Verdachte wordt vrijgesproken van afpersing van een persoon, waarmee hij in het verleden een afpersing heeft gepleegd en waarvoor beiden zijn veroordeeld

Rechtbank ’s-Hertogenbosch 15 maart 2013, LJN BZ4221

Feiten

Verdachte en aangever zijn in 2009 als mededaders in een afpersingszaak tot langdurige gevangenisstraffen veroordeeld. Aangever heeft in die zaak een bekennende verklaring afgelegd. Aangever heeft voorafgaande aan genoemde strafzaak met verdachte de mondelinge afspraak gemaakt dat verdachte geld zou ontvangen indien hij in bedoelde zaak vast zou komen te zitten. Aangever heeft vervolgens enkele betalingen aan verdachte gedaan. Volgens verdachte was een veel hoger geldbedrag afgesproken dan de tot dan gedane betalingen.

Verdachte vindt dat aangever zijn afspraak niet is nagekomen, belt hem en gaat vervolgens begin augustus 2012 naar de woning van aangever te Rosmalen om hem daarover aan te spreken. Aangever en verdachte spreken daarop af dat verdachte over twee/drie weken nogmaals langs zal komen.

Op 25 augustus 2012 omstreeks 9:00 uur staat verdachte bij aangever aan de deur om de geldkwestie te bespreken. In het daaropvolgende gesprek geeft aangever aan dat hij geen geld heeft. Er wordt besloten dat de personenauto van aangever wordt verkocht. Met de opbrengst hiervan zou aangever zijn financiële verplichtingen zijn nagekomen. Verdachte verlaat de woning van aangever en komt omstreeks 11:00 uur terug met de mededeling dat hij een koper voor de auto heeft gevonden. Aangever pakt de autosleutels en autopapieren en rijdt met verdachte naar bedrijf te Berlicum. Aldaar wordt de verkoop van de auto beklonken voor een bedrag van 8.000 euro. De eigenaar van genoemd bedrijf stelt een vrijwaringbewijs en inkoopverklaring op. Verdachte wordt aangehouden nog voordat het geldbedrag feitelijk is overhandigd.

Standpunt OvJ

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde afpersing. De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 21 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 14 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met aangever en diens gezinsleden.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

De verweten gedragingen zijn in de kern afkomstig van één bron, namelijk de verklaringen van aangever. Dat klemt met name voor wat betreft de onder het eerste liggend streepje uitgeschreven uitlating dat hij (slachtoffer) anders in de kofferbak terecht zou komen. Deze in strafrechtelijke zin laakbare uitlating wordt enkel bevestigd door de de-auditu verklaring van getuige. Dat is onvoldoende voor een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Voor wat betreft de gedragingen zoals uitgeschreven onder het derde en vierde liggend streepje geldt, indien bewezen, dat dit mogelijk in strijd is geweest met de goede smaak doch niet met de wet. Het enkele feit dat aangever zich daardoor bedreigd heeft gevoeld is onvoldoende voor een strafrechtelijk verwijt. Het feitelijke gedrag van aangever duidt ook overigens niet op een angstig of bedreigd persoon. Het staat immers vast dat hij op meerdere momenten de gelegenheid heeft gehad om de politie te bellen. Dat heeft hij echter niet gedaan. Evenmin volgt uit de verklaringen van getuigen dat er sprake is geweest van een angstige aangever of een dreigende sfeer.

Oordeel rechtbank

Aangever verklaart dat hij zijn personenauto niet vrijelijk heeft verkocht, doch zich hiertoe gedwongen heeft gevoeld door dreigend optreden van verdachte. Aangever verklaart in dit verband dat verdachte bij zijn eerste bezoek heeft gezegd dat aangever in de kofferbak zou belanden als hij niet zou betalen. De echtgenote van aangever bevestigt dit, in die zin dat zij op 25 augustus 2012 van haar man heeft gehoord dat verdachte genoemde uitlating heeft gedaan. Voorts verklaren aangever en getuige dat verdachte op 25 augustus 2012 om 9:00 uur met stemverheffing om geld vroeg en dat hij anders de personenauto van aangever zou meenemen en verkopen. Verdachte zou vervolgens later die dag zijn teruggekomen en op dreigende en indringende wijze hebben gesommeerd dat aangever met medeneming van de autosleutels en autopapieren mee moest gaan.

Verdachte ontkent dat hij aangever tot de verkoop van zijn auto heeft gedwongen. Het zou het voorstel van aangever zelf zijn geweest teneinde aan zijn financiële verplichting te voldoen. Verdachte ontkent ook ten stelligste dat hij bij zijn eerste bezoek tegen aangever heeft gezegd dat hij eventueel in de kofferbak terecht zou komen.

Ook op 25 augustus 2012 is van enige dreiging geen sprake geweest, aldus verdachte.

Voor een bewezenverklaring van afpersing is vereist dat de gedragingen van de verdachte van dien aard zijn geweest dat het slachtoffer zich daardoor gedwongen heeft gevoeld tot de afgifte van een goed.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte bij zijn eerste bezoek aan aangever (begin augustus 2012) heeft gezegd dat aangever - kort gezegd - eventueel in de kofferbak zou belanden. De rechtbank acht deze dreigende uitlating een dermate ernstige en relevante omstandigheid in verband met de dwangcomponent van de tenlastegelegde afpersing, dat het procesdossier daaromtrent voldoende specifiek steunbewijs moet bieden wil de rechtbank tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging komen. Dit klemt temeer nu verdachte uitdrukkelijk heeft betwist dergelijke bewoordingen te hebben gebezigd. De rechtbank stelt vast dat de beweerdelijke uitlating enkel volgt uit verklaringen van aangever en de de-auditu verklaring van zijn echtgenote.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de op dit onderdeel belastende de auditu-verklaring van getuige onvoldoende gewicht in de schaal legt in de ondersteuning van de verklaring van slachtoffer op dit punt, met name nu het dossier geen andere aanknopingspunten ter bevestiging van een en ander bevat.

Nu de rechtbank hetgeen verdachte onder het eerste liggend streepje wordt verweten niet bewezen acht, resteert de vraag of de overige aan verdachte verweten gedragingen, te weten het naar de woning van aangever gaan en het aangever vervolgens op dreigende toon sommeren met verdachte mee te gaan met medeneming van de autopapieren en autosleutels tot een bewezenverklaring van afpersing kunnen leiden.

Daargelaten de juistheid van een en ander, in welk verband de rechtbank in ieder geval wijst op het feit dat vader en zoon van het bedrijf, naar welk bedrijf verdachte en aangever voor de verkoop van de auto zijn toegereden, geen dwang of spanningen hebben opgemerkt, oordeelt de rechtbank dat in casu niet kan worden gesteld dat verdachte door bedoelde gedragingen de grenzen van het strafrechtelijk betamelijke op dusdanige wijze heeft overschreden dat daardoor de wils- en keuzevrijheid van aangever dermate werd beperkt dat van enig vrijwillig handelen geen sprake meer geweest kan zijn. Het enkele in morele zin als afkeurenswaardig te kwalificeren gedrag van verdachte is onvoldoende voor een strafrechtelijk verwijt in de zin van art. 317 Sr.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF