Veroordeling eigenaar van een accountantskantoor wegens het valselijk opmaken van arbeidsovereenkomst

Rechtbank Gelderland 11 september 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4702

Verdachte heeft een arbeidscontract valselijk opgemaakt, met als doel om te doen alsof hij met zijn werkgever een schriftelijke arbeidsovereenkomst met een non-concurrentiebeding had afgesloten.
 

Achtergrond

Aangever was sinds 17 augustus 2009 werkzaam als assistent accountant bij naam BV (hierna te noemen: naam BV), gevestigd aan de adres 2. Verdachte is eigenaar van dit Bedrijf. Toen verdachte op 29 juni 2011 met verlof uit detentie kwam heeft hij 3 werknemers, waaronder aangever, op staande voet ontslagen.

Op dit ontslag volgde een ontbindingsprocedure tussen naam BV en aangever bij het kantongerecht te Apeldoorn. Deze ontbindingsprocedure eindigde in de afwijzing van dit verzoek.

Verdachte bracht bij het verzoekschrift tot ontbinding een arbeidsovereenkomst met non-concurrentiebeding in. Deze arbeidsovereenkomst is alleen door verdachte ondertekend en niet door aangever.

Aangever ontving bij zijn ontslag van verdachte een brief, waarin melding wordt gemaakt van afspraken over een financiële compensatie voor gebruik van de kantoorfaciliteiten van naam BV, die bij aanvang van de dienstbetrekking zouden zijn gemaakt tussen aangever en verdachte. Daarnaast ontving aangever twee facturen voor het gebruik van deze kantoorfaciliteiten. Aangever bestrijdt de echtheid van de arbeidsovereenkomst en het non-concurrentiebeding, en heeft aangifte gedaan van poging oplichting door verdachte.
 

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.
 

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

De arbeidsovereenkomst

Uit de beschikking van de kantonrechter d.d. 7 oktober 2011 betreffende het ontbindingsverzoek van de arbeidsovereenkomst tussen naam BV en aangever blijkt dat verdachte in de procedure een arbeidsovereenkomst met non-concurrentiebeding heeft overgelegd.

Aangever benadeelde heeft verklaard dat hij nooit een schriftelijke arbeidsovereenkomst heeft gekregen van verdachte, dat de arbeidsovereenkomst die in de gerechtelijke procedure aan de kantonrechter is overgelegd niet door hem is ondertekend en dat er nooit afspraken zijn gemaakt over een non-concurrentiebeding.

Getuige 1 heeft verklaard dat hij, net als benadeelde, op staande voet is ontslagen toen verdachte uit detentie kwam in 2011. Hij werd ook geconfronteerd met een valselijk opgemaakt arbeidscontract, dat eenzijdig was ondertekend. Op de vraag van de verbalisant hoe de afspraken dan werden geregeld verklaart getuige 1:

‘Ik heb een email gekregen van verdachte met daarin de afspraken over het salaris etc. In de email stelde hij wel dat ik een arbeidscontract zou krijgen. Ik heb hier via de email ook naar gevraagd, maar ik heb het arbeidscontract echter nooit gezien of getekend. Bijna niemand bij het Bedrijf van verdachte had een arbeidscontract op papier.’’

Op de vraag van de verbalisant welke collega’s niet in het bezit waren van een arbeidscontract antwoordt getuige 1: ‘benadeelde, naam 1, naam 2, naam 3. Deze namen weet ik 100% zeker’.

Getuige 2, broer van verdachte en sinds 1999 werkzaam voor het Bedrijf van zijn broer, stelde de arbeidscontracten op voor werknemers. Hij heeft verklaard: ‘Voor 7 van de 12 werknemers werd geen contract opgesteld. In september 2011 werd ik geconfronteerd door de heer benadeelde, de heer getuige 1 en mevrouw naam 1 dat er bij de ontslagprocesstukken drie inhoudelijk onjuiste arbeidscontracten zaten. Daardoor was het voor mij duidelijk dat deze valselijk en geantidateerd waren opgesteld. Ik herkende de contracten ook niet. De heer benadeelde is in augustus 2009 in dienst gekomen, maar deze heeft nooit een arbeidscontract gekregen.’

Verdachte heeft verklaard dat niet elke werknemer een schriftelijke arbeidsovereenkomst heeft. Verdachte heeft verklaard dat hij niet meer weet hoe hij de arbeidsafspraken heeft gemaakt met benadeelde toen deze in dienst kwam.

De brief

Benadeelde heeft in zijn aangifte verklaard dat hij naast het werk voor naam BV een eenmanszaak heeft: naam kantoor. De werkzaamheden voor zijn eigen Bedrijf deed hij buiten werktijd, in de kantoorruimte van verdachte. ‘Deze afspraak was mondeling overeengekomen met de heer verdachte en ik mocht kosteloos gebruik maken van zijn kantoorfaciliteiten.’ Bij zijn ontslag ontving benadeelde een brief van naam BV uit 2009 en facturen voor betaling van huur en gebruik van het kantoor van verdachte. Benadeelde betwist de echtheid van deze brief.

Getuige 3 heeft verklaard dat zij vanaf 2005 heeft gewerkt bij verdachte. Zij verklaart:

‘het botert niet tussen verdachte en benadeelde. Benadeelde is op staande voet ontslagen toen verdachte op verlof was vanuit de gevangenis.’

‘Achteraf heeft verdachte gezegd dat benadeelde geen privézaken op het werk mocht doen, maar naar mijn mening waren daar helemaal geen duidelijke afspraken over.’

‘Ik ben daar niet bij geweest wat zij onderling bespraken en wat er besproken is toen meneer benadeelde in dienst is gekomen.’ ‘Verdachte was wel op de hoogte van het feit dat benadeelde nog een administratiekantoor had naast zijn werk voor verdachte.’ ‘Naar mijn weten is benadeelde daar altijd heel open in geweest en heeft hij ook wel verteld dat hij ’s avonds op het Bedrijf van verdachte bezig was met zaken voor zijn privé-administratiekantoor.’ ‘Benadeelde heeft dit altijd gezegd en is hier open in geweest en verdachte deed hier niets mee.’ ‘Hij (verdachte) klaagde hier wel eens over tegen mij. Toen het goed was tussen verdachte en benadeelde hoorde ik verdachte er niet over, maar nadat het niet meer boterde, in 2011 dus, werd dit anders.’

Op de vraag van de verbalisant of er een contract was opgesteld over de huur van de ruimte antwoordt getuige 3:

‘Ik heb het in ieder geval niet gedaan.’

‘De brief is door verdachte zelf opgesteld. Normaal gesproken zal het secretariaat dit soort brieven opmaken. Ik kan zien dat hij dit zelf heeft gemaakt, aan de referenties en het type opmaak… Ik heb het gevoel dat deze brief is opgesteld nadat benadeelde en verdachte een conflict hebben gekregen. Dit is mijn ervaring met dhr. verdachte. Dit soort dingen doet hij alleen als hij iemand een hak wil zetten.’

Getuige 4 heeft ten aanzien van het gebruik van de kantoorruimte van verdachte door benadeelde het volgende verklaard:

‘..ik weet wel dat meneer benadeelde op enig moment, mogelijk in 2008 of 2009 bij het Bedrijf verdachte is komen werken. Hij heeft toen vanaf het begin dat hij werkzaam was afspraken gemaakt met verdachte over het gebruik maken van software en ruimte van het Bedrijf. Dit mocht hij toen buiten zijn werktijden bij verdachte doen. Er was geen sprake van een huurovereenkomst of iets dergelijks. Ik heb zowel verdachte als benadeelde dit horen zeggen in het verleden. Naar mijn weten mocht benadeelde de ruimte en computers etc. gewoon gratis gebruiken’.

‘Ergens eind 2011 was verdachte op een gegeven moment op het secretariaat. Ik weet niet meer de precieze datum, maar ik hoorde wel dat hij toen voorstelde dat er huur zou worden geïncasseerd of gefactureerd voor het gebruik van het kantoor door benadeelde buiten de tijden dat hij werkzaam was voor het kantoor. ‘Ik heb hier overigens nooit een contract van gezien. En dat is op zichzelf te noemen wel vreemd, want alle overeenkomsten en facturen worden over het algemeen door het secretariaat gemaakt.’

‘Wel is het zo dat verdachte nooit over huur heeft gepraat in de periode van 2009 tot en met 2011. Nadat hij vrij kwam begon hij ineens over het innen van de huur.’

‘Ook zou er ergens een brief of overeenkomst moeten zijn waarin benadeelde akkoord gaat met het betalen van de huur. Dat is nu niet het geval.’

‘Ik kan meteen zien dat deze brief niet door het secretariaat is opgesteld. Ik kan dit zien aan de tenaamstelling.’ ‘De opstelling en indeling is totaal niet standaard zoals wij die normaal gesproken op het secretariaat maken. Over de referentie kan ik zeggen dat deze lijkt gemaakt te zijn door zijn vrouw’.

‘De datum en briefnummer zijn ook anders dan normaal. Normaal gesproken staat er namelijk een datum met aansluitend briefnummer en dat briefnummer mist nu. Zover ik weet heeft mevrouw naam 4 nooit wat met de administratie van verdachte te maken gehad.’

Getuige 1 verklaart: ‘verdachte heeft mij nooit verteld dat er sprake was van een huurovereenkomst van de ruimte en dat benadeelde daarvoor moest betalen. Ik wist dat hij (benadeelde) daar vaak ’s avonds en in het weekend was. Dit was een feit van algemene bekendheid onder de collega’s die daar werkten. Hij (verdachte) heeft nooit gesproken over het feit dat benadeelde daarvoor moest betalen.’

Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat benadeelde ten behoeve van zijn eigen Bedrijf gebruik maakte van de ruimte, apparatuur en andere faciliteiten van verdachte Bedrijf.

Op de vraag van de verbalisant waarom er geen contract is opgesteld ten aanzien van het gebruik van de ruimte dat door beide partijen is ondertekend verklaart verdachte: ‘Dat heeft te maken met de gemakzucht van mij.’

De facturen

Met betrekking tot de facturen die door verdachte aan benadeelde voor servicekosten zijn verstuurd verklaart getuige 3 : ‘Wat mij opvalt is dat de brief die u mij zojuist heeft getoond van 2009 is en dat de factuur pas van juli 2011 is. Dat is precies na het moment dat benadeelde en verdachte een conflict kregen. In de brief kondigde hij aan dat hij 200 euro per maand ging rekenen en dit is nooit gefactureerd en in 2011 wordt er een factuur opgemaakt voor die gehele periode. Dat is zeker niet gebruikelijk voor het Bedrijf.’

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande bewezen dat de arbeidsovereenkomst en het daarin opgenomen non-concurrentiebeding, alsmede de brief en de facturen valselijk door verdachte zijn opgemaakt.
 

Feit 2

Aan verdachte wordt onder feit 2 een poging oplichting ten laste gelegd. Hem wordt verweten dat hij, door middel van het sturen van facturen aan aangever, geprobeerd heeft aangever te bewegen tot het betalen van geld. Verdachte zou daardoor hebben geprobeerd zichzelf - in strijd met het recht - te bevoordelen.

Artikel 326, dat oplichting in het Wetboek van Strafrecht strafbaar stelt, somt de mogelijke oplichtingsstrategieën en de gevolgen daarvan op. De manier van oplichten en het gevolg ervan moeten aan de hand van feitelijkheden, zijnde handelingen die gericht waren op of geleid hebben tot oplichting en het gevolg van de oplichting, beschreven staan in de tenlastelegging. De rechtbank kan vervolgens aan de hand van de bewijsmiddelen toetsen of deze feitelijkheden hebben plaatsgehad en hebben geleid tot oplichting.

In de onderhavige tenlastelegging ontbreken deze feitelijke handelingen en de rechtbank is dan ook van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte op de in de tenlastelegging omschreven wijze heeft geprobeerd aangever op te lichten. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het hem onder feit 2 tenlastegelegde.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in art. 225 lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt, meermalen gepleegd.
     

Strafoplegging

Een maand gevangenisstraf.
 

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij benadeelde, heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van €55.245.

Beoordeling door de rechtbank

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende causaal verband is aangetoond tussen de gevorderde schade en hetgeen verdachte wordt verweten. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Lees hier de volledige uitspraak.

 


Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF