Verdachte heeft zich, in zijn hoedanigheid als directeur van een kinderopvang, enkele jaren schuldig gemaakt aan subsidiefraude

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7586

Verdachte heeft feitelijke leiding gegeven aan twee organisaties die zich bezig hielden met kinderopvang. Voor twee projecten hebben deze bedrijven ongeveer € 380.000 subsidie van de overheid verkregen. Daarbij zijn urenstaten die bestemd waren om uren te verantwoorden die aan de gesubsidieerde projecten waren besteed, valselijk opgemaakt. Daarnaast heeft verdachte veel werknemers betrokken bij de fraude omdat deze werknemers al dan niet onder druk valse urenstaten moesten ondertekenen. Dat het ontvangen subsidiebedrag slechts gering is in verhouding tot de totale omzet van de ondernemingen van verdachte doet aan de ernst van de feiten niet af.
 

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsvrouw heeft aan het eind van haar pleidooi betoogd dat de dagvaarding nietig verklaard moet worden. In het bijzonder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat gelet op de verschillende insteek in feit 1 en feit 2 het een zoekplaatje is geworden waartegen de verdediging zich te verdedigen heeft en dat de beweerdelijke falsificaties met betrekking tot bijvoorbeeld medewerker Betrokkene 1 in feit 1 een andere gedocumenteerde bewijsbasis hebben dan in feit 2.

Het hof is van oordeel dat het op basis van de dagvaarding in combinatie met de inhoud van het dossier voor verdachte duidelijk moet zijn geweest waartegen hij zich diende te verdedigen.

In feit 1 is het valselijk opmaken van urenverantwoordingsformulieren van verschillende werknemers tenlastegelegd.

In feit 2 is het gebruik van (onder meer) valselijk opgemaakte / vervalste eindverantwoordingsformulieren ten laste gelegd.

Het moet duidelijk zijn dat het hier in de eerste plaats verschillende strafbare feiten betreft, te weten enerzijds het misdrijf van artikel 225 lid 1 en anderzijds artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast verschillen de diverse formulieren waar het gaat om het doel dat ze uiteindelijk dienen.

Daarnaast is het hof bij het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken dat verdachte en de raadsvrouw niet hebben begrepen waarop de dagvaarding stoelt, gelet op specifieke - met documenten onderbouwde - vraagstelling door de raadsvrouw en de gedetailleerde beantwoording daarvan door de verdachte.

Het hof verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw.
 

Ontvankelijkheid OM

De raadsvrouw, heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het gaat om te verwaarlozen benadelingsbedragen van ongeveer €797,50 en €780.

De raadsvrouw is hierbij uitgegaan van een berekening die uitgaat van de beweerdelijk teveel opgegeven uren die door op de tenlastelegging genoemde medewerkers Betrokkene 2 en Betrokkene 1 zouden zijn gemaakt vermenigvuldigd met het uurtarief. Een sepot of een transactie had in de ogen van de raadsvrouw recht gedaan aan de zaak. Daarnaast had het tijdsverloop van de zaak in samenhang met de negatieve aandacht in de media en het feit dat de aangifte bij het Agentschap SZW - in de woorden van de raadsvrouw - ‘er uit is getrokken’, aanleiding moeten zijn om te komen tot een intrekking van de dagvaarding en tot een sepot van de strafzaak.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting niet uitgelaten over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Oordeel hof

Het is aan het openbaar ministerie om binnen de gegeven beleidsvrijheid – daargelaten de voor rechtstreeks belanghebbenden bestaande beklagmogelijkheden van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering – te beslissen of strafvervolging al dan niet opportuun is. Slechts indien het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten of wanneer anderszins sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde kan het recht tot strafvervolging vervallen worden verklaard.

De officier van justitie heeft ter zitting bij de rechtbank aangegeven welke overwegingen zijn meegewogen in de beslissing tot vervolging van verdachte. De officier van justitie geeft aan dat dat hij wat het benadelingsbedrag betreft is uitgegaan van een benadelingsbedrag van ten minste €77.800. Daarnaast heeft de officier van justitie meegewogen dat het hier gaat om gemeenschapsgeld dat niet is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie diende. Ten slotte is een negatief gevolg van de zaak, aldus de officier van justitie, dat niet is uit te sluiten dat de controle van dergelijke subsidierelingen verscherpt moet worden. Dit heeft tot gevolg dat de hiermee verband houdende extra uitgaven uiteindelijk verdisconteerd worden in de kosten van kinderopvang.

In het standpunt van de officier van justitie is naar het oordeel in elk onderdeel maar zeker in onderling samenhang bezien het strafrechtelijk doel van de vervolging gegeven. Het hof is niet gebleken dat het openbaar ministerie de grenzen van de vrijheid die het heeft om tot vervolging van een verdachte over te gaan, heeft overschreden.

Dat achteraf mogelijk blijkt dat het benadelingsbedrag dat bij aanvang van de opsporing is berekend wellicht naar beneden had moeten worden bijgesteld, doet daar niet aan af nu het hof geen reden heeft om aan te nemen (en ook door de verdediging niet is aangevoerd) dat het nadeelbedrag toen bewust en in strijd met de belangen van verdachte te hoog is vastgesteld. Ook de overige door de raadvrouw aangevoerde omstandigheden, zoals omschreven in haar pleitnotities, doen aan de ontvankelijkheid niet af. Het verweer wordt daarom verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.
 

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 13 april 2016 en 16 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot oplegging van een geldboete van €25.000 geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast vordert de advocaat-generaal de ontzetting van verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van (statutair) bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van drie jaren. De vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw naar voren is gebracht.
 

Bewijsoverwegingen
 

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde.
 

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voor de tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken.
 

Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen en de daarin aan te halen verklaringen van getuigen te twijfelen.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 1 april 2007 heeft Bedrijf 2 een subsidieaanvraag ingediend voor het project projectnaam 1 bij het Agentschap SZW. De aanvraag is ondertekend door Betrokkene 4, algemeen directeur. Bij brief van 3 juli 2007 geeft Betrokkene 4 aan dat verdachte is benoemd tot projectleider van het project projectnaam 1 en dat hij de contacten met het agentschap zal onderhouden. Bij beschikking van 31 juli 2007 heeft het agentschap een subsidie met projectnummer 2007/K02/0027 verleend aan Bedrijf 2.

De uiteindelijke startdatum van het project was 21 november 2007 en de einddatum 21 mei 2009. Bij brief van 9 oktober 2009 heeft verdachte aan het agentschap aangegeven dat per 1 januari 2009 alle activiteiten vanuit Bedrijf 2 zijn overgeheveld naar de Bedrijf 1 werd bestuurd door verdachte en Betrokkene 4. Verdachte was verantwoordelijk voor de financiële zaken en projecten. Betrokkene 4 is de partner van verdachte.

Op 16 juni 2008 heeft Bedrijf 2 een subsidieaanvraag ingediend voor het project projectnaam 3. Bij beschikking van 15 oktober 2008 heeft het agentschap een subsidie met projectnummer 2008/K03/0035 verleend aan Bedrijf 2. De startdatum van het project was 1 januari 2009 en de einddatum van het project was 1 juli 2010. Bedrijf 2 werd vanaf 1 december 2007 onder meer bestuurd door verdachte.

Aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek was een MMA-melding van 8 juni 2010 inhoudende dat verdachte en een mevrouw Betrokkene 4 fraude plegen met subsidiegelden. Het geld zou zijn verkregen van SZW en bestemd zijn voor verschillende onder andere op kinderen gerichte fondsen en opvangcentra. Medio december 2010 werd verbalisant benaderd door mevrouw Betrokkene 7 van SZW die van een journaliste in het Veluwse werkgebied een gelijkluidend bericht had ontvangen. Nader onderzoek van deze informatie heeft uiteindelijk geleid tot een aangifte van het agentschap op 15 september 2011. Vervolgens is een opsporingsonderzoek opgestart door de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD).

In het opsporingsonderzoek zijn verschillende getuigen gehoord.

Betrokkene 2 heeft onder meer verklaard dat hij in augustus 2007 in dienst was gekomen van de Bedrijf 1. Hij werd aangenomen bij Bedrijf 2. Dit was voordat de Bedrijf 1 was opgericht. Betrokkene 2 was bekend met het subsidieproject “projectnaam 2 ”, ook wel bekend onder de naam “projectnaam 1”. Eind 2009 moest verdachte zich naar het agentschap verantwoorden voor het project “projectnaam 2”. Betrokkene 2 werd door verdachte als projectleider aangewezen. Voor dit project was alleen een locatie gerealiseerd en de activiteiten voor dit project en de bestede uren zijn nooit geadministreerd. Verdachte zei tegen Betrokkene 2 dat hij maar gewoon fictieve uren voor het project moest verzinnen, om te voorkomen dat hij veel subsidiegeld aan het agentschap moest terugbetalen. Betrokkene 2 heeft toen in opdracht van verdachte uren voor het project verzonnen voor de verantwoording richting het agentschap. Ook had Betrokkene 2 onder andere de uren van Betrokkene 5 en Betrokkene 6 (de rechtbank begrijpt: Betrokkene 6) bijgeplust. Betrokkene 2 heeft voorts verklaard dat de urenoverzichten die naar het agentschap waren verzonden, geantedateerd waren. De urenoverzichten waren allemaal op dezelfde datum ondertekend, met een datum die in het verleden lag. Verdachte gaf hun de opdracht om de urenstaten met verschillende kleuren pennen te ondertekenen zodat niet teveel zou opvallen dat ze allemaal op dezelfde datum waren ondertekend.

Betrokkene 6 heeft verklaard dat zijn leidinggevende Betrokkene 2 hem vertelde opdracht te hebben gekregen om een urenspecificatie te verzinnen. Betrokkene 6 heeft vervolgens ook formulieren ondertekend met betrekking tot de urenverantwoording die niet strookten met de waarheid.

Door de verdediging is - op grond van feiten en omstandigheden als in de pleitaantekeningen weergegeven -gesteld dat er bij de urenverantwoording geen sprake is van bijklussen maar dat de uren zijn gecorrigeerd en voorts zijn aangevuld met de overige subsidiabele werkzaamheden.

Het hof verwerpt dit verweer. In het dossier bevindt zich bij voorbeeld een door Betrokkene 2 met de hand ingevuld formulier projectnaam 1 (bladzijde 707 van het proces-verbaal van de Inspectie) waarin op de datum 24 september 2008 2 ½ uur tijdsbesteding aan het overleg bestuur Scouting wordt opgegeven.

In het formulier urenverantwoording (bladzijde 830 van het proces-verbaal van de Inspectie) staat voor het activiteiten verricht voor Kinderopvang Natuurlijk Beheer echter acht uren (te weten 3 uur voor selectie groene locaties en 5 uur voor het ontwikkelen van natuur educatieve doeleinden) vermeld.

Voorts staan er in de formulieren urenverantwoording die zien op 20 augustus 2008 (bladzijde 835) en 23 juli 2008 (bladzijde 836) telkens twee uren vermeld besteed aan het ontwikkelen van natuur educatieve doeleinden terwijl deze uren in het met de hand ingevuld formulier projectnaam 1 (bladzijde 707 van het proces-verbaal van de Inspectie) niet worden vermeld.

Het hof constateert dat in de urenverantwoording op verschillende data de ingevulde uren niet overeenkomen met de uren als vermeld op de lijst van bladzijde 707. Gelet hierop acht het hof bewezen dat er uren zijn bijgeplust.

Betrokkene 5 heeft verklaard dat zij betrokken is geweest bij het project projectnaam 2 en het project projectnaam 3. Betrokkene 5 gaf aan dat zij in beide projecten meer uren moest verantwoorden dan zij in werkelijkheid had gemaakt. Verdachte heeft, aldus Betrokkene 5, haar de urenlijsten met foutieve uren laten ondertekenen.

Betrokkene 1 heeft verklaard dat zij in de periode 1 november 2006 tot en met januari 2012 werkzaam was bij Bedrijf 1 In 2008 was een subsidie aangevraagd en ontvangen voor het project projectnaam 2. Betrokkene 1 werd bij de Inspectie geconfronteerd met urenverantwoordingslijstjes over de periode van week 5 in 2009 tot en met week 11 in 2009. Getuige Betrokkene 1 verklaart vervolgens: Ik zie op deze lijsten staan dat ik uren aan het project heb gewerkt en ook zijn (..) voorzien van mijn handtekening. Ik vind dat vreemd, aangezien op mijn eigen lijst deze uren niet vermeld staan. (..) Ik kan u zeggen dat dit mij overvalt. Ik zie nu pas dat er meer uren zijn verantwoord dan er daadwerkelijk aan het project zijn besteed'.

Bij de raadsheer-commissaris heeft Betrokkene 1 op 22 september 2016 verklaard:

'Ik maakte voor projectnaam 2 mijn eigen urenverantwoording, die ik per week bijhield. Daarop stonden de uren die ik daadwerkelijk voor het project had gemaakt. Ik maakte de urenstaten in de computer en draaide ze vervolgens uit om ze na ondertekening naar de administratie te sturen'.

'Op een gegeven ogenblik moest alles opnieuw gebeuren. Dat was in opdracht van verdachte. De reden hiervoor was dat een aantal uren was gemaakt op tijdstippen die vielen buiten de voor het project begrote subsidieperiode. Het was namelijk zo dat het project binnen een bepaalde subsidietermijn moest zijn afgerond. Dit lukte ons niet, omdat de benodigde tijd te krap was begroot. Om voor het project verrichte werkzaamheden, die buiten de termijn vielen, alsnog te kunnen verantwoorden en declareren, zijn in de verantwoordingsformulieren die werkzaamheden geantedateerd. De werkzaamheden hebben wel degelijk ten behoeve van het project plaatsgevonden, alleen niet binnen de subsidietermijn'.

'Volgens mij is het zo geweest dat verdachte zelf heeft uitgezocht hoe deze antedatering op een geloofwaardige wijze vorm kon worden gegeven'.

Betrokkene 8 heeft verklaard dat zij per 1 augustus 2009 werkzaam was voor Bedrijf 1. Ze was specifiek aangenomen voor het project projectnaam 3. Betrokkene 8 heeft verklaard dat zij nimmer het aantal uren aan dit project heeft besteed dat in het projectplan vermeld staat. Betrokkene 8 doelde hiermee op het projectplan dat is gebruikt voor de aanvraag van de subsidie voor projectnaam 4 richting het agentschap.

Betrokkene 9 heeft verklaard dat hij op 7 juli 2009 in dienst was gekomen bij Bedrijf 1. Zijn functie was administratief medewerker. Betrokkene 9 was onder meer betrokken bij de projecten ‘projectnaam 4’ en ‘projectnaam 2’. Betrokkene 9 hield zich onder meer bezig met de urenbriefjes. Er zijn uren fictief bijgeplust op de urenoverzichten van het agentschap. Verdachte gaf hem daartoe opdracht. 'Ernst zei namelijk dat er door de Betrokkenen meer uren gemaakt moesten zijn dan ze op de urenverantwoording hadden verantwoord, dus er moesten meer uren op de urenverantwoording richting het agentschap bij. Ik heb vervolgens deze fictieve uren naar eigen inzicht op de urenlijsten aan het agentschap bijgeplust', aldus Betrokkene 9. Deze methode heeft hij voor alle medewerkers voor het project “projectnaam 2” gehanteerd.

In het dossier bevinden zich urenverantwoordingsformulieren ten name van Betrokkene 1 over de weken 5, 6, 7, 8, 9 en 10, ten name van Betrokkene 2 over de weken 26, 28, 35, 36, 37, 38, 39 en 41 en ten name van Betrokkene 3 over de weken 20, 21, 22, 23 en 24. In het geval van Betrokkene 1 en Betrokkene 2 ging het om het project projectnaam 1. In het geval van Betrokkene 3 ging het om het project projectnaam 3.

De urenverantwoordingsformulieren met betrekking tot Betrokkene 3 zijn, waar het de datum van ondertekening door Betrokkene 3 betreft, met een correctievloeistof bewerkt. De originele ondertekeningsdatum 22 september 2009 is na het aanbrengen van correctievloeistof veranderd in 20 mei 2010 (week 20), 27 mei 2010 (week 21), 3 juni 2010 (week 22), 10 juni 2010 (week 23), 17 juni 2010 (week 24) en 24 juni 2010 (week 25).

Betrokkene 3 heeft hier bij de raadsheer-commissaris op 22 september 2016 verklaard:

'Ik ga ervan uit dat ik de Excelbestanden heb ingevuld, ze heb uitgeprint en vervolgens heb ondertekend. Ik zie wel dat op een aantal formulieren met dekwit de oorspronkelijke ondertekeningsdatum is weggelakt en dat daarvoor een andere ondertekeningsdatum in de plaats is gesteld. Voor zover ik kan zien is de oorspronkelijke datum 22-09-2010 door mij ingevuld. De formulieren, zoals zij nu zijn voorzien van dekwit, heb ik nog niet eerder gezien'.

In het dossier bevindt zich een Verantwoordingsformulier ‘Subsidieregeling Kinderopvang’ met bijlagen betreffende het project projectnaam 1 (projectnummer 2007KO20027). Het formulier is gedateerd 9 oktober 2009 en heeft betrekking op het aanvraagtijdvak 2007. Voormeld formulier is blijkens een door verdachte ondertekend begeleidend schrijven op 16 oktober 2009 door het agentschap ontvangen.

In het dossier bevindt zich voorts een verantwoordingsformulier met bijlagen voor het subsidieproject “projectnaam 3” met projectnummer 2008/K03/0035.

Verdachte heeft verklaard dat hij kennis had genomen van de subsidievoorwaarden. Hij wist dat er een sluitende projectadministratie moest zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij de eindverantwoording voor het project “projectnaam 2” projectnaam 1 heeft ondertekend en ingediend. Aan verdachte werd door de verhorende verbalisanten daarbij het document DOC-006-09 getoond.

Verdachte heeft verklaard dat hij een brief met daarbij de eindverantwoordingsrapportage voor het project projectnaam 3 heeft ondertekend. Aan onder andere mailadres is op 9 september 2010 een mail met status “Importance: High” gezonden door Betrokkene 1, Hoofd Projecten. In het mailbericht is onder meer de volgende passage opgenomen:

“Financiën

- Cf afspraak zouden we uren blijven schrijven voor POC t/m eind september en deze op wat voor wijze dan ook proberen te antidateren binnen de projectperiode tot 1 juli 2010. Dit vanwege het feit dat de periode voor de 2e fase te krap zou zijn om alles te realiseren wat er gerealiseerd moest worden.”

Verdachte heeft verklaard dat voormeld mailadres zijn mailadres was.


Toerekening aan de rechtspersoon

Van de verweten gedragingen kan worden vastgesteld dat: 
- het gaat om een handelen of nalaten van personen die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam waren ten behoeve van de rechtspersoon Bedrijf 2, c.q. Bedrijf 1,
- de gedraging past in de normale Bedrijfsvoering van de rechtspersoon, 
- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door die rechtspersoon uitgeoefende Bedrijf,
- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.

Het voor bewezenverklaring vereiste opzet bij verdachte en/of de medewerkers die de urenformulieren tekenden kan eveneens aan de rechtspersoon worden toegerekend.
 

Feitelijke leiding geven

Tijdens de looptijd van de in het geding zijnde subsidieprojecten was verdachte directeur van aanvankelijk Bedrijf 2 en later Bedrijf 1 In deze hoedanigheid had hij feitelijke zeggenschap over de gedragingen verricht door voornoemde rechtspersonen en was hij bij uitstek bevoegd en redelijkerwijs gehouden om maatregelen te nemen ter voorkoming van deze strafbare gedragingen. Op zijn initiatief zijn er meer uren op de formulieren opgenomen dan in werkelijkheid werden besteed. Hij wist dan ook dat er meer uren aan het agentschap werden verantwoord (al dan niet in de opgegeven periode) dan er in werkelijkheid zijn gewerkt.

Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, aan het plegen van welke strafbare gedragingen hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven.
  • Feit 2 primair: opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, aan het plegen van welke strafbare gedragingen hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven.
     

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF