Uitleg van het begrip “verstrekken” van gegevens in art. 126nd Sv in het licht van de Wet bescherming persoonsgegevens

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21 december 2012, LJN BY7595 Na een overval op een boekwinkel is verbalisant met twee collega’s naar winkels in de omgeving van de boekhandel gegaan om te vragen of er mogelijk camerabeelden waren van de overval of van de dader. Bij de Kruidvat en een restaurant waren camerabeelden van een man die volledig voldeed aan het door slachtoffer gegeven signalement.

De camerabeelden van Kruidvat werden getoond in een televisie-uitzending van Bureau Brabant, van Omroep Brabant, op maandag 16 januari 2012. Op dinsdag 17 januari 2012 heeft verdachte zelf contact opgenomen met de Politie Brabant Zuid-Oost. Hij gaf aan de hele dag door personen uit zijn omgeving te zijn aangesproken dat hij wel erg veel leek op de camerabeelden welke vertoond waren tijdens de televisie-uitzending van Bureau Brabant.

Uit het dossier blijkt dat met betrekking tot de camerabeelden van het Kruidvat - anders dan met betrekking tot de beelden van het restaurant - geen vordering als bedoeld in art. 126nd Sv is gedaan.

Het hof stelt voorop dat beeldmateriaal, gelet op art. 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens onder het bereik van die wet valt, en dat blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 126nd Sv de opsporingsambtenaar of de officier van justitie niet mag vragen om op vrijwillige basis mee te werken aan verstrekking van dat beeldmateriaal (vgl. HR 21 december 2010, LJN BL7688, rov. 3.6 en HR 27 november 2012, LJN BY0215, rov. 3.4).

Indien echter degene die verantwoordelijk is voor het gebruik van de beelden van een bewakingscamera deze beelden eigener beweging en op vrijwillige basis aan de politie heeft verstrekt, althans dat die persoon niet door de politie is gevraagd om op vrijwillige basis deze beelden aan de politie te verstrekken, is geen vordering als bedoeld in art. 126nd Sv vereist (vgl. HR 27 november 2012, LJN BY0215, rov. 3.5)

Blijkens de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de Hoge Raad is er aldus sprake van een gesloten stelsel van bevoegdheden, hetgeen erop neerkomt dat - behoudens verstrekking uit eigen beweging door degene die verantwoordelijk is voor het gebruik van de beelden - gebruik moet worden gemaakt van de door art. 126nd Sv toegekende bevoegdheid de beelden te vorderen.

De Hoge Raad heeft daarom geoordeeld dat aan een verzoek tot afgifte van beelden die zijn vastgelegd door middel van - kort gezegd - een beveiligingscamera, een vordering van de officier van justitie als bedoeld in art. 126nd Sv ten grondslag dient te liggen (HR 21 december 2010, LJN BL7688, rov. 3.4).

Ten aanzien van de vraag of aan een verzoek van de politie aan een derde tot het ter plaatse mogen bekijken van dergelijke camerabeelden eveneens een vordering ex art. 126nd Sv ten grondslag dient te liggen, overweegt het hof dat aan een verzoek van de politie om camerabeelden van een beveiligingscamera in een winkel te mogen bekijken - evenals aan een verzoek tot het feitelijk ter beschikking stellen van camerabeelden, bijvoorbeeld op een gegevensdrager zoals een cd - een vordering van de officier van justitie als bedoeld in art. 126nd Sv ten grondslag moet liggen. Een dergelijke vordering is echter niet vereist indien degene die verantwoordelijk is voor de beelden, die beelden eigener beweging en op vrijwillige basis aan de politie heeft getoond.

In dit geval heeft de filiaalleidster van de winkel de beelden niet uit eigen beweging getoond, maar op initiatief van de politie. Het ontbreken van een vordering ex art. 126nd Sv levert daarom een vormverzuim ex art. 359a Sv op. Dit leidt echter niet tot bewijsuitsluiting.

"Op grond van artikel 1, onder n, Wbp omvat het ‘verstrekken van persoonsgegevens’ (elke vorm van) het bekendmaken of ter beschikking stellen van persoonsgegevens. Derhalve is niet alleen het feitelijk ter beschikking stellen van camerabeelden (bijvoorbeeld op een gegevensdrager zoals een cd) aan een ander een vorm van verstrekken, maar ook het een ander kennis laten nemen van de persoonsgegevens door deze te tonen aan de ander.

Nu artikel 126nd, eerste lid, Sv een vordering van de officier van justitie verlangt voor het verstrekken van bepaalde vastgelegde gegevens, moet in beginsel aan een verzoek van de politie om camerabeelden van een beveiligingscamera in een winkel te bekijken, een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 126nd, eerste lid, Sv ten grondslag liggen.

Dit lijkt omslachtig in een geval als het onderhavige, waarin de politie een buurtonderzoek is begonnen meteen na een overval en zij zich snel wil oriënteren of beveiligingscamera’s in de buurt van de overval bruikbare beelden bevatten ten behoeve van de opsporing. Voor spoedeisende gevallen (“bij dringende noodzaak”) echter voorziet artikel 126nd, vierde lid, Sv in de mogelijkheid dat de vordering door de officier van justitie mondeling wordt gegeven; in een zodanig geval wordt de vordering achteraf op schrift gesteld en binnen drie dagen na de mondelinge vordering verstrekt aan degene tot wie de vordering is gericht.

Een vordering als bedoeld in artikel 126nd Sv is, zoals hiervoor overwogen, niet vereist indien (de filiaalleidster van) het Kruidvat de beelden eigener beweging en op vrijwillige basis aan de politie heeft getoond.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant blijkt dat hij zich in het kader van een (buurt)onderzoek naar de overval heeft gewend tot de filiaalleidster van het Kruidvat met de vraag of er een camera in het pand aanwezig was die zicht had op de openbare weg voor het Kruidvat. Nadat verbalisant aan de filiaalleidster had medegedeeld dat er zojuist een overval in de straat had plaatsgevonden en dat het mogelijk was dat de overvaller op de camera’s van het Kruidvat te zien was, heeft de filiaalleidster de beelden getoond die waren gemaakt tussen twee door verbalisant genoemde tijdstippen.

Weliswaar heeft verbalisant de beveiligingsbeelden vrijwillig aan de politie getoond, dat wil zeggen zonder dat de politie dwang in de vorm van strafvorderlijke bevoegdheden heeft toegepast, maar onder de genoemde omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat [B] dit uit eigen beweging (op eigen initiatief, spontaan) heeft gedaan. Er was immers sprake van een situatie waarin een opsporingsonderzoek gaande was en de met opsporing belaste instantie op zoek was naar informatie en zich met dat doel tot [B] heeft gericht. Het initiatief tot het tonen van de beelden is in het onderhavige geval dan ook uitgegaan van de politie.

Uit het voorgaande volgt dat aan het verzoek van de politie tot mogen bekijken van de camerabeelden van het Kruidvat een vordering ex artikel 126nd Sv ten grondslag hadden dienen te liggen. Nu een dergelijke vordering niet is gedaan, is er sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, Sv."

De raadsman heeft hieraan het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting verbonden. Het hof gaat hier niet in mee:

Voor zover de raadsman het oog heeft gehad op een schending van het door art. 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, overweegt het hof dat een schending van dat recht niet zonder meer een inbreuk oplevert op de in art. 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces (vgl. HR 21 december 2010, LJN BL7688, rov. 3.7). In de onderhavige zaak heeft bovendien ter relativering van het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te gelden dat de beveiligingsbeelden zijn gemaakt in een winkel, zijnde een plaats waarvan algemeen bekend is dat daar opnamen met beveiligingscamera’s plegen te worden gemaakt, derhalve een plaats waar de verdachte bezwaarlijk erop heeft kunnen rekenen dat hij daar onbevangen zichzelf kon zijn. De inbreuk op de privacy is daardoor beperkt.

Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat door het optreden van de politie een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF