Verdachte heeft zich samen met een mededader schuldig gemaakt aan het witwassen van een bedrag geld. Verdachte heeft hiertoe valse facturen/nota’s opgesteld.

Rechtbank Gelderland 22 december 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:7929

Samenvatting

Verdachte heeft zich samen met een mededader schuldig gemaakt aan het witwassen van een bedrag geld. Verdachte heeft hiertoe valse facturen/nota’s opgesteld. Na storting van het geld op rekeningen van de mededader en een aantal van diens klanten, moest het geld worden overgemaakt op de rekening van bedrijfsnaam 8 U.A., het bedrijf van verdachte. Door zijn handelen hebben verdachte en zijn mededader kennelijk opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie willen onttrekken.

Verdenking

  • Feit 1: Medeplegen van witwassen;
  • Feit 2: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
  • Feit 3: Valsheid in geschrift.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft voor feit 1 ten aanzien van het geldbedrag van € 30.000,- vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe betoogd dat er onvoldoende steunbewijs is voor de verklaring van getuige 3. De raadsman stelt dat verdachte ook met betrekking tot het bedrag van € 50.000,- moet worden vrijgesproken, nu niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap heeft gehad dat de bedragen middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig waren, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet.

Voorts heeft hij aangevoerd dat de facturen een bedrag van in totaal € 49.509,95 betreffen en dat daarop een bedrag van € 2.975,- in mindering moet worden gebracht, omdat deze factuur niet is betaald.

Voor feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft ook vrijspraak voor feit 3 bepleit. Hij heeft hiertoe betoogd dat directeur BV als directeur en eigenaar van het bedrijf een handtekening op de werkgeversverklaring heeft geplaatst. Eerst die handtekening maakt de inhoud van de verklaring juist en onvervalst. Het feit dat verdachte een bedrijfsstempel heeft laten maken en een afdruk daarvan op de werkgeversverklaring heeft geplaatst, maakt die verklaring niet vals. De raadsman meent daarnaast dat verdachte als bedrijfsleider bevoegd was een bedrijfsstempel te laten maken en te gebruiken. Hij acht het verdedigbaar dat verdachte als bedrijfsleider de werkgeversverklaring ondertekent en afgeeft. Indien en voor zover directeur BV hier anders over denkt, dan had hij dat duidelijker moeten omschrijven in de arbeidsovereenkomst. Ten aanzien van het kruisje dat bij gelijkblijvende omstandigheden een overeenkomst voor onbepaalde tijd zou volgen heeft de raadsman betoogd dat directeur BV hiervoor apart heeft getekend.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten 1 en 2

De rechtbank zal de feiten 1 en 2 gelet op hun onderlinge samenhang tegelijk beoordelen, waarbij elk bewijsmiddel slechts is gebruikt ten aanzien van feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Vermoeden van witwassen

Van 3 februari 2011 tot mei 2012 zijn door de Criminele Inlichtingen Eenheid in totaal acht processen-verbaal opgemaakt waaruit het beeld naar voren komt dat onder meer verdachte zich schuldig maakt aan het (doen) telen van hennep. In het onderzoek zijn geen hennepkwekerijen aangetroffen die als “heterdaad” gerelateerd kunnen worden aan verdachte. Datzelfde geldt voor hennepoogsten en de verkoop daarvan. Wel is er een verklaring inzake de betrokkenheid van verdachte bij een hennepkwekerij in Borne, afgelegd door getuige 1. Getuige 1 heeft verklaard dat de hennepkwekerij niet van hem was maar van verdachte. Hij was geld verschuldigd aan verdachte en kon dit niet terug betalen. Door een hennepkwekerij in zijn schuur toe te staan, kon hij van de schuld aan verdachte afkomen. De hennepkwekerij is op 16 november 2011 ontdekt.

In de woning van getuige 1 is op 13 december 2011 een briefje aangetroffen met het opschrift “FLYER 2000 nl kwaliteitsdrukwerk. Top service. De laagste online prijzen!” Op het briefje stond de geschreven tekst “Hey getuige 2 Ik kom woensdag om 11 uur ’s ochtend ff langs. Gr. psuedoniem”. Verdachte is vennoot van het bedrijf Flyer 2000.

Op 14 december 2011 is waargenomen dat een persoon met een auto, kenteken kenteken, bij getuige 1 aan de deur kwam. De persoon had een kalend hoofd. Aan de zijkant van het hoofd was haargroei zichtbaar. Het kenteken van de auto stond op naam van verdachte.

De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat de verdenking van betrokkenheid van verdachte bij de exploitatie van een hennepkwekerij reëel is.

Witwassen en valsheid in geschrift

Getuige 3 heeft verklaard dat hij en zijn echtgenote eigenaar zijn van het Belastingadviesbureaunaam adviesbureau, gevestigd op het adres 2. Vanaf medio december 2011 verricht hij werkzaamheden voor verdachte. Verdachte heeft tegen getuige 3 gezegd dat hij zwart geld had en heeft hem naar een manier gevraagd om dit geld wit te wassen. Het ging om een bedrag van € 50.000,-. Verdachte vertelde getuige 3 dat hij in het verleden geld in contanten aan partijen gaf en dat hij ze daarna een fictieve nota stuurde, waarna de ontvangende partij het geld aan hem overmaakte. Getuige 3 heeft bij diverse klanten geïnformeerd en aangegeven dat hij wat geld had dat hij bij hen wilde afgeven. Hij gaf ook aan dat ze daarvoor een factuur zouden krijgen. Sommige klanten hebben in goed vertrouwen tegen hem gezegd dat dit goed was. Getuige 3 heeft een lijst met namen opgemaakt en aan verdachte gegeven, waarna verdachte facturen heeft opgemaakt. Verdachte heeft hem vervolgens op 26 of 27 januari 2012 een zak met geld, grotendeels briefjes van € 50, gegeven en een achttal facturen afkomstig van bedrijfsnaam 1. Deze facturen waren geantedateerd.

Volgens getuige 3 heeft hij drie klanten benaderd, te weten betrokkene 1, betrokkene 2 (naar de rechtbank begrijpt: betrokkene 2) en betrokkene 3. Aan betrokkene 1 heeft hij verteld dat er geld op zijn rekening zou worden gestort en dat het er ook gelijk weer vanaf zou worden gehaald. Getuige 3 beschikt over een bankpas van het bedrijf van betrokkene 1. Hij heeft op 17 februari 2012 € 6.200,- op de ABN rekening van betrokkene 1 gestort en op diezelfde dag vanuit zijn bedrijf het factuurbedrag van € 6.247,50 overgeboekt naar de rekening van bijdrijfsnaam met het nummernummer. Het verschil van € 47,50 heeft hij na teruggave van de BTW verrekend. Bij betrokkene 3 heeft hij het bedrag contant afgegeven zodat die het kon afstorten op zijn eigen rekening. Bij betrokkene 2 heeft getuige 3 het geld op zijn derdenrekening gestort en vervolgens overgeboekt naar de rekeningen betrokkene 2. Getuige 3 heeft twee bedragen via zijn privérekening laten lopen. Vanaf de rekeningen van de klanten werd volgens de bijgeleverde fictieve factuur geld overgemaakt naar rekeningnummer ABN AMRO-nummer op naam van bedrijfsnaam 1. Voor betrokkene 1 en betrokkene 2 heeft getuige 3 deze bedragen overgemaakt, betrokkene 3 heeft het geld zelf overgemaakt.

Volgens getuige 3 betrof het een bedrag van in totaal € 49.509,95 en heeft verdachte het restantbedrag, € 490,05, meegenomen. Uit rekeningafschriften vannummer (op naam van Coöperatieve vereniging bedrijfsnaam 8 U.A. komt naar voren dat de bedragen genoemd onder de aandachtstreepjes 2 tot en met 8 in de periode van 6 februari 2012 tot en met 18 april 2012 zijn bijgeschreven (totaalbedrag € 46.534,95).

Ten aanzien van de factuur met het nummer OG120005 heeft betrokkene 1 verklaard dat hij deze nooit heeft gezien. Hij kent het bedrijf dat de factuur heeft gestuurd niet en heeft nooit een bouwadvies van dat bedrijf gehad. Getuige 3 heeft hem wel een keer gebeld en gezegd dat hij niet raar moest opkijken dat er een keer een geldbedrag op de zakelijke rekening zou komen te staan en dat dit er ook snel weer af zou zijn. betrokkene 1 heeft nooit gehoord van een persoon met de naam verdachte.

Ook betrokkene 2 heeft wat betreft de factuurnummers OG120003 en OG120004 verklaard dat hij deze nooit heeft ontvangen en dat deze voor hem onbekend zijn. Hij kent niemand met de naam verdachte.

betrokkene 3 heeft met betrekking tot factuurnummer OG120007 verklaard dat hij de factuur kent, maar dat bedrijfsnaam 8 geen werkzaamheden voor hem heeft verricht. Hij kent geen persoon met de naam verdachte. Volgens betrokkene 3 kwam hij getuige 3 begin februari 2012 in Steenderen tegen. Getuige 3 vroeg hem of hij mee kon gaan naar de bank om contant geld te storten. Hij zei dat het betrokkene 3 geld zou opleveren. Ongeveer een week later zijn ze naar Brummen gegaan en heeft hij een bedrag van € 6.800,- op zijn rekening gestort. Op verzoek van getuige 3 heeft hij dit bedrag direct doorgestort naar bankrekeningnummernummer.

Verdachte heeft verklaard dat hij zeggenschap had bij de Coöperatieve Vereniging bedrijfsnaam 1. en dat hij gebruik maakte van een ABN AMRO-rekening met het nummernummer. Hij was de enige die de administratie deed voor bedrijfsnaam 8. De facturen met het nummers OG120001 tot en met OG120008 heeft hij gemaakt. Volgens verdachte maakt alleen hij gebruik van de bankrekening en is er niemand gemachtigd. Er is maar één bankpas en die heeft hij zelf.

Volgens verdachte heeft hij facturen verstuurd voor het geven van advies.

De rechtbank acht gelet op voormelde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte het geldbedrag van ongeveer € 50.000,- heeft witgewassen en dat hij daartoe valse facturen heeft opgemaakt. Verdachtes verklaring dat hij facturen heeft gestuurd voor het geven van advies acht de rechtbank aantoonbaar onjuist nu de getuigen betrokkene 1, betrokkene 2 en betrokkene 3 hebben verklaard dat zij de naam van verdachte niet kennen en verdachte geen werkzaamheden voor hen heeft verricht. betrokkene 1 en betrokkene 3 verklaren wel over het feit dat er geld op hun rekening is gestort dat vervolgens direct is overgeschreven naar een andere rekening. Gelet op het feit dat de verklaring van verdachte aantoonbaar onjuist is en hij geen andere verklaring heeft gegeven voor het voorhanden hebben van het geldbedrag van € 50.000,- verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat verdachte geen wetenschap heeft gehad dat het geld middellijk dan wel onmiddellijk uit misdrijf afkomstig was. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen de verdenking van betrokkenheid van verdachte bij de exploitatie van een hennepkwekerij.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte daarnaast een bedrag van € 30.000,- heeft witgewassen. De rechtbank overweegt in dit verband dat de verklaring van getuige 3 dat het geld afkomstig zou zijn van verdachte, geen bevestiging vindt in enig ander bewijsmiddel. Verdachte heeft een ontkennende verklaring afgelegd en getuige 4 heeft verklaard dat hij nooit geld heeft geleend van of uitgeleend aan verdachte. Evenmin heeft hij contant geld van verdachte ontvangen. De geldbedragen die op de rekening van zijn zoon zijn gestort, betroffen volgens getuige 4 privé stortingen. Het betrof geen geld van verdachte. De rechtbank acht de verklaring van getuige 4 gelet op diens faillissementsverleden en gokverslaving niet aannemelijk. Hoewel onduidelijkheid blijft bestaan omtrent de herkomst van dit geld, is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs dat het geldbedrag van € 30.000,- afkomstig is van verdachte, zodat verdachte voor het witwassen hiervan dient te worden vrijgesproken.

Feit 3

Verdachte heeft een aanvraag ingediend bij Aegon voor het verkrijgen van een hypotheek.

Er is een werkgeversverklaring opgemaakt, gedateerd 17 december 2012, en op twee plaatsen getekend door directeur BV. Op het formulier staat bij de handtekening bij de vraag over de ‘verklaring voortzetting dienstverband’ een stempel met de tekst naam BV B.V. en adres en telefoongegevens van het bedrijf in Amsterdam.

Directeur BV heeft verklaard dat verdachte vanaf 1 oktober 2012 in loondienst is bij naam BV voor een periode van negen maanden. Toen verdachte een werkgeversverklaring nodig had om een hypotheek aan te vragen, heeft directeur BV tegen hem gezegd dat hij die door een administrateur moest laten invullen en dat hij, directeur BV, de verklaring dan zou tekenen. De gegevens zoals deze op de werkgeversverklaring zijn ingevuld zijn juist. Volgens directeur BV heeft zijn bedrijf geen bedrijfsstempel. Verdachte had toestemming om de gegevens op de werkgeversverklaring in te (doen) vullen. Hij had geen toestemming om een stempel daarop te zetten.

Verdachte heeft verklaard dat hij een werkgeversverklaring nodig had om een hypotheek te verkrijgen bij Aegon. Op de werkgeversverklaring, die legaal werd ingevuld, stond geen bedrijfsstempel. Hij heeft toen zelf een stempel laten maken bij Multi-office te Zutphen en daarmee een stempel gezet op de werkgeversverklaring. Hij heeft dit nooit aan directeur BV verteld.

De rechtbank overweegt dat uit voormelde bewijsmiddelen naar voren komt dat verdachte een bedrijfsstempel met de naam BV B.V. heeft laten maken en daarmee een stempel heeft gezet op de door directeur BV getekende werkgeversverklaring. Verdachte heeft hiervoor geen toestemming gekregen van directeur BV en heeft directeur BV ook niet op de hoogte gesteld van zijn handelen. Hij heeft daarmee de verklaring die volgens directeur BV op zichzelf genomen juist was ingevuld, vervalst nu hij niet bevoegd was een stempel op het formulier te zetten. De rechtbank acht het onder 3 tenlastegelegde in zoverre bewezen. Dat verdachte ook een kruisje zou hebben gezet bij de vraag over de ‘verklaring voortzetting dienstverband’, acht de rechtbank niet bewezen, nu directeur BV heeft verklaard dat de verklaring op zichzelf genomen juist was ingevuld. Verdachte zal op dat onderdeel worden vrijgesproken.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn standpunt dat verdachte gelet op zijn functie als bedrijfsleider bevoegd kon worden geacht de stempel te mogen zetten. Er is sprake van een arbeidsverhouding tussen verdachte en directeur BV, waarbij directeur BV als werkgever geldt. Uit de verklaring van directeur BV volgt dat hij alleen toestemming heeft gegeven voor het invullen van de werkgeversverklaring en niet voor het ondertekenen en afstempelen daarvan. Uit de aard der zaak volgt dat een werknemer, tenzij daartoe uitdrukkelijk gemachtigd, niet bevoegd is voor zichzelf een werkgeversverklaring te tekenen en af te stempelen als ware hij de werkgever. Van die uitdrukkelijke machtiging was hier geen sprake.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Medeplegen van witwassen;
  • Feit 2: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
  • Feit 3: Valsheid in geschrift.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 115 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk en een werkstraf van 150 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF