Veroordeling accountant wegens omzetbelastingfraude

Gerechtshof Amsterdam 11 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3635

Namens bedrijven zijn aangiften omzetbelasting gedaan over verschillende tijdvakken. In deze aangiften is telkens verzocht om teruggave van omzetbelasting. 

De vennootschappen hebben elk als vennoten twee in het Verenigd Koninkrijk gevestigde Limiteds. Deze staan in Engeland geregistreerd als “slapend” of er zijn bij de Limiteds geen activiteiten vermeld. Bedrijf 1 en Bedrijf 2 zijn vennoten van bedrijven en bedrijven. Bedrijf 3 en Bedrijf 4 zijn vennoten van bedrijven, bedrijven, bedrijven, bedrijven, bedrijven, bedrijven, bedrijven en bedrijven.

De Verdachte was op tijdstippen in de ten laste gelegde periode (indirect) bestuurder van de vier Limiteds, waarbij onder meer van belang is dat bij oprichting van Bedrijf 3 de enig aandeelhouder hiervan Bedrijf 1 was en bij de oprichting van Bedrijf 4 de enig aandeelhouder daarvan Bedrijf 3 was. Verder kon de Verdachte, nadat hij uit zijn functie als bestuurder was getreden, als gevolmachtigde van Bedrijf 3 met onbeperkte bevoegdheid blijven optreden ; deze Limited werd ten gunste van Verdachte beheerd en facturen met betrekking tot deze Limited waren aan de Verdachte en zijn woonadres gericht.

Naam 1 heeft het volgende verklaard. Naam 1 is directeur van European Business Centre, een Bedrijf dat ondernemingen opricht en voorziet in nominee directeuren (het hof begrijpt: directeuren in Naam, zonder uitoefening van feitelijke werkzaamheden als directeur) en nominee aandeelhouders (het hof begrijpt: aandeelhouder zonder uiteindelijk gerechtigde te zijn). Naam 1 is directeur van ongeveer 800 ondernemingen. Zijn betrokkenheid is administratief, hij is niet betrokken bij de financiële zaken van de onderneming. Verdachte wilde enkele ondernemingen oprichten, dat is gebeurd en door hem betaald. Verdachte vroeg Naam 1 om 500 formulieren te ondertekenen om ondernemingen in Nederland te registeren, de formulieren waren blanco. Verdachte vroeg hem, Naam 1, directeur te worden van Bedrijf 1. Naam 1 heeft nooit werk voor deze onderneming verricht. Verdachte vroeg Naam 1 ook om Bedrijf 2 te runnen. Naam 1 werd nominee directeur en nominee aandeelhouder. Naam 1 weet niet wat deze onderneming deed. Post stuurde hij door.

Naam 1 heeft Bedrijf 3 opgericht en een Letse bankrekening geopend. Alleen Verdachte had toegang tot deze bankrekening. Verdachte deelde Naam 1 mede dat hij Bedrijf 3 als corporate director van ondernemingen gebruikte om zijn anonimiteit te bewaren. Naam 1 heeft identiteitspapieren overgelegd om bankrekeningen mee te openen. Voor Bedrijf 3 tekende Naam 1 een volmacht en een trustverklaring ten gunste van Verdachte.

Op het woonadres van Verdachte in Sneek is op computers en andere gegevensdragers digitale administratie aangetroffen. Op een USB harddisk is een excel-bestand aangetroffen. Het eerste tabblad van dit bestand bevat een overzicht met daarin namen van en informatie over de volgende VOF’s: bedrijven. De informatie die in het overzicht is ingevuld betreft per VOF: locatie, inschrijvingsdatum Kamer van Koophandel, Kamer van Koophandelnummer, bankrekeningnummer, pincodes, virtual offices, huurprijs virtual offices, fiscaal nummer en bedragen per kwartaal over de jaren 2012 en 2013. Verdachte kon beschikken over de gebruikersnamen en wachtwoorden van de betrokken VOF’s. In de digitale administratie staat geen informatie over daadwerkelijke Bedrijfsactiviteiten van deze ondernemingen.

Verdachte heeft de zakelijke rekeningen van bedrijven aangevraagd waarbij hij opgaf zelfstandig bevoegd te zijn. Ook de zakelijke rekening van bedrijven is aangevraagd door Verdachte die opgaf zelfstandig bevoegd te zijn.

Verdachte was de contactpersoon voor de gehuurde Bedrijfsruimten van bedrijven, bedrijven, bedrijven, bedrijven, bedrijven en bedrijven Verdachte regelde het bezoekadres van bedrijven en bedrijven en bedrijven. Bij tien Verdachte VOF’s staan twee postadressen vermeld; adres 2. Bij TNT-post staat bij adres 2 Verdachte als contactpersoon geregistreerd en als contactpersoon van adres 2: Naam 1.

Een aantal van de ten laste gelegde belastingaangiften is ingediend met gebruikmaking van het IP-adres van de woning van Verdachte in Sneek; een aantal is ingediend met gebruikmaking van het IP-adres van de woning van Verdachte in Achel (België). Op een USB-harddisk in de woning van Verdachte in Sneek zijn verschillende belastingaangiften aangetroffen.

Op grond van het onderzoek heeft verbalisant vastgesteld dat:

  • de bezoeksadressen van de VOF’s gehuurde kantoorruimten in Bedrijfsverzamelgebouwen zijn;
  • er, in het geval van bedrijven (V09), geen goederen op het Bedrijfsadres werden opgeslagen noch andere (Bedrijfs)activiteiten zijn waargenomen door de verhuurder en er nooit iemand van het Bedrijf op het bezoekadres geweest is;
  • er weinig tot geen (contact)informatie op het internet te vinden is, hetgeen in het huidige maatschappelijk verkeer ongebruikelijk is;
  • de bijschrijvingen op de opgevraagde bankrekeningen hoofdzakelijk bestaan uit stortingen met betrekking tot verzoeken teruggave omzetbelasting (zowel van de Nederlandse Belastingdienst als de Belgische en Duitse Belastingdienst) dan wel stortingen van ondernemingen die aan Verdachte te relateren zijn;
  • er tijdens de doorzoeking van de woning en het kantoor aan de adres 3 geen fysieke noch digitale boekhouding aangetroffen is;
  • er, ondanks de verplichting van artikel 47 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, geen reactie is gekomen op de vragenbrieven die de Belastingdienst gestuurd heeft;
  • er, in tegenstelling tot de ervaring van Naam 2, na het blokkeren van de aangiften omzetbelasting, geen contact werd opgenomen met de Belastingdienst;
  • Verdachte Naam 1 verklaard heeft dat hij V02 tot en met V11 niet kent en hij zijn Bedrijf heeft in het oprichten van ondernemingen van derden;
  • Verdachte Naam 1 benaderd is door Verdachte om, tegen betaling, bedrijven naar Engels recht voor dan wel namens hem op te richten, welke vervolgens in Nederland de Verdachte VOF’s oprichten.

Tijdens de doorzoeking van de woning en het kantoor van de Verdachte in april 2014 is er fysieke noch digitale boekhouding aangetroffen met betrekking tot enige aan Verdachte te liëren VOF.

Standpunt verdediging

De raadsman van de Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van door hem overgelegde pleitnotities bepleit dat de Verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, omdat er sprake is geweest van Bedrijfsactiviteiten binnen de verschillende vennootschappen onder firma. Dit standpunt heeft de verdediging nader onderbouwd met een aantal, in hoger beroep in de procedure ingebrachte facturen. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de Verdachte niet feitelijk leiding heeft gegeven aan hetgeen hem ten laste is gelegd.

Oordeel hof

Het hof oordeelt op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden dat het de Verdachte is geweest die de in de tenlastelegging genoemde belastingaangiften voor de omzetbelasting ten name van de tien VOF’s heeft ingediend in de periode van 8 juli 2012 tot en met 29 juli 2013.

De verdediging heeft in hoger beroep facturen in het geding gebracht en gesteld dat Bedrijf 5 voorschotkosten voor werkzaamheden voor de verschillende VOF’s in rekening heeft gebracht. De verdediging heeft gesteld dat de verschillende VOF’s voorschotkosten in rekening hebben gebracht aan het Bedrijf 6.

Het hof overweegt ten aanzien van deze facturen als volgt. Het merendeel van de ingebrachte facturen is afkomstig van een Bedrijf dat gelieerd is aan de Verdachte, te weten Bedrijf 5. Het tijdstip waarop de facturen in de procedure zijn ingebracht is zeer laat, namelijk pas in hoger beroep, anderhalf jaar na het eindvonnis van de rechtbank. De verdediging heeft geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de vindplaats van de facturen, anders dan dat de facturen zich op een ander adres bevonden dan waar de doorzoekingen hebben plaatsgevonden. Niet duidelijk is geworden om welke reden Verdachte niet eerder over deze facturen heeft gesproken, terwijl hij bij meerdere gelegenheden om verantwoording is gevraagd over de in de aangiften vermelde bedragen als voorbelasting.

Uit het strafdossier en uit de door de verdediging ingebrachte stukken blijkt niet van enige overeenkomst tussen de VOF’s en Bedrijf 5 waaruit concrete afspraken blijken over de op de facturen vermelde (ontwikkeling van) franchiseformules. Hetzelfde geldt voor de op voorschotnota’s vermelde administratieve diensten. Uit het dossier blijkt niet van enige betaling door de VOF’s naar aanleiding van de gefactureerde bedragen.

Het valt verder op dat op één van de facturen een btw-tarief is geheven van 21% terwijl op de betreffende datum, 2 augustus 2012, nog het oude btw-tarief van 19% gold. Verder zou Bedrijf 5 volgens een factuur van 9 augustus 2012 aan bedrijven een voorschot in rekening hebben gebracht voor de levering van vier personenauto’s. Uit nader onderzoek is gebleken dat door die B.V. slechts één personenauto is geleverd en dat deze niet is geleverd aan bedrijven maar aan de heer Naam 3 uit Joure.

De advocaat-generaal heeft tenslotte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat Bedrijf 5 geen aangifte omzetbelasting van de betreffende facturen heeft gedaan, hetgeen blijkt uit pagina 3 en 4 van een door hem ter terechtzitting in hoger beroep overgelegd document in reactie op de ingebrachte facturen.

Gelet op al hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, twijfelt het hof in ernstige mate aan de echtheid van de door de verdediging ingebrachte facturen. Het hof kent aan deze facturen dan ook geen betekenis toe. Niet is gebleken dat er binnen de VOF’s Bedrijfsactiviteiten hebben plaatsgevonden waarover omzetbelasting moest worden geheven of feitelijke betalingen zijn gedaan waarvoor omzetbelasting kon worden teruggevraagd. Het hof komt tot de slotsom dat de in de tenlastelegging opgenomen belastingaangiften onjuist zijn.

De Verdachte is bij de oprichting van de VOF’s planmatig en verhullend te werk gegaan. Hij heeft Naam 1 en door hem opgerichte Limiteds ingeschakeld om te voorkomen dat hij direct gekoppeld kon worden aan de VOF’s. Hij heeft verschillende vestigings- en postadressen voor de VOF’s gebruikt om te voorkomen dat de Belastingdienst zou ontdekken dat op één adres een groot aantal VOF’s zou zijn gevestigd. Toen geen terugbetaling van omzetbelasting volgde heeft hij geen contact opgenomen met de Belastingdienst om te vragen wat de reden daarvan was. Tot slot heeft hij vragen die hem gesteld werden door de Belastingdienst naar aanleiding van de aangiften, niet beantwoord. Op basis van deze gedragingen in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat de Verdachte opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft ingediend om zodoende van de Belastingdienst geld te ontvangen waar hij geen recht op had.

Het verweer van de raadsman omtrent ‘feitelijk leidinggeven’ behoeft geen bespreking, nu dit de verdacht niet ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

  • Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

  • Gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF