Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van art. 5:58 lid 1 onder d Wft, door informatie te verspreiden waarvan een onjuist of misleidend signaal is uitgegaan en/of kon worden geducht met betrekking tot de aandelen

Rechtbank Amsterdam 6 augustus 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:4859

Verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden en een taakstraf van 200 uren. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5:58, eerste lid, onder d van de Wet op het financieel toezicht, door informatie te verspreiden waarvan een onjuist of misleidend signaal is uitgegaan en/of kon worden geducht met betrekking tot de aandelen in de fondsen Spyker Cars N.V., Van der Moolen Holding N.V. en Koninklijke Vopak N.V. Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering en het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst.

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

Feit 1: overtreding van artikel 5:58, eerste lid, onder d van de Wet op het financieel toezicht (Wft), door informatie te verspreiden waarvan een onjuist of misleidend signaal is uitgegaan en/of kon worden geducht met betrekking tot het aandeel in het fonds Spyker Cars N.V.

Feit 2: overtreding van artikel 5:58, eerste lid, onder d Wft, door informatie te verspreiden waarvan een onjuist of misleidend signaal is uitgegaan en/of kon worden geducht met betrekking tot het aandeel in het fonds[naam 1] Holding N.V.

Feit 3: poging tot oplichting van[naam 1] Holding N.V.

Feit 4: overtreding van artikel 5:58, eerste lid, onder d Wft, door informatie te verspreiden waarvan een onjuist of misleidend signaal is uitgegaan en/of kon worden geducht met betrekking tot het aandeel in het fonds Koninklijke Vopak N.V.

Feit 5: oplichting van [naam 2] door hem te bewegen tot afgifte van 160.000 aandelen Spyker Cars N.V, subsidiair verduistering van deze aandelen.

Feit 6: het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde

Verdachte heeft gesprekken gevoerd met naam 2 (Managing Director bij Spyker Cars N.V.). Deze gesprekken hebben ertoe geleid dat een intentieverklaring tot investering en een overeenkomst tot geldlening met Spyker zijn opgesteld, waarin onder andere staat vermeld dat verdachte 48 miljoen euro ter beschikking zou stellen aan Spyker.

Op 4 december 2007 is in De Telegraaf een artikel gepubliceerd waarin onder meer staat vermeld:

  • ‘dat Spyker afgelopen week een intentieverklaring heeft getekend voor herfinanciering door een mysterieuze Nederlandse ondernemer’;
  • ‘in totaal gaat het naar verluidt om een kapitaalinjectie van ruim € 48 miljoen’;
  • ’de mysterieuze investerende partij is ACI Ltd, een onbekende vennootschap die is gevestigd in Liechtenstein.’

Ook heeft verdachte met M. naam 3 (Chief Financial Officer bijnaam 1 Holding N.V.) gesprekken gevoerd. Naar aanleiding van deze gesprekken is een tweetal leningsovereenkomsten opgesteld, waarin onder andere is opgenomen dat verdachte 480 miljoen euro aan naam 1 zou lenen tegen 5% rente.

Op 12 maart 2008 is in De Financiële Telegraaf een artikel gepubliceerd waarin meer staat vermeld:

  • ‘deze krant kreeg de afgelopen dagen een door het bestuur vannaam 1 ondertekende lening onder ogen’;
  • ‘het betrof een krediet van in totaal € 480 miljoen tegen een looptijd van tien jaar en een jaarlijkse rente van 5%’;
  • ‘de leningverstrekker stelt desgevraagd achter ACI Ltd. te zitten, een vennootschap gevestigd in Liechtenstein’
  • ‘binnen enkele maanden zou nog € 500 miljoen aankomen. Dit bedrag zou besteed moeten worden om aandelen Vopak mee te kopen, een tankopslagbedrijf.’

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte de persoon is geweest die informatie heeft verspreid waarvan een onjuist of misleidend signaal is uitgegaan en/of kon worden geducht met betrekking tot de aandelen in de fondsen Spyker,naam 1 en Koninklijke Vopak N.V. (Vopak), terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de informatie onjuist en/of misleidend was.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Op 2 maart 2008 heeft verdachte een sms-bericht gestuurd aan naam 3, waarin het volgende staat vermeld: “Beste Michiel (naam 3) als ik naam 1 voor 15 maart geld geef moet ik 2 en half miljoen boete betalen omdat ik 500 vroeger op neem dus ik stort pas 15 april als je geld toch eerder wil moet jij de kosten maar betalen mvg voornaam verdachte.”

De vraag die moet worden beantwoord is of verdachte middels voornoemd sms-bericht heeft gepoogd naam 1 te bewegen tot afgifte van 2,5 miljoen euro.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

Op 31 januari 2009 zijn naam 2 en verdachte een leningsovereenkomst aangegaan, waarbij is afgesproken dat verdachte aan naam 2 een geldlening van 1 miljoen euro zou verstrekken. Als onderpand voor deze lening zou naam 2 in totaal 400.000 aandelen Spyker aan verdachte in pand geven. Hiervan zijn op 19 februari 2009 en 5 maart 2009 in totaal 160.000 aandelen overgeboekt naar de effectenrekening van verdachte. In de periode van 19 maart 2009 tot en met 6 april 2009 heeft verdachte deze aandelen verkocht.

De vraag is of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van naam 2 door hem te bewegen tot afgifte van 160.000 aandelen Spyker dan wel of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van deze aandelen.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

In de civielrechtelijke procedure tussen verdachte en naam 2 is namens verdachte een geschrift ingebracht waarin staat vermeld dat naam 2 een bedrag van € 500.000 van verdachte heeft ontvangen. Dit geschrift is voorzien van de handtekening van naam 2. naam 2 heeft verklaard het geschrift nooit eerder te hebben gezien, laat staan te hebben ondertekend.

De vraag is of sprake is van een vals of vervalst geschrift en of verdachte dit opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegd requisitoir, op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2, 3, 4, 5 subsidiair en 6 ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft hiertoe, zakelijk weergegeven, voor wat betreft de verschillende onderdelen van de tenlastelegging, het volgende naar voren gebracht.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde

Op basis van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte de persoon is geweest die onjuiste informatie aan journalisten van De Telegraaf heeft verstrekt. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte niet beschikt over een groot vermogen dan wel eigenaar is van ACI Ltd. Verdachte was dan ook niet in staat om de door hem genoemde geldbedragen ter beschikking te stellen. De aard van de door verdachte verstrekte informatie is zodanig, dat daar een onjuist of misleidend signaal van uitgaat met betrekking tot de aandelen van Spyker, naam 1 en Vopak. Hoewel verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd, blijkt uit de stukken in het dossier dat verdachte wel degelijk wist dat de door hem verstrekte informatie onjuist was.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Op basis van het door verdachte op 2 maart 2008 verstuurde sms-bericht aan naam 3, in samenhang met de door verdachte gebezigde leugens, kan het onder 3 ten laste gelegde worden bewezen. Doordat naam 3 zich tijdig realiseerde dat sprake was van een ondeugdelijke transactie, is het bij een poging tot oplichting gebleven.

Ten aanzien van het onder 5 en 6 ten laste gelegde

naam 2 had, gelet op het eerdere contact tussen hem en de FIOD, de onwaarheid van de mededelingen van verdachte moeten onderkennen en zich niet door verdachte moeten laten bedriegen. Het onder 5 ten laste gelegde – de oplichting – kan daarom niet worden bewezen. Het onder 5 subsidiair ten laste gelegde – de verduistering van de 160.000 aandelen Spyker door verdachte– kan wel worden bewezen. Verdachte was vanwege het pandrecht niet bevoegd de aandelen te verkopen. Het recht tot uitwinning van het pandrecht ontstaat pas op het moment dat naam 2 in verzuim is, maar hiervan is niet gebleken. Tot slot kan ook het onder 6 ten laste gelegde worden bewezen. Uit de technisch onderzoek blijkt dat het geschrift is vervalst. Dit vervalste geschrift is door verdachte in de civielrechtelijke procedure ingebracht en is tevens op zijn computer aangetroffen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, overeenkomstig de inhoud van de aan de rechtbank overgelegde pleitaantekeningen, op het standpunt gesteld dat verdachte van de aan hem ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde

Op basis van de stukken in het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte de persoon is geweest die onjuiste informatie heeft verspreid. Het is niet ondenkbaar dat de journalisten van De Telegraaf de woorden van verdachte hebben verdraaid. Gelet op de inhoud van het psychiatrische rapport, kan niet worden bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de door hem verstrekte informatie onjuist of misleidend was.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Niet kan worden gesteld dat de inhoud van het door verdachte verstuurde sms-berichtnaam 1 zou hebben bewogen tot afgifte van € 2,5 miljoen. Van een poging tot oplichting kan dan ook geen sprake zijn.

Ten aanzien van het onder 5 en 6 ten laste gelegde

Het onder 5 ten laste gelegde kan niet worden bewezen. Tussen verdachte en naam 2 bestond een overeenkomst, dat was ook de reden waarom naam 2 160.000 aandelen Spyker heeft verstrekt aan verdachte. Omdat naam 2 zijn verplichtingen niet nakwam, was verdachte genoodzaakt de aandelen te verkopen. Ook het onder 6 ten laste gelegde kan niet worden bewezen, omdat enkel een afschrift van het geschrift hiervoor onvoldoende is.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde

De formulering van het door verdachte verstuurde sms-bericht aan naam 3 ziet naar het oordeel van de rechtbank op het opnieuw onderhandelen omtrent de voorwaarden, waaronder verdachte bereid is het geld te betalen voor 15 maart. De inhoud van de sms is te vrijblijvend van aard en te gering van gewicht, om te kunnen vaststellen dat verdachte de intentie heeft gehad om naam 1 onder valse voorwendselen te bewegen tot afgifte van 2,5 miljoen euro. Het onder 3 ten laste gelegde kan daarom niet worden bewezen, zodat verdachte hiervan wordt vrijgesproken.

Het oordeel over het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde

Verspreiding van informatie

De rechtbank leidt uit het bestaan van de in rubriek 4.1. vermelde krantenartikelen af dat informatie is verspreid aan journalisten van De Telegraaf. Dat de informatie in alle drie de gevallen (in het geval van Vopak uiteindelijk op 12 maart 2008) tot artikelen in De Telegraaf heeft geleid, is op zich geen vereiste voor overtreding van artikel 5:58 Wft, maar was wel een voorzienbaar gevolg van het verspreiden van de informatie aan journalisten van De Telegraaf en vormt daarom bewijs daarvoor.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn gebleken uit de bewijsmiddelen, acht de rechtbank bewezen dat het verdachte is geweest die deze informatie heeft verspreid. De rechtbank neemt hierbij het volgende in overweging.

Ten aanzien van Spyker

  • verdachte heeft op 3 december 2007 in een telefoongesprek met een medewerker van de AFM gezegd dat hij Spyker van de beurs kan halen, het kan manipuleren en in de media kan brengen;
  • in voornoemd telefoongesprek heeft verdachte voorts gezegd dat hij de publiciteit kan trekken als hij dat wil en dat als het verhaal er ligt het morgenochtend in De Telegraaf staat;
  • naam 2 heeft verklaard dat hij kort voor 4 december 2007 is gebeld door naam 4 – journalist bij De Telegraaf – die hem vertelde dat verdachte bij hem op kantoor zat en dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij Spyker zou gaan redden;
  • in de agenda van verdachte staan de telefoonnummers van journalist naam 4 en De Telegraaf vermeld;
  • - verdachte heeft verklaard dat hij met naam 4 en De Telegraaf over Spyker heeft gesproken;
  • - uit telefoongegevens blijkt dat met het door verdachte gebruikte telefoonnummer in de periode van 1 tot en met 8 december 2007 achtmaal telefonisch contact is gelegd met verschillende telefoonaansluitingen op naam van De Telegraaf. Op 3 december 2007 is om 15.00 uur door dit nummer een telefoongesprek met De Telegraaf gevoerd dat een duur had van 25 minuten en 7 seconden.

Ten aanzien van naam 1

  • een sms-bericht van 11 maart 2008 van verdachte aan naam 3 met als inhoud: ‘ik zie ervan komen dat ik je bedrijf in beslag laat nemen lees morgen de telegraaf hoorde ik net’;
  • een voicemailbericht van 11 maart 2008 van verdachte aan naam 3: ‘de krant is inmiddels bij mij geweest’;
  • een sms-bericht van 12 maart 2008 van verdachte aan naam 3 met als inhoud: ‘Beste naam 3 ACI gaat eerst aandelennaam 1 kopen en dan komen we met beslag op je toko. (…) Jij wil in de krant ik ga je helpen als ACI’;
  • in de agenda van verdachte staat bij 11 maart 2008 vermeld: ‘10:00 uur naam 5 Amsterdam’. naam 5 is journalist bij De Telegraaf en de auteur van het op 12 maart 2008 gepubliceerde artikel;
  • verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met naam 4 en naam 5, journalisten bij De Telegraaf, heeft gesproken en eenmaal bij De Telegraaf is geweest.

Ten aanzien van Vopak

  • verdachte heeft op 11 december 2007 in een telefoongesprek met een medewerker van de AFM gezegd dat hij ‘aan het eind van de week Vopak gaat aanpakken’ en ‘Vopak gaan we aanpakken en dan komen we met een kwaadaardig verbod’;
  • Naam 6 – werkzaam bij Vopak – heeft verklaard dat hij op 11 december 2007 is gebeld door naam 5 met de mededeling dat verdachte een vijandig bod wilde uitbrengen op Vopak;
  • een voicemailbericht van verdachte van 12 maart 2008 aan naam 3, luidende: ‘wij hebben al 5 miljoen in de tent zitten en zijn bezig met een tweede 500 miljoen’;
  • verdachte heeft op 12 maart 2008 in een telefoongesprek met een medewerker van de AFM gezegd dat ‘een toezichthouder heeft gezegd dat ik op deze manier Vopak niet kon overnemen. Toen heb ik een steek genomen in een effectenhuis. Nou staat dat in de krant. En dat effectenhuis zou Vopak voor ons gaan kopen met een tweede leest van 500 miljoen euro.

Informatie waarvan een onjuist of misleidend signaal is uitgegaan

De volgende vraag die moet worden beantwoord is of sprake is van informatie waarvan een onjuist of misleidend signaal is uitgegaan en/of kon worden geducht met betrekking tot het aanbod van, de vraag naar of de koers van de aandelen in de fondsen Spyker,naam 1 en Vopak. De aandelen in deze fondsen zijn financiële instrumenten in de zin van de Wft.

Ten aanzien van Spyker en naam 1:

Verdachte heeft zich tegenover Spyker en naam 1 voorgedaan als vermogend man en eigenaar van het bedrijf ACI Ltd. Hij heeft hen medegedeeld dat hij in staat was om vele miljoenen euro’s aan deze ondernemingen ter beschikking te stellen.

Onderzoek naar registraties van een bedrijf genaamd ACI Ltd. heeft niets opgeleverd. Ook is niet gebleken dat verdachte, zoals hij stelt, de beschikking heeft over vele miljoenen euro’s. Bij verdachte is immers geen groot vermogen aangetroffen. De ex-vrouw van verdachte – waarmee verdachte 43 jaar getrouwd is geweest – heeft verklaard nog nooit van ACI Ltd. te hebben gehoord en niet bekend te zijn met een groot vermogen van verdachte in het buitenland. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het bestaan van ACI Ltd. en zijn vermogen niet hoeft aan te tonen en doet daarbij een beroep op een zogenoemd fiscaal agreement tussen hem en de Nederlandse Staat. Volgens verdachte staat hierin vermeld dat de overheid geen onderzoek zal verrichten naar het vermogen van verdachte en dat hij nooit meer belastingaangifte hoeft te doen. Het bestaan van een dergelijk agreement is de rechtbank niet gebleken en kan voor verdachte dan ook geen argument zijn om geen inzage te hoeven geven in documenten die eventueel duidelijkheid kunnen bieden omtrent zijn vermogen. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat verdachte beschikt over een zeer groot vermogen en eigenaar is van een bedrijf genaamd ACI Ltd. De rechtbank concludeert dat de door verdachte verspreide informatie onjuist is.

Nadat verdachte de informatie aan journalisten van De Telegraaf had verstrekt, hebben deze journalisten bij Spyker en naam 1 geverifieerd of het verhaal van verdachte correct was. Spyker en naam 1 hebben vervolgens het bestaan van een intentieverklaring (Spyker) en leningsovereenkomsten (naam 1) bevestigd. Deze bevestiging maakte de (onjuiste) informatie sterker en heeft ertoe geleid dat de journalisten daadwerkelijk waarde hebben gehecht aan de door verdachte verstrekte informatie. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de publicatie van de in rubriek 4.1. vermelde krantenartikelen. Voor een bewezenverklaring is niet vereist dat de verspreide informatie ook daadwerkelijk invloed heeft gehad op het aanbod, de vraag of het koersverloop van het financiële instrument.

Ten aanzien van Vopak:

Naar aanleiding van de mededeling van verdachte dat hij een vijandig bod op Vopak zou gaan uitbrengen, heeft naam 5, journalist bij De Telegraaf, op 11 december 2007 contact opgenomen met naam 6, werkzaam bij Vopak. naam 5 heeft naam 6 gewezen op de intenties van verdachte, waarna naam 6 heeft gezegd dat hij, noch de Raad van Bestuur, hiervan op de hoogte was. naam 5 heeft tegen naam 6 gezegd dat de AFM hem had verteld dat ‘de verhalen van deze man (lees: verdachte) met een korreltje zout moesten worden genomen.’ naam 6 heeft verklaard dat Vopak heeft afgezien van een reactie op deze melding omdat sprake was van één bron en niet van meerdere bronnen. Ook heeft naam 6 verklaard dat deze melding wel wat extreem was, dat er vaker geruchten in de markt spelen waar je al dan niet op moet reageren, maar dat deze melding een bij naam bekende persoon en een vermoedelijke onderneming betrof en dat men dat niet vaak ziet in het geval van iemand die volstrekt onbekend was. Naar het oordeel van de rechtbank betrof de informatie in de visie van naam 6 dus niet zomaar een (onjuist) bericht, maar een bericht van dien aard dat daarvan een effect op de koers van de aandelen Vopak zou uitgaan of te duchten was. Dat de verstrekking van deze informatie door verdachte aan de journalist van De Telegraaf niet tot publicatie van een artikel omstreeks 11 december 2007 heeft geleid doet daar in de gegeven omstandigheden niet aan af.

Tussenconclusie ten aanzien van Spyker, naam 1 en Vopak:

De aard van deze onjuiste informatie, te weten het in staat zijn tot:

  • het herfinancieren en het nemen van een meerderheidsbelang voor een prijs die hoger ligt dan de beurskoers van dat moment bij Spyker, en
  • het verstrekken van substantiële kredietverlening aan naam 1, en
  • het beschikbaar stellen van een half miljard euro ter investering in aandelen Vopak,

is telkens zodanig fundamenteel dat daar een onjuist of misleidend signaal van uitgaat dan wel van kan worden geducht met betrekking tot de aandelen in deze fondsen. Dit is immers informatie waarvan een redelijk handelend belegger waarschijnlijk gebruik van zal maken om er zijn beleggingsbeslissing op te baseren.

Wetenschap verdachte

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte wist dat de door hem verspreide informatie onjuist of misleidend was. Het volgende is hiervoor redengevend.

  • verdachte heeft op 10 november 2008 een brief aan een creditcardmaatschappij geschreven met betrekking tot het verhogen van de kredietlimiet. In deze brief heeft verdachte correcte informatie opgegeven over zijn werkgever, zijn maandelijkse hypotheeklasten en de afwezigheid van overige financiële verplichtingen;
  • verdachte heeft op 20 augustus 2009 een formulier ingevuld met betrekking tot de aanvraag van een World Card Platinum. Hierop heeft verdachte onder meer correcte informatie genoteerd met betrekking tot zijn daadwerkelijke inkomen en zijn maandelijkse hypotheeklasten. Ook heeft verdachte een brief aan het aanvraagformulier gevoegd waarin melding is maakt van zijn prepensioen;
  • verdachte heeft op 3 december 2007 in een telefoongesprek met een medewerker van de AFM over de aandelen Spyker gezegd: ‘ik kan het van de beurs afhalen, ik kan het manipuleren, ik kan het in de media brengen, ik kan morgen zorgen dat ie op 10 euro staat, ik kan morgen zorgen dat het op 20 euro staat. Maar het is wel allemaal aangestuurd, dat is eigenlijk wat ik u wilde bewijzen’;
  • verdachte heeft op 5 december 2007 – een dag na het krantenartikel in De Telegraaf – in een telefoongesprek met een medewerker van de AFM over de aandelen Spyker gezegd: ‘we hebben gisteren direct ingegrepen, we laten ons niet manipuleren door meneer naam 2’ en ‘als wij die koers op 6, 7 euro krijgen, dan heeft hij zeg maar 60, 70 miljoen aandelenkapitaal. Dan hebben wij dat eigenlijk veroorzaakt. Ik bedoel, dat is manipulatie’ en ‘wij gaan handelen, wij gaan door, we gaan wat schudden hier en daar aan de beurs’;
  • verdachte heeft op 12 maart 2008 in een telefoongesprek met een medewerker van de AFM over de aandelennaam 1 gezegd: ‘ik eerst de koers omhoog ga jagen’;
  • verdachte heeft op 11 december 2007 in een telefoongesprek met een medewerker van de AFM over de aandelen Vopak gezegd: ‘u komt toch niet in de verleiding om opties te nemen op Vopak hé. Want dan moet ik u betichten van voorkennis, dat zou toch wel erg zijn’.

Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte besef had van de onjuistheid van zijn handelen en dat hij anders had moeten en kunnen handelen.

Verdachte is onderzocht door psychiater J.M.J.F. Offermans. Volgens Offermans is bij verdachte sprake van een waanstoornis en een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Van deze problematiek was ook sprake ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Offermans concludeert dan ook dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat dit aan de bewezenverklaring van opzet niet in de weg staat. Dit kan slechts het geval zijn indien het verdachte ten tijde van zijn handelen aan ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken. Hiervan is, gelet op het voorgaande, niet gebleken.

Conclusie

De rechtbank is, gelet op voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, van oordeel dat verdachte zich aan het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde schuldig heeft gemaakt.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat het onder 5 primair ten laste gelegde – de oplichting van naam 2 – niet kan worden bewezen. naam 2 was immers over de feiten die aan het eerste ten laste gelegde feit ten grondslag liggen op 25 juli 2008 door de FIOD ingelicht. Desondanks is naam 2 in februari 2009 overgegaan tot het verstrekken van in totaal 160.000 aandelen Spyker aan verdachte. Onder deze omstandigheden had naam 2 had moeten onderkennen dat de door verdachte verstrekte informatie onjuist was en had hij zich niet moeten laten bewegen tot de afgifte van de 160.000 aandelen Spyker. Dit betekent dat het bewegen tot afgifte van de aandelen als bedoeld in artikel 326 Sr niet kan worden bewezen. Verdachte zal daarom van het onder 5 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank acht het onder 5 subsidiair ten laste gelegde – de verduistering van 160.000 aandelen Spyker – wel bewezen. Op 19 februari 2009 en 10 maart 2009 heeft naam 2 in totaal 160.000 aandelen Spyker aan verdachte verstrekt. Deze aandelen dienden als onderpand voor een lening van 1 miljoen euro die verdachte aan naam 2 zou verstrekken. In de periode van 19 maart 2009 tot en met 6 april 2009 heeft verdachte alle aandelen Spyker verkocht. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het recht had om de aandelen te verkopen omdat naam 2 zijn verplichtingen onder eerder door verdachte aan naam 2 verstrekte leningen niet nakwam. Niet is gebleken dat verdachte naam 2 eerder werkelijk leningen heeft verstrekt. Uit de overeenkomst omtrent de lening van 1 miljoen euro blijkt voorts niet dat de aandelen die in verband met die lening in onderpand zouden worden gegeven tevens dienden tot zekerheid van verplichtingen uit hoofde van andere leningen. Van enig verzuim van naam 2 dat recht gaf tot uitwinning van het onderpand is dan ook niet gebleken, zodat dit verweer niet opgaat. Verdachte heeft zich dan ook de aandelen wederrechtelijk toegeëigend. Immers, verdachte was vanwege het pandrecht niet bevoegd om de aandelen te verkopen.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

De rechtbank acht tot slot het onder 6 ten laste gelegde bewezen. Uit technisch onderzoek is gebleken dat de schriftelijke verklaring ‘Kenmerk Voorschot Geldlening’ is vervalst. In een civielrechtelijke procedure tussen verdachte en naam 2 is namens verdachte dit geschrift aan de rechtbank overgelegd. Bij de doorzoeking van woning van verdachte is een computer in beslag genomen. Op deze computer is het geschrift in drievoud aangetroffen. Verdachte heeft hiermee het vervalste document voorhanden gehad, terwijl dit document bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Bewezenverklaring

  • Feit 1, 2 en 4: overtreding van artikel 5:58, eerste lid onder d van de Wet op het financieel toezicht
  • Feit 5 subsidiair: verduistering
  • Feit 6: opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst

Strafoplegging

Voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden en een taakstraf van 200 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF