Verdachte heeft op zijn bedrijf zonder de vereiste vergunning en in strijd met de geldende regelgeving gehandeld in (lood)accu’s. Voorwaardelijke stillegging bedrijf en fikse geldboete.

Rechtbank Overijssel 23 januari 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:231

Verdachte heeft op zijn bedrijf zonder de vereiste vergunning en in strijd met de geldende regelgeving gehandeld in (lood)accu’s.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete van 50.000 euro. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat het bedrijf van verdachte voorwaardelijk een jaar wordt stil gelegd met een proeftijd van twee jaar.
 

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem tenlastegelegde feiten opzettelijk heeft gepleegd. De officier van justitie baseert zich hierbij op bevindingen van de politie en op verklaringen van getuigen die zich in het strafdossier bevinden.


Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. Specifiek heeft de raadsvrouw betoogd ten aanzien van feit 1 primair dat er een beroep wordt gedaan op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid van de gedraging, nu verdachte de melding weliswaar niet in formele, maar wel in materiële zin heeft gedaan. Mocht de rechtbank dit beroep niet volgen, dan wordt een beroep gedaan op de afwezigheid van schuld. Verdachte heeft in de optiek van de raadsvrouw na de constatering van de overtreding in maart 2014 op aanwijzing van de handhaver alle maatregelen getroffen met betrekking tot de opslag van accu’s en daarover is in de daaropvolgende bezoeken van de handhaver niet meer gesproken totdat de milieupolitie zich ermee ging bemoeien. De handhaver heeft verdachte vervolgens tot september 2015 de tijd gegeven om een en ander in orde te brengen. Verdachte heeft hierop besloten zijn inrichting te sluiten, omdat hij niet kon voldoen aan de hem gestelde eisen.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair heeft de raadvrouw betoogd dat uit het dossier niet blijkt dat er op het terrein van verdachtes onderneming een structurele opslag is geweest van 30 ton (lood)accu’s.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw gesteld dat de begeleidingsbrieven werden opgesteld door de afnemers van de accu’s en dat het dan niet aan verdachte kan worden verweten dat niet de juiste Euralcodes werden vermeld.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 3 gesteld dat het klopt dat verdachte geen melding heeft gemaakt bij het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen met betrekking tot de afgifte van de loodaccu’s, maar dat verdachte hiervan niet op de hoogte was en er derhalve geen sprake is van boos opzet.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw gesteld dat de nota’s niet zijn opgemaakt door verdachte en dat verdachte derhalve er geen kennis van heeft gehad dat deze nota’s valselijk zouden zijn opgemaakt.

Voorts heeft de raadsvrouw ten aanzien van feit 5 betoogd dat uit getuigenverklaringen blijkt dat er wel degelijk accubakken dan wel palletboxen door een medewerker van de firma bedrijf 5 zijn afgeleverd bij het bedrijf van verdachte en dat voorts ook niet uit het dossier blijkt dat verdachte de 21 inkoopbonnen valselijk heeft opgemaakt.


Oordeel rechtbank


Feit 1, 2 en 3

Verdachte is eigenaar van de eenmanszaak bedrijf verdachte, gevestigd aan adres  2 te Hengelo (O).

Op 9 februari 2011 heeft verdachte schriftelijk een omschrijving aan de gemeente Hengelo gegeven van de werkwijze van het bedrijf en van de goederen die worden ingekocht. Dit betreft onder andere oud ijzer, koper en aluminium. Er is expliciet vermeld dat accu’s niet worden geaccepteerd.

Op 14 november 2011 is een omgevingsvergunning ‘beperkte milieutoets’ door de gemeente Hengelo verleend aan bedrijf verdachte. Het bedrijf dient te beschikken over een inrichting voor het inzamelen en sorteren van metalen van ten hoogste 50.000 ton van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, zijnde metaal, voor zover geen sprake is van gevaarlijk afval.


Juridisch kader

Artikel 1, lid 1 onder 1 van de Wet milieubeheer (WM) bepaalt dat een afvalstof is: alle stoffen, preparaten of voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Op basis van artikel 1, lid 1 onder 6 van de WM is bij ministeriële regeling aangegeven welke stoffen, mengsels of voorwerpen in ieder geval worden aangemerkt als afvalstoffen.

In de bijlage van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (de Eural) is bepaald wat gevaarlijke en niet gevaarlijke afvalstoffen zijn. Op deze afvalstoffenlijst worden ongeveer 800 afvalstoffen benoemd. Deze zijn voorzien van codes. Iedereen die met afvalstoffen werkt dient gebruik te maken van de Euralcode.

De afvalstoffen waarvan deskundigen hebben vastgesteld dat deze per definitie als gevaarlijk moeten worden beschouwd, zijn voorzien van een asterisk (*) achter de Euralcode. De Euralcode van loodaccu’s is 16.06.01*. Loodaccu’s zijn dus gekwalificeerd als gevaarlijk afval.


Feitelijke gang van zaken

Op 5 februari 2014 en 3 maart 2014 heeft een toezichthouder van de gemeente Hengelo een milieucontrole uitgevoerd bij bedrijf verdachte. Tijdens die controles is geconstateerd dat er bakken met oude accu’s op het terrein stonden. Op 12 maart 2014 is per brief aan verdachte medegedeeld dat bedrijf verdachte daarmee in overtreding is. Ten aanzien van de opslag van accu’s is in de brief vermeld dat verdachte een wijziging moet indienen op grond van het activiteitenbesluit om deze overtreding ongedaan te maken. Hij kan er ook voor kiezen geen accu’s meer te accepteren. Verdachte is een hersteltermijn gegeven tot 18 april 2014.

Vervolgens heeft de handhaver van de gemeente Hengelo op 9 maart 2015 een e-mail gestuurd aan bedrijf verdachte. In de mail is vermeld dat op 5 maart 2015 wederom accu’s zijn aangetroffen op het bedrijf.

Op 29 april 2015 is opnieuw een controle uitgevoerd. Er is wederom geconstateerd dat er bakken met oude accu’s op het terrein aanwezig waren.

De gemeente Hengelo heeft verdachte daarop op 27 mei 2015 een ‘voornemen last onder dwangsom’ gestuurd en hem tot en met 17 juli 2015 de tijd gegeven om de overtreding te beëindigen.

Het ‘voornemen last onder dwangsom’ van 27 mei 2015 is op 6 juli 2015 gevolgd door een ‘last onder dwangsom’ van de gemeente Hengelo. Hierbij heeft verdachte nog eens tot 22 augustus 2015 de tijd gekregen om maatregelen te treffen om de overtreding te beëindigen. Als de overtreding op 22 augustus 2015 niet zou zijn beëindigd dan moest verdachte een dwangsom van € 1.500 betalen.

Op 2 september 2015 is door de politie tijdens een doorzoeking geconstateerd dat verdachte nog steeds accu’s inzamelde op het terrein aan adres  2 te Hengelo. Op het buitenterrein van de inrichting stonden tien opslagbakken gevuld met loodaccu's. De opslagbakken waren niet voorzien van deksels en de opslag vond plaats op de klinkerbestrating, zonder overkapping in de open lucht van het terrein.

Uit het Amice-programma van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA) blijkt voorts dat door bedrijf 2 gevestigd te plaats in de periode van 1 januari 2013 tot en met juni 2015 loodaccu’s zijn geaccepteerd van bedrijf verdachte. De locatie van herkomst is adres 2 te Hengelo. Dit blijkt eveneens uit de administratie van de firma bedrijf 2.

De getuige 1 heeft verklaard dat door zijn bedrijf een nota wordt opgemaakt waarbij de klantgegevens en ook de gegevens over het afgegeven materiaal worden vermeld. In het geval van bedrijf verdachte betreft dit het gewicht van de accu’s in kilogram en het te betalen bedrag. Daarbij heeft de getuige verklaard dat zijn bedrijf geen begeleidingsbrieven van bedrijf verdachte heeft ontvangen.

Uit de administratie van bedrijf 3 uit plaats is gebleken dat bedrijf verdachte in de periode van 2013 tot en met 2015 meerdere partijen accu’s heeft afgegeven aan bedrijf 3. Hierbij staat de omschrijving: accu, elektromotoren en sloop. Directeur getuige 2 van bedrijf 3 heeft verklaard dat zijn bedrijf zaken doet met bedrijf verdachte. Hij kan zich niet herinneren dat verdachte ooit een begeleidingsbrief bij zich heeft gehad. Bedrijf 3 maakte dan de begeleidingsbrief op en stuurde die aan verdachte. Deze begeleidingsbrieven zijn bij verdachte aangetroffen in zijn administratie. De in deze begeleidingsbrieven vermelde Euralcodes zijn onjuist.


Feit 1

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij in de ten laste gelegde periodes op zijn terrein (lood)accu’s heeft opgeslagen en dat hij wist dat deze accu’s onder de categorie gevaarlijk afval vielen. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij voor de opslag van de (lood)accu’s geen vergunning had en dat hij ook binnen vier weken geen melding heeft gedaan van het veranderen van die inrichting en/of het veranderen van de werking van die inrichting bij de gemeente Hengelo.

Verdachte heeft verder verklaard dat hij de (lood)accu’s naar afnemers bedrijf 2 BV te plaats en bedrijf 3 te plaats heeft getransporteerd, waarbij hij geen volledige omschrijving van de aard, eigenschappen en samenstelling van die afvalstoffen, zoals dit is voorgeschreven in de WM, middels een begeleidingsbrief heeft verstrekt aan die afnemers. Deze begeleidingsbrieven werden bij aflevering van de afvalstoffen opgesteld door de beide afnemers en verdachte heeft de gegevens van de begeleidingsbrieven achteraf niet gecontroleerd. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij als bevoegd inzamelaar van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen nooit melding daarvan heeft gedaan aan het LMA, zoals dit is voorgeschreven in de WM. Hij was er niet van op de hoogte dat dit moest gebeuren.

Verdachte is eigenaar van een bedrijf dat handelt in (gevaarlijke) afvalstoffen. Van een dergelijke ondernemer mag worden verwacht dat hij weet dat de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten zoals die in de tenlastelegging zijn verwoord, moet voldoen aan de eisen die daaraan door wet- en regelgeving worden gesteld. Verdachte wist dat hij geen gevaarlijke afvalstoffen mocht opslaan op zijn terrein gelegen aan adres  2 te Hengelo. Dit is hem meermalen door de handhavende instantie zowel op schrift als mondeling medegedeeld.

Door te starten met de inzameling van (lood)accu’s, zonder inachtneming van de door wet- en regelgeving gestelde eisen en zonder daarbij over de benodigde vergunning van de gemeente Hengelo te beschikken, heeft verdachte doelbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij in overtreding was. Daar doet niet aan af dat verdachte toen de overtreding werd ontdekt, heeft geprobeerd om in overleg met de betrokken handhaver van de gemeente Hengelo de ontplooide activiteiten in overeenstemming te brengen met de wettelijke eisen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het ten laste gelegde feit sub 1 primair aldus wettig en overtuigend bewezen worden, nu verdachte maatregelen ter voorkoming van de verboden gedragingen achterwege heeft gelaten, terwijl hij als verantwoordelijke ondernemer gehouden was zijn onderneming binnen de wettelijke kaders te voeren en daartoe de noodzakelijke aanpassingen te verrichten. Niet alleen heeft verdachte dit nagelaten, maar heeft hij de verboden activiteiten binnen zijn eenmanszaak voortgezet ondanks de wetenschap dat aan de wettelijke vereisten aan zijn inrichting niet was voldaan.

Het beroep van verdachte op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid op de grond dat hij de vereiste meldingen weliswaar niet formeel, maar wel in het onderlinge contact met de handhaver zou hebben gedaan, verwerpt de rechtbank, aangezien daarmee nog geen sprake is van een gedraging die moet worden geacht de strekking van de wettelijke regeling op adequate wijze te dienen en daarmee de wederrechtelijkheid van het ten laste gelegde zou wegnemen.

De rechtbank verwerpt eveneens het beroep op afwezigheid van alle schuld bij verdachte, nu eventuele mitigerende omstandigheden als gevolg van het al dan niet zuiver toegepaste handhavingsbeleid door de gemeente, niet tot de conclusie kunnen leiden dat verdachte geen enkele mate van schuld heeft gehad aan het hem ten laste gelegde.


Feit 2

Feit 2 acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft immers verklaard dat hij nooit begeleidingsbrieven maakte als hij loodaccu’s vervoerde naar zijn afnemers, maar dat deze brieven door de afnemers van de bedrijfsafvalstoffen werden opgesteld bij inname van de (lood)accu’s. Deze handelswijze wordt gestaafd wordt door de afnemers van de (lood)accu’s.

In artikel 10.44, eerste lid, van de WM is bepaald dat degene die de voornoemde afvalstoffen vervoert een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39 WM aanwezig dient te hebben. Daaronder dient, zoals uit de onderlinge samenhang van de artikelen 10.39 en 10.44 van de WM volgt, een begeleidingsbrief te worden verstaan die conform artikel 10.39, tweede lid, van de WM de daar bedoelde juiste en volledige gegevens bevat. Dit brengt mee dat de vervoerder verplicht is om voorafgaande aan het vervoer de juistheid en volledigheid van deze gegevens te verifiëren, waartoe hij gebruik kan maken van bij de ontvanger of de ontdoener van de afvalstoffen in te winnen informatie.

Nu verdachte zelf geen begeleidingsbrieven heeft opgesteld, dit heeft overgelaten aan zijn afnemers en deze gegevens, zoals hij op zitting heeft verklaard, achteraf niet heeft gecontroleerd, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hierdoor door de afnemers niet de juiste Euralcodes werden vermeld, waardoor – niettegenstaande de werkwijze in de praktijk waarbij de benodigde gegevens door de afnemers worden ingevuld – verdachte in strijd heeft gehandeld met de verplichtingen op grond van de WM, welker niet-nakoming voor rekening en risico komt van verdachte als geadresseerde van die verplichtingen.
 

Feit 3

Verdachte heeft ter zitting ten aanzien van feit 3 verklaard dat hij door onwetendheid geen melding heeft gedaan van de afgifte van loodaccu’s en andere bedrijfsafvalstoffen bij het LMA.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wordt ‘kleurloos’ opzet in het milieurecht voldoende geacht. Niet vereist is dat het opzet van verdachte ook is gericht op het niet naleven van de op de hem rustende wettelijke verplichting om de afgifte van loodaccu’s te melden aan het LMA. De door verdachte gestelde ontbrekende kennis van de regelgeving staat aan het bewijs van het opzet op het niet melden van de afgifte van de loodaccu’s niet in de weg. Van verdachte wordt verwacht dat hij op de hoogte is van de voor hem van toepassing zijnde regelgeving. Van een ondernemer mag bovendien een zekere deskundigheid worden verwacht van het terrein waarop hij zich begeeft.

Het verweer van verdachte dat hij niet op de hoogte was van de verplichting om de afgifte van loodaccu’s aan het LMA te melden wordt verworpen.

De rechtbank is van oordeel dat feit 3 wettig en overtuigend bewezen is.
 

Feit 4 en 5

Met de raadsvrouw van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen aan hem ter zake feit 4 is ten laste gelegd, nu uit het dossier niet wettig en overtuigend blijkt dat verdachte zelf of tezamen met anderen enige inkoopnota valselijk heeft opgemaakt.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 5 is ten laste gelegd.

De rechtbank acht de door verdachte aangedragen alternatieve gang van zaken niet zonder meer ongeloofwaardig. Om dan toch tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te kunnen komen zal de alternatieve gang van zaken moeten worden weerlegd. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of door vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van verdachte uitsluiten.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat de bewijsmiddelen het door verdachte geschetste scenario niet uitsluiten, doch dat zijn lezing juist wordt ondersteund door een drietal getuigenverklaringen die in het dossier aanwezig zijn. De rechtbank zal gelet hierop verdachte van dit feit vrijspreken.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.41 Wet milieubeheer, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.39 lid aanhef onder a Wet milieubeheer, meermalen gepleegd;
  • Feit 3: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.40 lid 1 sub a t/m e Wet milieubeheer, meermalen gepleegd.
     

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 50.000. Daarnaast wordt de onderneming voorwaardelijk stil gelegd voor de duur van één jaar met een proeftijd van twee jaren.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF