Verdachte heeft dit vertrouwen op grove wijze geschaad. Daarbij komt dat verdachte er, vanwege de hechte vriendschap, van op de hoogte was dat slachtoffer op het moment van de oplichting net zijn bedrijf had verkocht en daardoor over een grote som geld beschikte.
 

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Namens verdachte is betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ingestelde vervolging, omdat het handelen van het Openbaar Ministerie in strijd is met beginselen van een goede procesorde. Er is hier namelijk enkel sprake van een civielrechtelijk geschil en niet van een strafbaar feit.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat deze zaak wel degelijk een strafzaak betreft en is van oordeel dat zij ontvankelijk is in de vervolging.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).

De rechtbank is van oordeel dat die situatie zich hier geenszins voordoet en verwerpt het verweer.
 

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd. Op grond van het proces-verbaal van de politie, alsmede het onderzoek van de rechter-commissaris kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte slachtoffer (hierna: slachtoffer ) heeft opgelicht voor een bedrag van € 452.046,- door slachtoffer te bewegen dit bedrag te betalen door aan hem bewust een op onjuistheden gebaseerd beeld te schetsen van een lucratieve investering.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadslieden hebben daartoe aangevoerd dat er geen overtuigend bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat verdachte opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt aan slachtoffer waardoor hij tot investering is overgegaan. Daartoe is onder meer aangevoerd dat hetgeen aangever slachtoffer heeft verklaard over het gesprek met verdachte op 31 mei 2006 volledig wordt betwist en dat de grond waarop het appartementencomplex zou worden gebouwd op het moment van het aangaan van de overeenkomst wel degelijk al in eigendom was van (het bedrijf van) verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Aangever slachtoffer heeft verklaard dat verdachte hem heeft opgelicht door hem door middel van onjuiste mededelingen te bewegen een bedrag van € 452.046,- te investeren in de bouw van een appartementencomplex in Turkije. Hij heeft verklaard dat verdachte op 31 mei 2006 bij hem thuis was en hem heeft verteld over het project “ naam ”. Het project betrof nog te bouwen appartementencomplexen in Alanya, Turkije. Het bouwbedrijf van verdachte, bedrijf 1 (hierna: bedrijf 1 ), was – zo vertelde verdachte aan slachtoffer – eigenaar van de bouwgrond waar de appartementencomplexen gebouwd zouden worden. slachtoffer heeft verklaard dat er volgens verdachte al een investeerder voor zes van de zeven te bouwen appartementencomplexen zou zijn, te weten de heer naam. De heer naam zou volgens verdachte reeds een bedrag van € 250.000,- hebben geïnvesteerd. Volgens slachtoffer heeft verdachte hem aangeboden om tegen kostprijs te investeren in het zevende te bouwen appartementencomplex, waarna hij dit met een behoorlijk rendement weer zou kunnen verkopen. De benodigde vergunningen waren al verleend en er zou direct met de bouw gestart kunnen worden. slachtoffer heeft voorts aangegeven dat verdachte hem bouwtekeningen met daarop meerdere stempels van de lokale autoriteiten heeft getoond. Deze stempels zouden de goedkeuring van deze autoriteiten inhouden. Gelet op de van verdachte verkregen informatie, hebben slachtoffer en zijn vrouw in juli 2006 besloten om te investeren in het project “ naam ”. slachtoffer en verdachte hebben daartoe op 30 juni 2006 een overeenkomst getekend, waarin onder meer de eigendomssituatie van de bouwgrond beschreven staat, alsook dat de geschatte aflevertijd van het gebouw maart 2007 is. slachtoffer heeft op 6 juli 2006 € 452.046,- overgemaaakt naar de bankrekening van bedrijf 1 te Turkije.

Hoewel door de verdediging de verklaring van slachtoffer uitdrukkelijk is betwist, ziet de rechtbank geen reden om aan die verklaring te twijfelen. Met name niet omdat de verklaring van aangever slachtoffer op een aantal essentiële onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Daarbij wijst de rechtbank allereerst op de verklaring van getuige naam. Deze heeft aangegeven dat hij niet heeft geïnvesteerd in het project " naam ". Getuigen naam en naam hebben verklaard dat naam aanvankelijk wel in het project geïnteresseerd was, maar dat hij uiteindelijk van investering daarin heeft afgezien. naam heeft verklaard dat verdachte hem heeft willen doen geloven dat slachtoffer al wel had geïnvesteerd in het project. Dit verhaal is, zo constateert de rechtbank, wat dit betreft dus spiegelbeeldig aan het verhaal dat slachtoffer van verdachte te horen zou hebben gekregen, te weten dat juist naam al in het project geïnvesteerd zou hebben, terwijl dat niet het geval is. Daarmee ondersteunt deze verklaring de verklaring van aangever slachtoffer voor wat betreft de onjuistheid van de mededeling dat er reeds door naam zou zijn geïnvesteerd voor een bedrag van € 250.000,-.

Voorts wijst de rechtbank op de verklaring van getuige naam die heeft verklaard dat verdachte aan hem heeft verteld dat de bouwvergunningen voor het project al waren afgegeven, maar dat naam (de assistente van verdachte) hem later desgevraagd heeft verteld dat zij wist dat er geen vergunning was, maar dat zij dit van verdachte niet mocht vertellen.

Uit een schrijven van de burgemeester van de gemeente Kestel d.d. 5 januari 2011 blijkt dat er voor de kavels 19 en 22 (tezamen de grond waarop " naam " gebouwd zou gaan worden) geen bouwvergunning van welke aard dan ook is afgegeven. Nu uit het deskundigenrapport van naam blijkt dat een bouwvergunning vijf jaren geldig blijft, kan er in mei 2006 derhalve geen sprake zijn geweest van een verleende bouwvergunning.

Ten aanzien van de eigendom van de betreffende percelen overweegt de rechtbank dat zowel op 31 mei 2006, de dag waarop verdachte slachtoffer heeft geïnformeerd over het project, als op 30 juni 2006, de dag waarop door verdachte en slachtoffer de overeenkomst is getekend, perceel 19 (zijnde één van de twee percelen waarop het project gebouwd zou gaan worden) niet in eigendom van het bedrijf bedrijf 1 was. Dit blijkt onder meer uit de verklaring van verdachte zelf en uit het eigendomsbewijs, dat onder meer inhoudt dat perceel 19 pas op 17 juli 2006 in eigendom van bedrijf 1 is gekomen. Daarbij overweegt de rechtbank dat daaraan niet kan afdoen dat wellicht eerder een overeenkomst tot koop was getekend. Zoals deskundige naam heeft verklaard is de datum van inschrijving in de openbare registers namelijk doorslaggevend voor de vraag bij wie het recht van eigendom van het registergoed berust.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aangever slachtoffer heeft opgelicht door hem verschillende onwaarheden voor te spiegelen. Bij dat oordeel heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de vertrouwensrelatie tussen hem en slachtoffer, hierin bestaande dat zij reeds vele jaren vrienden waren.

De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om zichzelf en/of zijn ondernemingen te bevoordelen. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder daarop gelet dat er binnen enkele dagen nadat slachtoffer het eerder genoemde geldbedrag had gestort op de rekening van bedrijf 1, in welke onderneming verdachte een aanzienlijk belang had, een bedrag van € 150.000,- op de rekening van het restaurant bedrijf 2 te Leeuwarden, een (voormalige) onderneming van verdachte, is gestort. Verdachte heeft erkend dat hij deze storting heeft gedaan en heeft verklaard dat hij op deze wijze de door bedrijf 2 betaalde kosten voor " naam " heeft terugbetaald. Verdachte heeft tevens verklaard dat er geld naar bedrijf 3, een andere onderneming van verdachte, is gegaan.
 

Bewezenverklaring

  • Primair: oplichting
     

Strafoplegging

Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
 

Benadeelde partij

Slachtoffer heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 452.000,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering tot het benadelingsbedrag van € 452.046,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2006 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte het verschuldigde bedrag reeds heeft voldaan aan slachtoffer. Verdachte heeft immers verschillende geldbedragen aan ondernemingen van slachtoffer overgemaakt en slachtoffer heeft een geldbedrag ontvangen uit het beslag op onroerend goed van verdachte. De verdediging heeft geconcludeerd tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de vordering.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat slachtoffer heeft gesteld dat zijn investering in het project " naam " een privé-investering was en dat de overige geldstromen tussen (de ondernemingen van) slachtoffer en verdachte zakelijke aangelegenheden betroffen. Dit is door verdachte niet weersproken, zodat dit is komen vast te staan. Gelet hierop, kunnen de door verdachte aan de ondernemingen van slachtoffer overgemaakte geldbedragen niet worden aangemerkt als terugbetaling van het door slachtoffer aan verdachte ten behoeve van " naam " betaalde bedrag. Verder heeft slachtoffer gemotiveerd betwist dat het uit het door verdachte genoemde beslag ontvangen geldbedrag diende ter terugbetaling van zijn investering in " naam ". Verdachte heeft zijn stelling hierover niet (nader) onderbouwd, zodat de rechtbank hem daarin niet volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 juli 2006.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.


Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF