Verdenking overtreding art. 40 lid 2 Geneesmiddelenwet

Rechtbank Rotterdam 8 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9742

De verdachte wordt onder feit 1 verdacht van een diefstal met geweld op 11 juni 2017 op de Ceintuurbaan in Rotterdam, onder feit 2 van het op 26 juli 2017 in voorraad hebben van een grote hoeveelheid geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning geldt en onder feit 3 van het opzettelijk aanwezig hebben van ruim 3 kilogram hennep op 26 juli 2017.
 

Geldigheid dagvaarding feit 2

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de dagvaarding - wat het onder 2 ten laste gelegde feit betreft - nietig is, omdat in de tenlastelegging niet staat wat nu precies strafbaar is en hoeveel geneesmiddelen de verdachte wel in voorraad had mogen hebben. Het is niet duidelijk waartegen verweer dient te worden gevoerd.

Beoordeling

Artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering eist dat de tenlastelegging een voldoende duidelijke, concrete en feitelijke omschrijving bevat van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt. Het moet immers aan de hand van die omschrijving voor verdachte begrijpelijk zijn waarvan hij wordt beschuldigd en waartegen hij zijn verdediging moet richten. De tenlastelegging is geformuleerd conform de strafbepaling van artikel 40 lid 2 van de Geneesmiddelenwet en is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk, concreet en feitelijk. Uit de tenlastelegging volgt immers dat de verdacht wordt verdacht van het in voorraad hebben van geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning geldt. In de tenlastelegging is bovendien vermeld om welke geneesmiddelen en welke hoeveelheden het gaat. Het moet de verdediging op grond daarvan voldoende duidelijk zijn waartegen verweer dient te worden gevoerd. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

Conclusie

De dagvaarding is geldig.
 

Ontvankelijkheid officier van justitie feit 2

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte voor feit 2. Bij een eerdere huiszoeking in de woning van de verdachte in april 2017 waren de geneesmiddelen al zichtbaar aanwezig, maar de politie heeft daar toen geen gevolgen aan verbonden. De politie had de verdachte toen moeten melden dat de hoeveelheid geneesmiddelen die hij in huis had, een probleem kon gaan opleveren.

Beoordeling

De door de verdediging gestelde omstandigheid, dat niet bij een eerdere doorzoeking door de politie gemeld is dat de hoeveelheid geneesmiddelen die de verdachte in huis had een probleem kon gaan opleveren, levert – wat er verder ook zij van de juistheid van die stelling – geen ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (het zogenoemde Zwolsman-criterium, HR 19 december 1995, NJ 1996, 249). Daarbij vindt de rechtbank van belang dat niet vast staat dat dezelfde hoeveelheid medicatie wel aanwezig was bij de eerdere doorzoeking in april. Naar het oordeel van de rechtbank faalt om bovenstaande redenen het beroep op niet-ontvankelijkheid.

Conclusie

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
 

Vrijspraak feit 1 en 2

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. De verdachte stelt dat hij slechts heeft bemiddeld in een conflict over de terugbetaling van de waarde van een auto en dat de aangever hem vrijwillig – zelfs tegen de wil van de verdachte – een tas met waardevolle spullen als onderpand heeft meegegeven.

Standpunt officier van justitie

De door de verdachte ten aanzien van feit 1 afgelegde verklaring is onaannemelijk. Deze verklaring is pas afgelegd op het moment dat de verdachte geconfronteerd werd met nadere feiten en omstandigheden omtrent het feit. De andere twee personen die aanwezig waren in de auto waarin de verdachte naar de aangever is toegereden, wil de verdachte niet bij naam noemen, terwijl zij zijn verhaal zouden kunnen bevestigen. De verklaring van de aangever is daarentegen wel aannemelijk en duidt op alles behalve een vrijwillige afgifte van de tas. De aangifte wordt ondersteund door de tapgesprekken in het dossier en het feit dat de aangever meteen na het incident de politie heeft gebeld. Het onder 1 ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend bewezen worden.

De onder feit 2 genoemde geneesmiddelen zijn in de woning aangetroffen. De verdachte heeft bij de politie te kennen gegeven dat die geneesmiddelen van hem waren. Dat voor de aangetroffen geneesmiddelen geen handelsvergunning was afgegeven, is door de Inspectie voor de Gezondheidszorg vastgesteld. Het onder feit 2 ten laste gelegde feit kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden, aldus de officier van justitie.

Beoordeling

Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de aangever en de verdachte op 11 juni 2017 een ontmoeting hebben gehad hebben op de Ceintuurbaan te Rotterdam, waarna de verdachte met een rugzak met spullen van aangever naar huis is gegaan. Hoe die rugzak in het bezit van de verdachte is gekomen en of daarbij geweld gebruikt is, kan aan de hand van het dossier niet worden vastgesteld. Alleen de aangever verklaart dat de rugzak door (bedreiging met) geweld in het bezit van de verdachte is gekomen. Steunbewijs voor die stelling ontbreekt. Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, namelijk dat aangever de rugzak vrijwillig aan hem heeft gegeven als ‘blijk van vertrouwen’ en - zo begrijpt de rechtbank de verklaring van de verdachte - als onderpand totdat aangever een aan [naam] verschuldigd geldbedrag zou hebben betaald, zou zich net zo goed kunnen hebben voorgedaan. De inhoud van de tapgesprekken in het dossier sluit het scenario van de verdachte niet uit. Er bevindt zich aldus onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier om tot een bewezenverklaring van feit 1 te komen.

Dat er een grote hoeveelheid geneesmiddelen in het huis van de verdachte is aangetroffen en dat er voor die geneesmiddelen geen handelsvergunning was afgegeven, is door de Inspectie voor de Gezondheidszorg vastgesteld. Dit is evenwel nog niet voldoende om tot het oordeel te komen dat de verdachte deze geneesmiddelen “in voorraad” heeft gehad als bedoeld in artikel 40 lid 2 van de Geneesmiddelenwet. Het verbod van artikel 40, lid 2 van de Geneesmiddelenwet spitst zich gelet op de Memorie van Toelichting toe op bedrijfsmatige activiteiten. Het strafbaar gestelde “in voorraad hebben” ziet op het bezit van een hoeveelheid geneesmiddelen om die vervolgens te verkopen, af te leveren, ter hand te stellen of in te voeren. In ieder geval moet het gaan om een voorraad die wordt aangehouden met het oog op handelingen in het economisch verkeer.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in de loop der jaren heel wat geneesmiddelen op internet heeft besteld voor zijn gezondheidsproblemen en dat vrijwel alle aangetroffen geneesmiddelen voor eigen gebruik waren. Deze verklaring wordt ondersteund door de omstandigheid dat de verpakkingen van de aangetroffen geneesmiddelen deels aangebroken waren, dat een deel van de medicijnen uit de aangebroken verpakkingen gebruikt was en dat een deel van de geneesmiddelen over de geldigheidsdatum was. De rechtbank heeft geen aanwijzingen in het dossier aangetroffen die erop wijzen dat de verdachte de geneesmiddelen in huis had met het oog op handelingen in het economische verkeer. Ook de officier van justitie gaat daar overigens in haar requisitoir niet van uit.

Er kan dan ook niet worden bewezen dat de verdachte de geneesmiddelen in voorraad heeft gehad als bedoeld in artikel 40 lid 2 van de Geneesmiddelenwet.

Conclusie

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF