Veroordeling belastingadviseur tot gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk voor het doen van onjuiste aangifte + beroepsverbod van drie jaar

Rechtbank Amsterdam 8 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1478

Verdachte heeft over een lange periode op grote schaal namens zijn klanten onjuiste aangiften inkomstenbelasting ingediend, waarbij hij telkens gefingeerde persoonsgebonden aftrekposten heeft opgegeven. Verdachte heeft tevens met zijn eigen aangiften omzetbelasting gefraudeerd. Op deze manier is ten onrechte belastinggeld teruggevraagd en vervolgens door de Belastingdienst uitgekeerd. Het benadelingsbedrag dat met het grootschalig indienen van onjuiste aangiften inkomsten- en omzetbelasting door verdachte is uitgekeerd, betreft in ieder geval € 828.842. 

De klanten van verdachte waren voor een belangrijk deel kwetsbare personen met een niet al te hoog inkomen en met gezondheidsproblemen. Deze mensen klopten zonder enige kennis van zaken bij verdachte aan om hun belastingaangifte conform de regels in te laten dienen, hetgeen veelvuldig niet gebeurde, nu verdachte in veel gevallen zomaar bedragen invulde of kostenposten opvoerde, terwijl zijn klanten deze kosten niet mochten opvoeren. Bovendien stelde verdachte zich op als deskundig belastingadviseur met kennis van zaken en vertrouwden zijn klanten erop dat hij hun aangiften invulde volgens de regels. De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij steeds bewijsstukken voor de aftrekposten heeft gezien, maar dat zijn klanten deze kennelijk steeds zijn kwijtgeraakt. Met het invullen van aangiften voor ongeveer 4600 klanten verdiende verdachte in een periode van ongeveer vier jaar circa € 346.000, en het lijkt erop dat verdachte met zijn diensten vooral zijn eigen financiële belang in het vizier had. Verdachte bekommerde zich er kennelijk niet om dat zijn klanten het risico liepen op navorderingen door de Belastingdienst. 
 

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door onjuiste aangiften inkomstenbelasting valselijk op te maken (het tweede alternatief cumulatief ten laste gelegde onder feit 1) en/of belastingfraude door die onjuiste aangiften bij de Belastingdienst in te dienen, wat erin resulteerde dat te weinig belasting werd geheven (het eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde onder feit 1).

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de vervolging van verdachte op grond van artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht op gespannen voet staat met de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr), welke uitsluitingsgrond betrekking heeft op het gebruik maken van valse geschriften in de zin van artikel 225, tweede lid, Sr. Zij overweegt hiertoe als volgt.

In artikel 69, vierde lid, Awr is, kort gezegd, bepaald dat de eerste twee leden van artikel 69 Awr specialiteit bezitten ten opzichte van artikel 225, tweede lid, Sr. Strafvervolging op grond van voornoemd artikel is uitgesloten. Het eenduidig invullen van de vervolgingsuitsluitingsgrond blijkt in de rechtspraktijk niet eenvoudig te zijn. De oorsprong van de onduidelijkheid over de reikwijdte van de uitsluitingsgrond is te vinden in de beperking tot gedragingen die onder de strafbepaling van artikel 225, tweede lid, Sr vallen. Deze beperking roept verschillende vragen op, waaronder de in deze zaak van toepassing zijnde vraag of gedragingen die via artikel 225, eerste lid, Sr ten laste zijn gelegd ook onder het toepassingsbereik van de vervolgingsuitsluitingsgrond kunnen vallen.

Voorop staat dat de uitsluitingsgrond vervolging op basis van artikel 225, eerste lid, Sr in beginsel niet in de weg staat. Omdat de scheidslijn tussen de twee artikelleden echter zeer dun is, kan dit in specifieke gevallen tot onbevredigende resultaten leiden. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook gevallen denkbaar waarin een vervolging op grond van artikel 225, eerste lid, Sr in strijd is met de vervolgingsuitsluitingsgrond. Bij de beantwoording van de vraag of de vervolgingsuitsluitingsgrond van toepassing is op een ten laste gelegd feit dat op het opmaken van valse geschriften is geënt, moet blijkens jurisprudentie worden gekeken naar het feit zoals dat in werkelijkheid is gepleegd. (vgl. ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ1739) Op het moment dat het feit ook onder het toepassingsbereik van de strafbaarstelling in de Awr past, zou vervolging op basis van het commune delict via de vervolgingsuitsluitingsgrond moeten zijn uitgesloten, tenzij het gaat om het opmaken van geschriften die naast een fiscale functie ook een andere functie hebben en dus ook tegen anderen dan de Belastingdienst kunnen worden gebruikt.

In de onderhavige zaak wordt verdachte verweten dat hij elektronische aangifteformulieren inkomstenbelasting heeft opgemaakt en vervolgens heeft ingediend. Deze elektronische aangiften zijn opgemaakt met het enige doel om deze bij de Belastingdienst in te dienen. Het valselijk opmaken van deze aangiften ging noodzakelijkerwijs vooraf aan het gebruik maken daarvan door deze onjuiste aangiften, nota bene met één druk op de knop, bij de Belastingdienst in te dienen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het gaat om ten laste gelegde gedragingen die volledig met elkaar samenvallen, zodat er grond bestaat om ten opzichte van het als tweede alternatief cumulatief ten laste gelegde onder feit 1, artikel 225, eerste lid, Sr, specialiteit van de Awr aan te nemen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ten aanzien van het tweede alternatief cumulatief ten laste gelegde onder feit 1, valsheid in geschrift, niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Wel is zij ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van de eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde onder feit 1, belastingfraude.
 

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft onder verwijzing naar het schriftelijk requisitoir, samengevat het volgende naar voren gebracht.

Op grond van de inhoud van het dossier, waaronder het gedane onderzoek door de Belastingdienst en de Fiod als ook de aangiften van de personen die in de tenlastelegging zijn genoemd, kan worden bewezen dat verdachte telkens opzettelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft ingediend voor zijn klanten (feit 1) door in hun aangiftes persoonsgebonden aftrekposten op te nemen zonder dat aan de voorwaarden voor het opvoeren van die aftrekposten was voldaan.

Ook feit 2 kan worden bewezen. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat verdachte ook met zijn eigen aangiften omzetbelasting heeft gefraudeerd. Uit het onderzoek van de Belastingdienst en de Fiod is namelijk naar voren gekomen dat de facturen van Stichting Nursu, die voor verdachte werkzaam zou zijn geweest, vals waren. Niet alleen ontkent de bestuurder van de Stichting, meneer naam bestuurder , dat de Stichting facturen stuurde en boekhoudkundige werkzaamheden verzorgde, het verhaal van verdachte is zo vaag dat dit op geen enkele manier kan worden nagegaan en nader kan worden onderzocht. Daarnaast is er nog een andere indicatie dat de facturen vals zijn; uit het onderzoek van de Fiod blijkt dat alle facturen in één keer zijn opgemaakt en uitgeprint door verdachte.
 

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft de raadsman geen standpunt ingenomen, anders dan dat verdachte de schuld niet bij anderen neerlegt nu hij heeft aangegeven dat hij het beter had moeten doen en tevens heeft aangegeven de verantwoordelijkheid te nemen voor zijn handelen.

Verdachte heeft nog naar voren gebracht dat hij niet met opzet heeft gehandeld.
 

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de bewijsmiddelen die in het dossier zijn vervat, is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1 en 2.

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte deze aangiften opzettelijk onjuist heeft ingediend. Zij overweegt daartoe als volgt. Verdachte was al jaren werkzaam als belastingconsulent en profileerde zich als iemand die er verstand van had. Van een belastingconsulent mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de regels en dat hij deze, ondanks zijn eigen opvatting daarover, naleeft. Het moet voor verdachte duidelijk zijn geweest onder welke voorwaarden de Belastingdienst aftrek van persoonsgebonden kosten, dieetkosten en extra kosten voor kleding en beddengoed toestond, nu deze voorwaarden zowel op de website van de Belastingdienst als in belastingalmanakken en dergelijke te vinden zijn. Door de aftrekposten louter op te voeren op basis van de enkele mededeling van een klant dat deze of een familielid een aandoening of ziekte onder de leden had, en geen enkel bewijs van gemaakte extra kosten in verband met deze aandoening of ziekte te vragen dan wel te bewaren, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijk kans aanvaard dat de aangiften niet juist waren en dat hij dus op grote schaal onjuiste aangiften indiende. Als gevolg daarvan kregen klanten ten onrechte een lagere aanslag inkomstenbelasting, zodat ook aan het strekkingsvereiste is voldaan.

Feit 2

Ook ten aanzien van feit 2 is de rechtbank op grond van de feiten en omstandigheden omtrent de facturen van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Niet alleen ontkent de bestuurder van de Stichting Nursu Vakfi, de heer naam bestuurder , facturen te hebben opgemaakt en überhaupt boekhoudkundige werkzaamheden voor verdachte te hebben verricht, volgens naam bestuurder kloppen de facturen ook niet. Zo komt het logo niet overeen, is Vakfi verkeerd gespeld en klopt het telefoonnummer niet. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat de werkzaamheden werden uitgevoerd door ene naam 1 die volgens verdachte bij de Stichting werkzaam was. naam bestuurder heeft hierover verklaard dat hij ene naam 1 naar verdachte had doorverwezen nu deze werk zocht als ZZP-er. Dat naam 1 voor verdachte heeft gewerkt namens de Stichting acht de rechtbank niet aannemelijk. Zo kan naam 1 niet worden bereikt omdat overige gegevens van hem niet bij verdachte bekend zijn. Daarnaast staat boven de facturen de plaatsnaam Amersfoort vermeld, terwijl het kantoor van naam 1 in Utrecht zou zijn gevestigd. Tot slot is uit onderzoek van de Fiod gebleken dat de Stichting haar activiteiten na april 2011 heeft gestaakt. Op de constatering van de rechtbank dat er facturen zijn van na april 2011 heeft verdachte aangevoerd dat hij niet wist dat de Stichting haar werkzaamheden had gestaakt. Uit het onderzoek van de Fiod is voorts gebleken dat er op een invorderingsonderzoek bij de Stichting in 2011 geen uitgaande facturen met inkomstenbelasting ter beschikking zijn gesteld en dat alle facturen in één keer door verdachte zijn opgemaakt en uitgeprint vlak na de bekendmaking dat een boekencontrole bij hem zou plaatsvinden.

Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verdachte duidelijk moet zijn geweest dat de facturen vals waren en dat hij deze, ondanks de valsheid, heeft ingediend bij de Belastingdienst, met als doel minder omzetbelasting te betalen. Aan het strekkingsvereiste is mitsdien eveneens voldaan.
 

Bewezenverklaring 

  • Feit 1 en 2: het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
     

Strafoplegging 

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk en een beroepsverbod van drie jaar.
 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly and PDF