Verdachte wordt veroordeeld voor het opdracht geven tot het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting door een rechtspersoon

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2996

Ten laste van de Verdachte is bewezen verklaard dat zij opdracht heeft geven tot het plegen van belastingfraude. Gedurende ongeveer 2 jaren werd door het administratiekantoor boekhoudkantoor te Middelharnis een te hoog bedrag aan voorbelasting en een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting aangegeven op de aangiften omzetbelasting. Per saldo kreeg onderneming Verdachte B.V., waarvan de Verdachte bestuurder was, hierdoor altijd omzetbelasting terug van de fiscus. Deze onjuiste aangiften werden gedaan in opdracht van de Verdachte, waartoe zij telkens de benodigde onjuiste gegevens verstrekte aan boekhoudkantoor. Op deze wijze hebben de Staat der Nederlanden en de Europese Unie een belastingnadeel van €59.962,97 geleden.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsvrouwe heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat niet tot strafvervolging van de Verdachte over had mogen worden gegaan. Daartoe is aangevoerd dat aan geen enkel voor strafrechtelijke afdoening vereist aspect, zoals genoemd in de Aanmeldings-, transactie- en vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten en douanedelicten (‘ATV-richtlijn’), is voldaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

In de van toepassing zijnde ATV-richtlijn 2010 valt de onderhavige zaak onder categorie I. Deze categorie behelst zaken waarin het nadeel dat aan opzet is te wijten ten minste het drempelbedrag van €15.000,00 en minder dan €125.000,00 bedraagt. Daarnaast dient ten minste één van de overige aspecten zoals genoemd in hoofdstuk 5 aan de orde te zijn.

Het hof is van oordeel dat te dezen het aspect ‘Medewerking van adviseur, deskundige derde of douane-expediteur’ van toepassing is. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Boekhoudkantoor V.O.F. te Middelharnis (hierna ook wel: boekhoudkantoor) is als adviseur van onderneming Verdachte B.V. ingeschakeld om de boekhouding en belastingaangiften te verzorgen. De belastingaangiften werden onder verantwoordelijkheid van de gevolmachtigde van boekhoudkantoor, boekhouder, ingediend. Na een boekenonderzoek door belastingambtenaar bleek dat in de maandaangiften omzetbelasting over de periode 2008 tot en met 2010 de omzet en/of de af te dragen omzetbelasting en/of de geclaimde voorbelasting regelmatig op afgeronde en/of dezelfde bedragen eindigden. De digitale administratie, die door boekhoudkantoor aan de Belastingdienst ter beschikking was gesteld, sloot niet aan bij de ingediende maandaangiften omzetbelasting.

Aldus konden de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie, op basis van de hen ten tijde van de verdenking, dat de Verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan belastingfraude, ter beschikking staande informatie, op goede gronden de mening zijn toegedaan dat de adviseur boekhoudkantoor en/of boekhouder op de hoogte was van die fraude en daar haar medewerking aan verleende.

Gelet op het vorenoverwogene is aan de criteria voor strafrechtelijke afdoening op grond van de ATV-richtlijn voldaan. Bijgevolg is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de strafvervolging van de Verdachte. Het hof verwerpt het verweer.

Vrijspraak medeplegen

Het hof houdt het er voor dat boekhouder voor de aangiften omzetbelasting afging op de door de Verdachte verstrekte bedragen aan betaalde en in rekening gebracht BTW. boekhouder werd pas eerst achteraf, namelijk bij (de poging tot) het opstellen van de jaarstukken, bekend met de onjuistheid van de bedragen die in de eerder ingediende aangiften waren vermeld. Anders dan de advocaat-generaal, maar met de verdediging is het hof daarom van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking bij het doen van de onjuiste belastingaangiften tussen de Verdachte, boekhoudkantoor en/of boekhouder. De Verdachte zal daarom van het ten laste gelegde medeplegen worden vrijgesproken.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouwe van de Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat het opzet van de Verdachte nooit gericht is geweest op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en dat zij slechts heeft gehandeld op basis van hetgeen door boekhouder boekhouder van boekhoudkantoor werd verzocht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat boekhouder ernstig nalatig is geweest in haar werkzaamheden voor onderneming Verdachte B.V. De aan boekhouder gegeven opdracht tot het opmaken van jaarrekeningen en het doen van aangiften vennootschapsbelasting is boekhouder niet nagekomen, terwijl ook de daarvoor benodigde verwerking van de administratie door boekhouder niet of nauwelijks is uitgevoerd. Voorts heeft boekhouder bij het doen van de aangiften omzetbelasting genoegen genomen met door de Verdachte doorgegeven bedragen zonder te verifiëren of deze juist waren, terwijl boekhouder de opdracht had gekregen de aangiften omzetbelasting te doen.

De omstandigheid dat boekhouder in haar werk als boekhouder ernstig tekort is geschoten brengt echter niet zonder meer met zich dat de Verdachte, zijnde bestuurder van onderneming Verdachte B.V., vrijuit gaat. Immers, de omstandigheid dat de Verdachte een adviseur heeft ingeschakeld, aan wie (voorwaardelijk) opzet kan worden verweten, kan samengaan met de mogelijkheid dat bij de Verdachte zelf (voorwaardelijk) opzet op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting aanwezig is geweest. In dat verband kan van belang zijn of de Verdachte de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van haar kan worden gevergd bij de keuze van haar adviseur en bij de samenwerking met die adviseur. Wat in dit opzicht redelijkerwijs van de Verdachte kan worden gevergd, zal intussen van geval tot geval sterk kunnen verschillen, bijvoorbeeld naar gelang haar hoedanigheid en haar kennis en ervaring omtrent de ter zake relevante fiscale en andere aspecten.1

De Verdachte heeft verklaard dat zij kratten met administratie bij boekhouder heeft ingeleverd en deze onaangeroerd weer heeft opgehaald. Voorts moest zij van haar voormalige boekhouder een kasboek bijhouden, omdat het kasstelsel werd toegepast. Toen zij gebruik maakte van de diensten van boekhoudkantoor hoefde zij niet langer een kasboek bij te houden. De Verdachte wist ook dat haar vorige boekhouder aan het einde van elk jaar suppletieaangiften omzetbelasting indiende, terwijl boekhouder dit niet deed. Daarnaast heeft de Verdachte nooit jaarstukken van boekhouder ontvangen en is door boekhouder nimmer een aangifte vennootschapsbelasting gedaan.

Hoewel Verdachtes fiscale en boekhoudkundige kennis beperkt is, is het hof op grond van het voorgaande van oordeel dat er in vergelijking met de gang van zaken bij haar eerdere boekhouder dusdanig veel verschillen waren, dat de Verdachte vanaf medio 2009 (toen de jaarstukken over 2008 en een suppletie omzetbelasting over 2008 uitbleven) redelijkerwijs actie had moeten ondernemen. Dat heeft zij echter nagelaten. Sterker nog, zij is doorgegaan met het doorgeven van (onjuiste) omzetbelasting-gegevens op grond waarvan boekhoudkantoor de aangiften omzetbelasting namens onderneming Verdachte B.V. indiende. De Verdachte gaf maandelijks aan boekhoudkantoor alleen de bedragen aan omzetbelasting door, die in de aangiften moesten worden opgenomen, zodat de Verdachte wist dan wel redelijkerwijs had moeten weten dat deze, door haar doorgegeven bedragen, ten tijde van het doen van die aangiften niet door boekhoudkantoor werden gecontroleerd. Door niet in te grijpen waar de Verdachte had behoren in te grijpen, is de Verdachte tekortgeschoten in haar samenwerking met boekhouder. Door dit tekortschieten, in combinatie met de omstandigheid dat de Verdachte zelf maandelijks aan boekhoudkantoor alleen de bedragen aan omzetbelasting doorgaf, heeft de Verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangiften omzetbelasting onjuist werden ingediend. Aldus had de Verdachte voorwaardelijk opzet op de verboden gedragingen.

Nu de Verdachte met boekhoudkantoor de afspraak had gemaakt dat boekhoudkantoor op basis van de door haar verstrekte omzetbelasting-gegevens de aangiften van onderneming Verdachte B.V. zou indienen, heeft zij tot het plegen van de bewezen verklaarde feiten opdracht gegeven.

Mitsdien faalt het verweer. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging daarom in al zijn onderdelen.

Bewezenverklaring

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, begaan door een Rechtspersoon, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven en zij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de Verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF