Vermogen van verdachte onder beschermingsbewind gesteld, waardoor deze niet bevoegd is zelfstandig te procederen tegen de tegen hem ingestelde vordering benadeelde partij

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6710

Het gerechtshof veroordeelt verdachte voor heling van een bromfiets, winkeldiefstal, winkeldiefstal met bedreiging en het onbruikbaar maken van een ophoudcel van de politie. Ten aanzien van dit laatste feit is een vordering tot schadevergoeding benadeelde partij ingediend. Tijdens de zitting in hoger beroep blijkt dat het vermogen van verdachte onder bewind is gesteld. Verdachte is daarom niet bevoegd zelfstandig te procederen tegen de hem ingestelde vordering. De bewindvoerder van verdachte is niet opgeroepen en is niet ter zitting verschenen. Deze bewindvoerder heeft de raadsvrouw van verdachte ook niet gemachtigd tot het voeren van verweer tegen de vordering. Oproeping van de bewindvoerder in geding vormt in dit stadium van de procedure een onevenredige belasting van het strafproces. Het hof verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in haar vordering. Ter vergoeding van de veroorzaakte schade wordt echter wel de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd.

 

---

 

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt €285,78, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€205,78, vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het vermogen van de verdachte onder beschermingsbewind, als bedoeld in de artikelen 1:431 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, is gesteld. Hierdoor mist verdachte de (zelfstandige) bevoegdheid tot beheer en beschikking over zijn vermogen. Die bevoegdheid ligt bij de bewindvoerder, die verdachte bij de vervulling van zijn taak ook in rechte vertegenwoordigt. Hieruit volgt dat verdachte niet bevoegd is zelfstandig te procederen met betrekking tot de tegen hem ingestelde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij. Niet is gebleken dat de bewindvoerder de raadsvrouw van verdachte heeft gemachtigd tot het voeren van verweer tegen deze vordering. Oproeping van de bewindvoerder in geding, opdat die de procedure van verdachte als formele procespartij over kan nemen, acht het hof in dit stadium van de procedure een onevenredige belasting van het strafproces. Daarom zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaring in haar vordering. Zij kan deze slechts bij de burgerlijke rechter instellen.

Het hof stelt echter vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar civielrechtelijke criteria aansprakelijk is voor de schade die hij door het in de zaak met parketnummer 16-171123-17 onder 2 bewezenverklaarde feit heeft veroorzaakt. Dat het hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaart, staat er niet aan in de weg dat het hof verdachte ter vergoeding van de veroorzaakte schade en dus tot herstel van de rechtmatige toestand, de schadevergoedingsmaatregel oplegt. Het hof acht oplegging van die maatregel passend en zal die opleggen voor een bedrag van 205,78 euro bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^