Veroordeling apotheker wegens valse declaraties voor niet gedane verstrekkingen van medicijnen

Rechtbank Rotterdam 26 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3444

De verdachte, een apotheker, heeft jarenlang gefraudeerd door namens zijn apotheek ten onrechte declaraties, voor in totaal een bedrag van bijna € 900.000, in te dienen voor een HIV-medicijn. De verdachte heeft in die declaraties aangegeven dat hij dit medicijn heeft verstrekt aan onverzekerde vreemdelingen, maar heeft dit niet daadwerkelijk verstrekt. De verdachte heeft verklaard dat de fraude hem zeer gemakkelijk afging. Zo gemakkelijk, dat hij ervoor heeft gekozen om, in plaats van met een geldlening van een bank, met de opbrengst van deze fraude een kostbare verbouwing van zijn apotheek te financieren.
 

Ontvankelijkheid officier van justitie

Aangevoerd is dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De vervolging van de verdachte levert schending van de beginselen van een goede procesorde op, nu de officier van justitie de beslissing tot vervolging niet zorgvuldig heeft genomen. De verdediging verzoekt de rechtbank de vervolgingsbeslissing niet marginaal maar vol te toetsen. Zij heeft bij haar beslissing tot vervolging van de verdachte geen rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden in de onderhavige zaak, te weten dat sprake is van eenvoudige fraude, dat het fraudebedrag mede is opgelopen doordat onvoldoende controle op de door de verdachte ingediende declaraties heeft plaatsgevonden door de benadeelde partijen, dat de door de verdachte veroorzaakte schade door hem is vergoed, dat de officier van justitie niet inhoudelijk heeft willen overleggen over de mogelijkheid van buitengerechtelijke afdoening en dat andere zaken, gelijk aan de onderhavige zaak, door het openbaar ministerie wel buitengerechtelijk zijn afgedaan.

Beoordeling rechtbank

In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek strafrechtelijke vervolging moet plaatsvinden. Deze beslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. De stelling van de raadsman dat de rechtbank de vervolgingsbeslissing in volle omvang kan toetsen vindt geen steun in het recht.

Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde.

De rechtbank dient in dit kader te beoordelen of sprake is van het uitzonderlijke geval, dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen, dat met de vervolging van de verdachte enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn1.

Naar het oordeel van de rechtbank is van zo een uitzonderlijk geval geen sprake.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting medegedeeld dat sprake is van een zeer ernstige fraudezaak, nu sprake is van een omvangrijke fraude (circa € 900.000,00), die is gepleegd gedurende enkele jaren door een verdachte met een bijzondere maatschappelijke positie. Dit blijkt uit het dossier en de verdachte heeft bekend deze fraude te hebben gepleegd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het openbaar ministerie in redelijkheid tot de beslissing kunnen komen om de verdachte te vervolgen.

De door de verdediging aangevoerde omstandigheden doen niet aan dit oordeel af. Deze omstandigheden kunnen worden meegewogen bij - indien aan de orde - de bepaling van de strafmaat en maken niet dat de officier van justitie in redelijkheid niet tot de vervolging van de verdachte heeft kunnen beslissen.

Van schending van het gelijkheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake. De zaken die door de verdediging in dit kader zijn aangehaald zijn wellicht gelijksoortig, maar door de verdediging is niet aangetoond en ook overigens is niet aannemelijk geworden dat het gaat om - zoals vereist voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel - daadwerkelijk gelijke zaken.

Conclusie

De officier van justitie is ontvankelijk.
 

Beoordeling rechtbank

Het primair ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit wordt zonder nadere bespreking bewezen verklaard.
 

Bewezenverklaring 

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.


Strafoplegging 

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF