Verlening verjaringstermijn bij overtredingen van 2 naar 3 jaar

Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2013

Feiten

Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte overtreding van art. 5 WVW 1994, begaan op of omstreeks 6 december 2007, tenlastegelegd.

Het Hof heeft – met vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Amsterdam van 6 april 2010 – het Openbaar Ministerie bij arrest van 18 juni 2012 niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van voormeld feit.

Mr. R.C. Tdlohreq, Advocaat-Generaal bij het Hof te Amsterdam, heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend Advocaat-Generaal bij het Hof te Amsterdam, heeft een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend.

Middel

Ten tijde van het ten laste gelegde feit was in art. 70 lid 1 onder 1° Sr bepaald dat het recht tot strafvordering voor alle overtredingen vervalt in twee jaren. Met ingang van 1 februari 2008 is met de Wet OM-afdoening de verjaringstermijn voor overtredingen op drie jaren bepaald.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het tenlastegelegde feit is verjaard.

Beoordeling Hoge Raad

Zoals de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231, geldt in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. Dit uitgangspunt geldt ook voor verlenging van lopende verjaringstermijnen. Hetgeen het Hof dienaangaande heeft overwogen leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof heeft derhalve ten onrechte toepassing gegeven aan art. 70 Sr zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de wijziging van die bepaling in 2008.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF