Verankering van het Nationaal Preventie Mechanisme bij het College voor de Rechten van de Mens

Op 16 december 2025 is een wetsvoorstel in consultatie gebracht tot wijziging van de Wet College voor de rechten van de mens. Dit voorstel strekt ertoe de taak en bevoegdheden van het College voor de Rechten van de Mens wettelijk te verankeren als Nationaal Preventie Mechanisme (NPM). Het NPM heeft tot doel toezicht te houden op de behandeling van personen van wie de vrijheid is ontnomen, teneinde foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing te voorkomen. Het wetsvoorstel betreft daarmee niet alleen detentie in strafrechtelijke zin, maar ziet tevens op andere vormen van vrijheidsontneming, zoals vreemdelingenbewaring en gedwongen opname in zorginstellingen. De consultatie loopt tot en met 27 januari 2026 en raakt direct aan vraagstukken van openbare orde, veiligheid en mensenrechtelijke bescherming binnen gesloten instellingen.

Achtergrond: het OPCAT en de verplichting tot nationaal preventief toezicht

Nederland heeft in 2010 het Facultatief Protocol bij het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (OPCAT) geratificeerd voor Europees Nederland. Dit protocol verplicht staten tot het instellen, aanwijzen of in stand houden van één of meer nationale preventieve mechanismen. Deze mechanismen hebben tot taak toezicht te houden op plaatsen waar personen verblijven van wie de vrijheid is ontnomen, met als doel foltering en andere onmenselijke of vernederende behandelingen te voorkomen.

Het OPCAT kent een internationaal toezichtsniveau via het Subcomité ter Preventie van Foltering (SPT), maar verplicht staten daarnaast expliciet tot nationaal toezicht. Dat nationale toezicht moet structureel, onafhankelijk en preventief van aard zijn. Het NPM moet regelmatig bezoeken kunnen afleggen, aanbevelingen doen aan bevoegde autoriteiten en adviseren over wet- en regelgeving die relevant is voor vrijheidsontneming.

Van netwerkmodel naar één aangewezen NPM

Na ratificatie van het OPCAT werd het NPM in Nederland aanvankelijk vormgegeven als een netwerk van bestaande toezichthouders, waaronder de Inspectie Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Zowel het SPT als het NPM-netwerk zelf hebben echter aangegeven dat deze constructie tekortschiet. De versnippering van verantwoordelijkheden en het ontbreken van één integraal mandaat deden afbreuk aan de effectiviteit van het preventieve toezicht.

Tegen die achtergrond is besloten de NPM-taak onder te brengen bij het College voor de Rechten van de Mens. Sinds 1 april 2024 voert het College deze taak feitelijk uit. Het voorliggende wetsvoorstel beoogt deze situatie juridisch te verankeren en de daarbij behorende bevoegdheden expliciet vast te leggen in de Wet College voor de rechten van de mens.

Verankering van de NPM-taak in de Wet CRM

Het wetsvoorstel voegt aan artikel 3 van de Wet CRM een expliciete taak toe: het toezien op de wijze waarop personen van wie de vrijheid is ontnomen worden behandeld, ter voorkoming van foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Daarmee wordt de NPM-taak formeel onderdeel van het wettelijke mandaat van het College.

Deze wettelijke verankering beoogt niet alleen duidelijkheid te scheppen richting uitvoeringsinstanties die bevoegd zijn tot vrijheidsontneming, maar ook richting het (inter)nationale toezichtsveld. Het College voldoet bovendien aan de zogenoemde Paris Principles en beschikt over de A-status als nationaal mensenrechteninstituut, hetgeen binnen het OPCAT-stelsel uitdrukkelijk relevant is.

Uitbreiding van bevoegdheden: inzage in informatie en medische dossiers

Een kernonderdeel van het wetsvoorstel betreft de uitbreiding en explicitering van het inzagerecht van het College in het kader van de NPM-taak. Op grond van het OPCAT moet het NPM toegang hebben tot alle informatie die relevant is voor de behandeling en detentieomstandigheden van personen van wie de vrijheid is ontnomen.

Hoewel artikel 6 van de Wet CRM reeds voorziet in een algemene bevoegdheid tot het vorderen van inlichtingen en bescheiden, gold tot nu toe een uitzondering voor informatie die onder een ambts- of beroepsgeheim viel. Het wetsvoorstel introduceert een nieuw vierde lid bij artikel 6, waarin wordt bepaald dat ook informatie die onder een geheimhoudingsplicht valt beschikbaar moet worden gesteld, indien dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de NPM-taak Voorstel tot wijziging van de W….

Dit heeft met name betekenis voor medische dossiers in onder meer de geestelijke gezondheidszorg, jeugdzorg en forensische zorg. Het wetsvoorstel voorziet in een wettelijke grondslag voor deze inzage, inclusief doorbreking van het medisch beroepsgeheim, met een afgeleide geheimhoudingsplicht voor het College en door het College aangewezen personen.

Betreden van plaatsen van detentie, inclusief woningen

Een tweede belangrijk element betreft de bevoegdheid tot het betreden van plaatsen van detentie. Op grond van artikel 7 van de Wet CRM heeft het College in beginsel toegang tot alle plaatsen, met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner en verboden plaatsen in de zin van de Wet bescherming staatsgeheimen.

In het zorgdomein kan echter sprake zijn van situaties waarin een woning feitelijk fungeert als plaats van detentie, bijvoorbeeld wanneer iemand daar niet vrijelijk kan vertrekken. Het wetsvoorstel voorziet daarom in een uitzondering: bij de uitvoering van de NPM-taak mag het College een woning betreden zonder toestemming van de bewoner, indien die woning tevens een plaats van detentie is Voorstel tot wijziging van de W….

Deze bevoegdheid sluit aan bij artikel 12 van de Grondwet en bevat waarborgen zoals legitimatie, doelmededeling en verslaglegging achteraf. De maatregel is volgens de memorie van toelichting noodzakelijk om effectieve preventie mogelijk te maken en te voorkomen dat toestemming onder druk wordt geweigerd.

Verhouding tot grondrechten en gegevensbescherming

De memorie van toelichting besteedt uitvoerig aandacht aan de verhouding tot grondrechten, in het bijzonder het recht op privacy (artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM) en de bescherming van persoonsgegevens onder de AVG. De inbreuken die het wetsvoorstel mogelijk maakt, worden gerechtvaardigd vanuit zwaarwegende belangen, waaronder het voorkomen van foltering, de bescherming van gezondheid en de bescherming van de rechten van personen van wie de vrijheid is ontnomen.

Voor de verwerking van bijzondere categorieën persoonsgegevens, zoals medische gegevens, wordt aansluiting gezocht bij artikel 9, tweede lid, onder g, AVG: verwerking om redenen van zwaarwegend algemeen belang. Daarbij geldt het beginsel van minimale gegevensverwerking en zijn aanvullende waarborgen opgenomen.

Toepassingsbereik: geen werking in Caribisch Nederland

Het wetsvoorstel is niet van toepassing op Caribisch Nederland. Het OPCAT is bij de ratificatie in 2010 beperkt tot Europees Nederland. De memorie van toelichting benadrukt dat een eventuele uitbreiding naar Caribisch Nederland op langere termijn mogelijk is, maar dat daarvoor eerst een afzonderlijke impactanalyse zal worden uitgevoerd.

Gevolgen en uitvoering

De wetswijziging heeft gevolgen voor verschillende groepen: personen van wie de vrijheid is ontnomen, uitvoeringsinstanties, personen met een geheimhoudingsplicht en het toezichtsveld. Voor personen in detentie wordt beoogd de bescherming tegen foltering en onmenselijke behandeling te versterken. Voor uitvoeringsinstanties wordt meer duidelijkheid geschapen over de rol en bevoegdheden van het College als NPM.

Structureel is voor de uitvoering van de NPM-taak een bedrag van € 900.000 per jaar gereserveerd. In 2026 zal worden geëvalueerd of deze middelen toereikend zijn om te voldoen aan de eisen van het OPCAT.

Slot

Met dit wetsvoorstel wordt een belangrijke stap gezet in de formalisering van het nationale preventieve toezicht op vrijheidsontneming. Door de NPM-taak expliciet te beleggen bij het College voor de Rechten van de Mens en de bijbehorende bevoegdheden wettelijk vast te leggen, wordt uitvoering gegeven aan bestaande internationale verplichtingen en wordt beoogd de bescherming van fundamentele rechten van kwetsbare personen te versterken.

Print Friendly and PDF ^