Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van valselijk opmaken van twee geschriften en witwassen van bouwdepot en woning

Rechtbank Midden-Nederland 16 februari 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:927

Feiten

Op 16 februari 2001 wordt door aangever als onderzoeker bancaire criminaliteit bij de Internationale Nederlanden Groep NV aangifte gedaan tegen getuige en bedrijf 1 B.V. De aangifte houdt onder meer in dat door bedrijf 1 B.V. door middel van valse inkomensdocumenten en valse informatieverstrekking een hypothecaire lening is aangevraagd van € 238.987, inclusief een bouwdepot van € 40.000, ten behoeve van de aankoop van een woning.

Verdachte heeft de aanvraag voor het verkrijgen van de hypotheek voor getuige 1 verzorgd.

Getuige heeft twee tot drie maanden in de woning gewoond en hem daarna onderverhuurd. Hierbij was ook verdachte betrokken.

Ten slotte is er op initiatief van verdachte geld geleend voor het bouwdepot. Dit geld werd door getuige deels voor andere doeleinden gebruikt. Een verbouwing heeft nooit plaatsgevonden.

Verdenking

De verdenking komt er op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een  woning en hypothecaire geldlening inclusief bouwdepot (feit 1) en aan het valselijk opmaken van geschriften (feit 2).

Standpunt verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de verklaringen van de getuige innerlijk tegenstrijdig en incoherent zijn en om die reden niet bruikbaar zijn voor het bewijs. De raadsman heeft bepleit verdachte vrij te spreken van de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Standpunt OM

De officier van justitie acht wettig en overtuigend te bewijzen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd.

Oordeel rechtbank

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de getuige voldoende consistent zijn teneinde voor het bewijs te worden gebezigd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman om deze verklaringen van het bewijs uit te sluiten.  

Bewezenverklaring

Feit 2: valsheid in geschrift

De rechtbank oordeelt dat getuige nooit in dienst is geweest bij bedrijf 2 B.V. en acht bewezen dat de ter verkrijging van de hypothecaire geldlening ten behoeve van de woning overgelegde salarisspecificatie en werkgeversverklaring valselijk zijn opgemaakt, in die zin dat daarin een onjuiste opgave is gedaan van salarisgegevens en werkgever.

De rechtbank acht daarnaast bewezen het door verdachte medeplegen van deze valsheid in geschrift. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder dat verdachte heeft verklaard dat hij de financiering van de woning voor getuige heeft geregeld en de benodigde stukken aan medeverdachte heeft verstrekt, terwijl getuige niet alleen heeft verklaard dat hij de arbeidscontracten van verdachte kreeg aangeboden en dat verdachte de financiering van de woning heeft verzorgd, maar ook dat niemand anders dan verdachte daarbij betrokken is geweest en dat hij, op verschillende momenten verschillende stukken heeft getekend waarbij verdachte telkens aanwezig is geweest en dat verdachte zelfs met hem is meegegaan naar de notaris.

Feit 1: Witwassen

Op basis van valselijk opgemaakte geschriften is een hypothecaire geldlening verkregen inclusief een bouwdepot.

Hypothecaire lening en woning: onmiddellijk

    1. De hypothecaire geldlening is onmiddellijk afkomstig uit het door verdachte en zijn mededaders gepleegde misdrijf valsheid in geschrift.
    2. Dit geldt eveneens voor de woning aangezien de hypothecaire geldlening voor geen ander doel kon worden aangewend dan ter financiering van deze woning.

Overeenkomstig de uitgangspunten uit de jurisprudentie dient voor de bewezenverklaring van witwassen sprake te zijn van een gedraging die daadwerkelijk bijdraagt aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van een voorwerp (Hoge Raad 17 december 2013, NJ 2014, 75).

Het enkele voorhanden hebben en verwerven is niet voldoende. De gepleegde valsheid in geschrift, de daarop volgende verkrijging van een hypothecaire geldlening en de woning en de bewoning van die woning hangen zozeer met elkaar samen dat van een situatie die wezenlijk verschilt van het enkele voorhanden hebben en verwerven van een uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp geen sprake is.

Echter, in beginsel zijn deze uitgangspunten niet van toepassing in zaken waarin bewezen wordt verklaard dat sprake is van overdragen, gebruik maken of omzetten van voorwerpen die afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

    1. Voor wat betreft de hypothecaire geldlening maakt het verhuren van de woning geen verschil. De geleende som geld is immers bij aankoop van de woning overgedragen aan de verkoper. Hiermee is dat bedrag al op dat moment uit de macht van koper (getuige) geraakt, en kan koper hiermee geen witwashandelingen meer verrichten. Hieruit volgt dat de gedragingen van verdachte gelet op de hiervoor weergegeven uitgangspunten voor zover die betrekking hebben op het voorhanden hebben en verwerven van de hypothecaire geldlening, niet kunnen worden gekwalificeerd als witwassen.
    2. Nu uit de verklaringen van getuige blijkt dat hij de woning slechts enkele maanden zelf heeft bewoond en dat de woning vervolgens is verhuurd, is sprake van gebruik maken van de uit misdrijf verkregen woning als bedoeld in de artikelen 420bis en 420quater Sr.

Bouwdepot: middellijk

In de situatie waarin het gaat om voorwerpen die middellijk afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf zijn de hiervoor genoemde uitgangspunten niet van toepassing (Hoge Raad 25 maart 2014, NJ 2014, 302). De uit deze bouwdepots afkomstige geldbedragen zijn, net als de huurinkomsten, indirecte opbrengsten uit het (telkens) door verdachte begane misdrijf valsheid in geschrift.

Overeenkomstig het uitgangspunt uit het hiervoor aangehaalde arrest met vindplaats NJ 2014, 302 zal de rechtbank de gedragingen van verdachte betreffende het verwerven en voorhanden hebben van de hypothecaire geldlening kwalificeren als (het medeplegen van) witwassen, met dien verstande dat dit uitsluitend geldt voor zover die gedragingen betrekking hebben op het verwerven en voorhanden hebben van de gelden uit het bouwdepot.

Conclusie

Gelet op het feit dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf waaruit de woning afkomstig is, te weten valsheid in geschrift, kan bewezen worden verklaard dat verdachte wist dat deze woning uit misdrijf afkomstig was. Aldus kan het witwassen van het bouwdepot en van de woning bewezen worden verklaard en gekwalificeerd.

Strafoplegging

De rechtbank acht een werkstraf van 200 uur passend en geboden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF