Verdachte wordt vrijgesproken van oplichting, gewoontewitwassen en valsheid in geschrift. Rb acht niet bewezen dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse prospectus.

Rechtbank Amsterdam 16 januari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:525

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven op neer dat verdachte zich in de periode van 19 maart 2003 tot en met 12 mei 2009 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting (feit 1) en het medeplegen van (gewoonte)witwassen (feit 3). Verder wordt verdachte ervan verdacht in de periode van 30 juni 2006 tot en met 12 mei 2009 zich schuldig te hebben gemaakt aan het medeplegen van het gebruikmaken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst (feit 2).

Vrijspraak

Met de officieren van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.

Het dossier bevat onvoldoende bewijs om te concluderen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Voor wat betreft het gebruik maken van een valse prospectus geldt het volgende. Verdachte heeft ten behoeve van het prospectus van 30 juni 2006 slechts de jaarcijfers van B.V. 1 per 31 december 2005 aangeleverd. Die jaarcijfers strookten met het aankoopbedrag van het appartementencomplex in plaats 1 en de aanbetaling van de appartementen in plaats 2 aan het meer 1. Die laatste appartementen had verdachte op de balans afgeschreven, omdat hij dacht dat die niet meer zouden worden geleverd. Voornoemde prospectus met de daarin opgenomen onjuistheden heeft verdachte niet ondertekend. Hij heeft slechts de brief naar de AFM ondertekend en die ondertekening zag alleen op de door hem aangeleverde cijfers. Pas in 2007 werd voor verdachte duidelijk dat het prospectus dat naar de AFM was gestuurd, onjuistheden bevatte. Gelet op deze omstandigheden kan niet bewezen worden verklaard dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse prospectus.

Nu niet bewezen kan worden verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting en het gebruik maken van een vals geschrift, kan evenmin bewezen worden verklaard dat verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat hij gebruik maakte van geldbedragen die van misdrijf afkomstig waren dan wel dat hij van voorwerpen die van misdrijf afkomstig waren, de werkelijke herkomst heeft verhuld.

Verdachte zal dan ook van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF